Nationale Militie - Wetten en Besluiten

Literatuur rondom de Nationale Militie

Onderstaand boek is te vinden op Google books. In het boek staan hier en daar voetnoten vermeld. Vanwege de leesbaarheid zijn deze verzameld en aan het einde van deze pagina opgenomen. In de tekst staan links naar de betreffende noot.

Schutblad van Over Nationale Militie en Remplacement

INHOUDS-OPGAVE.

Inleiding

Over den aard van ons militie-stelsel

Sterkte der militie, duur der dienstpligtigheid en wijze van dienen

Over de vrijstellingen van de dienst

Over de vrijwillige dienst en het vaderlijk gezag

Over de plaatsvervanging

Over de zee-militie

Besluit


Het door de Nationale Conventie in het laatst der vorige eeuw luide geproclameerde beginsel, dat elk burger tot de militaire dienst verpligt is, waar het de verdediging van het vaderland geldt, is uithoofde van het daaruit voortgevloeide conscriptie-stelsel een der belangrijkste besluiten van de republikeinen dier dagen te noemen. Toen in 1793 Frankrijk op 14 verschillende punten door vreemde legers bedreigd werd, was het in staat, door de oproeping van alle weerbare mannen tusschen de 18 en 25 jaar (levée en masse"), zijne onafhankelijkheid te handhaven. Spoedig heeft men echter dit noodsysteem vaarwel gezegd en in 1798 werd de eerste conscriptie-wet uitgevaardigd met loting en met zevenjarigen diensttijd, waarvan vier onder de wapens, doch zonder rempacering; eerst na de verheffing van Bonaparte tot Eersten Consul, werd de bevoegdheid om zich te doen remplaceren aangenomen.

Deze uitgebreide en geregelde toepassing van het beginsel van gepligte krijgsdienst, in Frankrijk sedert dien tijd gehandhaard en in bijna alle Staten gevolgd, is dus voorzeker eene der gewigtigste en in alle maatschappelijke toestanden meest ingrijpende innovatiën, door de Fransche omwenteling te weeg gebragt. Het denkbeeld zelf was echter niet nieuw.

Reeds bij de beschaafdsten der oude volken, de Grieken en Romeinen, kon ieder vrij burger tot de krijgsdienst geroepen worden; wanneer de Frankische koningen of de Duitsche keizers den Heerban opriepen, moesten alle weerbare mannen te wapen komen, en in de tijden van het leenstelsel waren de vaallen verpligt hunnen leenheer ten oorlog te volgen. Eerst omstreeks het einde der 15e eeuw, zien wij langzamerhand de staande legers geboren worden, zamengesteld uit huurlingen, die in den aanvang meestal slechts voor eenen veldtogt, doch later voor een zeker aantal jaren in dienst werden genomen. Deze wijze van legerformatie uitsluitend uit aangeworven of huurtroepen, bevorderde in grooten mate de uitbreiding der monarchale magt, en alléén geldgebrek was instaat de vorsten te weêrhouden van soms, om zeer weinig beduidende redenen, verwoestende oorlogen te voeren.

Zelfs in de 17e en 18e eeuw, den bloeitijd der staande legers, is de verpligte krijgsdienst nimmer geheel in onbruik geweest. In Frankrijk bragt Lodewijk XIV, in 1688, reeds eene soort van nationale militie van 25000 man bijeen, door loting uit de bevolking der dorpen. Na het sluiten van den vrede te Rijswijk werden zij afgedankt, maar gedurende den geheelen Spaanschen suceessie-oorlog werd aan sommige provinciën de last opgelegd, om door loting uit de bevolking een zeker aantal soldaten te leveren. Ook in Spanje was dit in de 17e en 18e eeuw gebruikelijk, en werden die militiens dan gebruikt ter versterking van het leger of wel in afzonderlijke provinciale regimenten geformeerd. In vele staten van‚Duitschland had men eene zoogenaamde landmilitie, ter vervanging van den oudtijds bestaan hebbende en nimmer geheel afgeschaften Heerban. De hiertoe opgeroepenen, Defensioners genaamd, werden in tijd van oorlog tot regimenten vereenigd of tot verdediging der vestingen gebruikt.

Frederik Wilhelm I maakte, in 1733, daarvan voor het eerst gebruik tot aanvulling van zijn leger ook in tijd van vrede, doch stelsel is spoedig in onbruik geraakt. Geheel Pruissen was daartoe in kantons verdeeld, en ieder kanton leverde een regiment. Door loting worden de dienstpligtigen aangewezen en deze dienst moet zeer zwaar op de mindere klasse hebben gedrukt, daar niet alleen de adel, maar ook zij wier ouders eenen zekeren grondeigendom bezaten, vrijgesteld waren. Ook de eenige zoon van hoogbejaarde ouders behoefde niet te dienen, doch zeer karakteristiek voor den geest dier dagen, wordt er in het koninklijk edict bijgevoegd: “ausgenommen wenne es ein extraordinär Kerl istnoot 1.

Bij al deze oproepingen tot verpligte krijgsdienst, was het alléén de willekeur van den vorst, die over zijne onderdanen beschikte, soms om zelf oorlog mede te voeren, soms echter ook om ze aan andere mogendheden te verhuren.

Het Fransche conscriptie-stelsel is dus eene groote schrede op den weg van vooruitgang geweest, dewijl de grondslagen daarvan waren: regtvaardige verdeeling van den last over alle ingezetenen en gelijkheid van allen voor de wet.

In Engeland en in de republiek der Vereenigde Nederlanden hebben nimmer dergelijke gedwongen oproepingen tot de militaire dienst plaats gehad; alleen nam men in Engeland bij gebrek aan vrijwilligers wel eens zijne toevlugt tot den pressgang, doch is dit middel reeds sedert meer dan 60 jaren niet meer toegepast tot aanvulling van het leger. Beide die staten onderhielden in vredestijd slechts eene geringe staande armee, en in oorlogstijd werd die aangevuld met aangeworven huurtroepen, meest Duitschers en Zwitsers. In Nederland werden daarenboven in geval van vijandelijke invasie vrijwilligers-korpsen gevormd, en in Engeland is gedurende de oorlogen met de eerste Fransche republiek eene Militie opgerigt, welke tijdens de oorlogen met het keizerrijk wel gediend heeft, om door eene gestadige oefening en aanvoer van vrijwilligers de buiten Engeland strijdende staande armee voltallig te houden, doch overigens volgens den aard harer instelling meer overeenkomst heeft met onze schutterijen.

Gedurende de Fransche overheersching werd ook bij ons het conscriptie-stelsel, onzaliger gedachtenis, ingevoerd en is het welligt aan den zwaren druk door dat stelsel ondervonden toe te schrijven, dat de sedert de herkrijging onzer onafhankelijkheid hier te lande ingevoerde verpligte dienst, onder zooveel zachteren vorm, steeds zonder moeijelijkheden of tegenkanting, in toepassing is kunnen gebragt worden. Jammer dat men bij de nieuwe zamenstelling der strijdkrachten van onze in 1813 wedergeboren Staat, niet dadelijk eene zee-militie gevormd heeft. In de toenmalige opgewonden stemming zou de bevolking zich die opoffering getroost en zich langzamerhand met de zaak verzoend hebben, terwijl die instelling thans met groote moeijelijkheden gepaard zal gaan.

De eerste wet waarbij de verpligte militiedienst bij ons geregeld werd is van 1815, doch zij werd spoedig vervangen door die van 1817, welke, behoudens eenige bijvoegingen, tot nu toe van kracht is gebleven. Ten gevolge der nieuwe beginselen, in de Grondwet van 1848 gehuldigd, is echter eene herziening der wet op de nationale militie eene dringende noodzakelijkheid geworden. Reeds in 1857 heeft de regering een ontwerp daartoe aan de Staten-Generaal ingediend, doch het gevoelen daarover, door de Tweede Kamer in haar voorloopig verslag uitgebragt, was zeer ongunstig, en de twee kort daarop volgende veranderingen van minister aan het Departement van Oorlog zijn dus waarschijnlijk oorzaak geweest, dat eerst bij koninklijke boodschap van 28 November 1860, een nieuw ontwerp van wet aan de Tweede Kamer is aangeboden, zamengesteld door de ministers van Binnenlandsche Zaken, van Oorlog en van Marine.

Wij willen thans overgaan tot de beschouwing van dit ontwerp, dat bestemd is om de thans vigerende wet van 1817, met hare ampliatiën van 1818 en 1820, te vervangen en waarin die wet alléén wat den vorm en de indeeling der hoofdstukken betreft, zooveel mogelijk is gevolgd; terwijl al door de Grondwet van 1848 voorgeschreven hoofdbeginselen daarin zijn opgenomen, zoodat het dus als eene nieuwe wet te beschouwen is.

Wanneer wij het ontwerp toetsen aan de door de Tweede Kamer in haar voorloopig verslag uitgebragte en meestal uitmuntend gemotiveerde bedenkingen tegen het wetsontwerp van 1857, dan durven wij de hoop voeden, dat daaraan ditmaal eene betere ontvangst zal ten deel vallen, en dat het, behoudens eenige wijzigingen, tot wel zal verheven worden.

Over het algemeen voldoet het O. aan de twee hoofdvereischten welke eene militiewet moet bezitten, namelijk dat zij op genoegzame wijze voorziet in de aanvulling der strijdkrachten van den Staat, en dat zij de verpligte krijgsdienst zoo min bezwarend mogelijk voor de ingezetenen maakt; welk laatste punt, vooral voor een handeldrijvend en weinig tot de militaire dienst geneigd volk als het onze, van het hoogste gewigt is.

Het is ons doel niet, het nieuwe wets-ontwerp artikelsgewijze te ontleden; dit is eene zware taak voor den schrijver en eene dorre lectuur voor den lezer; doch wij zullen de wet in hoofdtrekken trachten te schetsen en daarbij de aandacht vestigen op hare menigvuldige nuttige bepalingen, alsmede op eenige artikelen, die naar ons bescheiden oordeel eene wijziging zouden dienen te ondergaan.

OVER DEN AARD VAN ONS MILITIE-STELSEL

In de Grondwet van 1814 lezen wij, art. 122 “dat het ten allen tijde eene der eerste zorgen van den Souvereinen Vorst is, dat er eene toereikende zee- en landmagt onderhouden worde, aangeworven uit vrijwilligers, hetzij inboorlingen of vreemden, ten einde te dienen in of buiten Europa naar omstandigheden,” en verder in art. 123, “dat er behalve de vaste zee- en landmagt steeds zal zijn eene nationale militie, zooveel mogelijk te nemen uit vrijwilligers en anders bij loting uit de ongetrouwde ingezetenen van 18 tot 22 jaren.”

Deze beide bepalingen, welke met eenige wijziging in al de latere Grondwetten (van 1815, 1840 en 1848) overgenomen zijn, dragen geheel den stempel van de indrukken onder welke zij in het leven geroepen zijn.

Naauwelijks hadden wij het Fransche juk afgeschud of het was eene der eerste zorgen van de toenmalige bewindslieden, om zoo mogelijk het gehate Fransche conscriptie-stelsel, niet alleen in naam, maar ook in der daad te doen vervallen. Daarom werd in de eerste plaats, naar het voorbeeld van Engeland, de oprigting van een vast of staand leger van vrijwilligers voorgeschreven; terwijl de troepen die door loting uit de landskinderen zouden bijeengebragt worden, en met den in Engeland gebruikelijken naam van Militie bestempeld werden, meer bestemd schenen te worden, om slechts in tijden van gevaar gebruikt te worden. Dit laatste is ten minste op te maken uit art. 124 dier Grondwet, waarin bepaald wordt, “dat de militie in gewonen tijden eenmaal jaarlijks te zamen komt om gedurende eene maand of daaromtrent in den wapenhandel geoefend te worden; blijven het nogtans aan den Souvereinen Vorst voorbehouden, om wanneer Hij zulks voor 's lands belangen mogt geraden oordeelen, een vierde van het geheele getal te doen zamenblijven, enz.”

Spoedig ondervond men echter, dat zich veel te weinig vrijwilligers opdeden, niet alleen tot voltallig houding der militie-bataillons, maar zelfs tot aanvulling van ons betrekkelijk klein staand leger, zoodat dit laatste zeer incompleet werd en het bijeenhouden van een gedeelte der militie niet bij uitzondering geschieden, maar regel worden zoude. Om hierin te gemoet te komen en tevens om de groote kosten te besparen, die het afzonderlijk houden van een staand leger en eene militie na zich sleept, werd bij wet van 28 November 1818, het staand leger bij de nationale militie ingedeeld. Deze maatregel was, strikt genomen, tegen den geest van de toenmalige Grondwet, waarbij bepaald werd, dat er eene vaste landmagt zou zijn om te dienen in of buiten Europa, en behalve die landmagt nog eene nationale militie; doch de zamenvoeging was het gevolg van dringende noodzakelijkheid, en zou men welligt ook nog hierbij kunnen voegen, dat de Souverein door het onderhouden van een permanent leger in de overzeesche bezittingen, daarmede, ten minste naar de letter, voldeed aan zijne grondwettelijke verpligting hierboven omschreven.

In de Grondwet van 1848 heeft men door eene gewijzigde redactie en weglating der woorden behalve die vaste landmagt, eene mogelijke verkeerde opvatting van de beteekenis van dien zin vermeden. Staand leger en militie vormen nu bij ons ééne vereenigde legermagt.

Zelfs na de ineensmelting van het staande leger en de militie in 1818, bleek het eene onmogelijkheid te zijn, om ook die aldus gevormde legermagt met vrijwilligers voltallig te houden en telken jare, tot heden toe, was het noodig, om van de bij wet verleende bevoegdheid, tot het doen zamenblijven van een gedeelte der militie, langer dan hunnen oefeningstijd, gebruik te maken tot vervanging der steeds meer en meer ontbrekende vrijwilligers.

Op deze wijze hebben wij dus nu eigenlijk een leger, dat wij, om een militairen term te bezigen, met den naam van reserve- of kaderleger kunnen bestempelen, dat is: een zeer beperkt getal vrijwilligers, waaruit niet veel meer dan de benoodigde personen kunnen gevonden worden, om de, onderofficiers- en korporaals-rangen te vervullen en verder de militiens, waaruit men door het oproepen van een of meer ligtingen of wel van het geheel, het leger op de verlangde sterkte kan brengen, doch die in gewone tijden voor het grootste gedeelte met verlof in hunne haardsteden blijven. Deze legerformatie houdt het midden tusschen het staand leger, uitsluitend door vrijwillige werving, zoo als thans nog in Engeland en de Vereenigde Staten bestaat, en het zuivere militie-stelsel, zonder vrijwilligers die in dienst blijven, alléén nog in Zwitserland gebruikelijk, waarbij de geheele gewapende magt na eenige weken jaarlijksche oefening telkens weder met verlof wordt gezonden.

Inderdaad zijn wij dus langzamerhand teruggekomen tot het conscriptie-stelsel, alhoewel onder eenen anderen naam en op minder drukkende wijze. Niet alleen wij, maar alle andere Europesche staten hebben dit voorbeeld moeten volgen, en is dit dan ook de eenige wijze, om zonder het gestadig op de been houden van een staand leger van vrijwilligers, (hetgeen de financieële krachten van de meeste rijken zou te boven gaan, zelfs al kon men steeds de noodige vrijwilligers daarvoor krijgen), toch op een gegeven oogenblik eene voldoende krijgsmagt van gedeeltelijk ‚geoefende soldaten onder de wapens te kunnen brengen.

In elk rijk is dit stelsel echter op verschillende wijze toegepast. Wat de leeftijd betreft waarop de ingezeten dienstpligtig wordt, hierin bestaat weinig verschil en wisselt die in verschillende staten af tusschen de 18 en 20 jaar. Ook is overal, behalve in Pruissen, de remplacering of afkoop geoorloofd. Wij zien echter groot verschil in den duur van de dienstpligtigheid en van den verpligten diensttijd onder de wapens. In Frankrijk is de loteling 7 jaren dienstpligtig, in Pruissen en in België 8 jaren en in sommige Duitsche staten nog veel langer, terwijl hij in die rijken, zelfs in vredestijd, verpligt is, van twee tot vier jaren onder de wapens te blijven. Eindelijk is het grootste en gewigtigste verschil dier stelsels, bij eenige (o. a. in de Duitsche staten) al de ingeschrevenen van elk jaar ter beschikking van het leger blijven en de loting dus eigenlijk slechts dient, om de volgorde hunner oproeping aan te duiden; terwijl in Frankrijk, België en Sardinië‚ even als bij ons, telken jare, slechts een bij de wet bepaald contingent geligt wordt en de ingeschrevenen, die door loting niet daarvoor aangewezen worden, ook geheel vrijgesteld zijn.

Het ligt buiten ons bestek, om die verschillende stelsels van legervorming hier uitvoerig mede te deelen en de voor- en nadeelen er van te doen uitkomen. Zooveel zij echter gezegd, dat van al die stelsels het onze (vervat in het aanhangige ontwerp van wet) ons voorkomt verreweg het minst drukkende voor de bevolking te zijn, en daargelaten de wel eenigzins te korte tijd van oefening, op vrij voldoende wijze zal voorzien in de behoeften van het leger.

STERKTE DER MILITIE, DUUR DER DIENSTPLIGTIGHEID
EN WIJZE VAN DIENEN.

De militiewet van 1817 schreef voor, dat de sterkte der militie altijd tot de geheele bevolking van het Rijk zou staan in evenredigheid van één man op 100 zielen, en dat dus, met vijfjarige dienst, de jaarlijksche ligting één man van de 500 bedragen zou. Reeds in 1818 werd deze bepaling in zoo verre gewijzigd, dat de regering gemagtigd werd om telken jare bij gemis van genoegzame vrijwilligers eene buitengewone ligting op te roepen, moet dien verstande echter, dat het gezamentlijk aantal ingelijfde militiens nimmer meer zou mogen bedragen dan één man van de 300 zielen.

Door het steeds toenemend gebrek aan vrijwilligers, is men sedert eene reks van jaren genoodzaakt geweest van het grootste gedeelte van dat zoogenaamde buitengewone contingent gebruik te maken, en teregt heeft men dus in art. 1 van het ontwerp dit maximum van één man op 300 zielen als vasten grondslag voor de jaarlijksche ligtingen in gewone tijden voorgeslagen; het geldt hier hoofdzakelijk den vorm, daar de zaak toch reeds bestond. De gronden hiertoe worden in de Memorie van Toelichting zeer duidelijk uiteengezet, en komt het naar dezen maatstaf verkregen jaarlijksch contingent van 11000 militiens, (de bevolking des Rijks op 3,300,000 zielen stellende) zeer gelukkig nagenoeg juist overeen met het cijfer, dat benoodigd is tot aanvulling der getalsterkte (op papier) van ons leger. De organieke sterkte onzer legermagt is namelijk 57,900 man, of na aftrek der onderofficieren en vrijwilligers (ten getale van 6,200 hoofden) 51,700 man, welke allen uit de militie moeten worden getrokken, hetgeen dus, bij vijfjarigen dienstpligt, een jaarlijksch contingent van ruim 10000 man vordert. Behalve deze benoodigde aanvulling van meer dan 10000 man voor het leger, moet men dan nog daarenboven op de zee-militie rekenen en op eenige hierna te bespreken voorloopige vrijstellingen van de effectieve dienst, welke vrijgestelden in mindering van het jaarlijksch contingent tellen, zoodat de sterkte van 11000 man voor dit jaarlijksch contingent voorzeker niet te hoog is gesteld.

Buitendien blijven de kansen om vrij te loten voor de ingeschrevenen bij de militie, dan nog vrij aanzienlijk, wanneer wij in aanmerking nemen, dat er (in ronde cijfers) door elkander jaarlijks 32000 jongelingen voor de militie ingeschreven zijn, waarvan 4000 finaal en 12000 tijdelijk vrijgesteld worden, zoodat er dan nog 16000 voor de loting overblijven, buiten en behalve een niet onaanzienlijk getal lotelingen van het vorige jaar, die, na een jaar tijdelijke vrijstelling goedgekeurd zijnde, ook mede moeten loten.

De verhouding van één man op de 300 zielen is dus niet uit de lucht gegrepen, maar gegrond op hooge noodzakelijkheid. Zij moge sommigen dan al groot toeschijnen; wij zijn van oordeel, dat het onmogelijk is die verhouding te veranderen. en wel omdat zij onmiddellijk zamenhangt met den bij de Grondwet vastgestelden diensttijd van 5 jaren, waarvan natuurlijk niet afgeweken mag worden. Het is een vaste regel, die bij alle militie-stelsels doorgaat, korte diensttijd vordert groote contingenten en bij langeren diensttijd kan men met kleinere ligtingen volstaan, om eene bepaalde legermagt bijeen te brengen. In het eerste geval wordt de last ligter, maar des te meer personen worden er door gedrukt; in het tweede geval is de last zwaarder, maar velen loopen er vrij van. In België waar de dienstpligtigheid 8 jaren duurt, kan men met een jaarlijksch contingent van nog geen 10000 man het leger op de organieke sterkte van 74.000 man houden, terwijl er daarenboven dan nog veel meer vrijlotingen plaats hebben dan bij ons, daar het aantal jongelingen, die aldaar jaarlijks in de termen van dienstpligtigheid komen, ongeveer 40000 bedraagt.

Hadden wij den militiediensttijd van 8 jaar, even als in België, dan zouden wij, tot voltallig houding van ons leger, slechts een jaarlijksch contingent van ruim 6000 man behoeven, of één man op de 500 zielen.

Wij zouden echter die lange dienstpligtigheid, zelfs al belette de Grondwet zulks niet, noch voor het leger, noch voor de bevolking wenschen: het leger wint er in tijd van vrede niet door en in tijd van oorlog of in andere buitengewone omstandigheden kunnen ook bij ons ingevolge de Grondwet, de verschillende ligtingen toch tot langere dienst verpligt worden (door eene jaarlijks te vernieuwen wet); — voor de militiens die het lot treft om te moeten dienen, is het een zware last om alzoo gedurende acht jaren door den militiepligt in alles gebonden te zijn. Ook ‚heeft men bij korte.dienstpligtigheid en daaruit voortspruitende talrijker ligtingen, in geval van algemeene wapening bij vijandelijken inval, een veel grooter getal ingezetenen, die ten minste eenigen tijd soldaat zijn geweest, en dus eenigermate in den wapenhandel geoefend zijn.

Het hierboven besproken maximum van één man op elke 300 zielen voor elke jaarlijksche ligting is bedoeld voor gewone tijden; doch in art. 4 van het O. wordt verder nog voorgesteld, om aan de regering de bevoegdheid toe te kennen, in geval de Staat in oorlog of in andere buitengewone omstandigheden is, eene buitengewone ligting te bevelen, zonder dat men daarbij aan een maximum gehouden zal zijn. Dit is eene zeer gewigtige en hoogst nuttige bepaling, doch wij gelooven niet dat de Staten-Generaal er in dien vorm hare goedkeuring aan zullen hechten, dewijl daardoor de sterkte van het op te roepen contingent geheel wordt overgelaten aan de beoordeeling der regering, zonder medewerking en zelfs zonder latere goedkeuring der wetgevende magt; ook zou daardoor met het oog op de bijzondere rekbaarheid van de beteekenis der uitdrukking buitengewone omstandigheden, de bepaling van een maximum der ligting, in art. 1. van het O., als het ware illusoir worden gemaakt.

Wij gelooven dus, dat het volgens den geest onzer geheele wetgeving op het stuk der militie noodig zij, dat dit bevelen eener buitengewone ligting bij de wet geschiede. De eenige bedenking tegen zoodanige bepaling in te brengen, zoude kunnen zijn, dat het oorlogsgevaar zich kan opdoen in eenen tijd dat de Staten-Generaal niet bijeen zijn. Maar dit is geen overwegend bezwaar, want in zoodanigen oogenblikkelijken nood, zou men toch aan de geheel ongeoefende militiens eener buitengewone ligting niet veel hebben, en kan de Koning, om in de eerste behoeften te voorzien, ingevolge art. 184 van de Grondwet, onmiddellijk de niet onder de wapenen zijnde, doch reeds geoefende ligtingen geheel of ten deele buitengewoon bijeenroepen en zulks zonder voorafgaande goedkeuring der Staten-Generaal, welke eerst na die oproeping door eene wet het zamenblijven dier ligtingen moeten bepalen.

Wij zijn evenwel zoodanig doordrongen van het nut, dat de mogelijkheid besta om in zekere omstandigheden van groot gevaar, bij wet over eene buitengewone ligting te kunnen beschikken, dat wij, zoo daartegen geene overwegende bezwaren zijn, wel zouden wenschen, dat in dergelijke gevallen eene buitengewone ligting kon worden bevolgen niet alleen over de militiens van het loopende jaar, maar ook over al de vrijgelootte of wegens broederdienst vrijgestelde militiens der ligtingen die nog dienstpligtig zijn. Indien immers de nood ten hoogste geklommen is, al de ligtingen opgeroepen, de diensttijd verlengd en zelfs de schutterijen mobiel verklaard zijn, en men dan nog behoefte aan meer soldaten had, zou het verkeerd en onbillijk zijn, zich niet te bedienen van eene zoo talrijke klasse van weerbare mannen, alléén omdat zij het geluk hadden van eenmaal vrijgesteld te zijn. Zij hebben den voor de schutterij vereischten ouderdom nog niet en zouden dus in geen geval voor de krijgsdienst opgeroepen kunnen worden! Dit is o.i. niet met den geest van art. 177 der Grondwet overeen te brengen, waarin gezegd wordt, dat elk ingezeten de wapenen moet dragen tot handhaving der onafhankelijkheid van den Staat, en het in de wet vooropgesteld beginsel, dat hij die in zijn 20e jaar niet voor de dienst wordt aangewezen, ook geheel daarvan vrijgesteld is, mag voor dit bijzondere geval niet worden gehandhaafd.

Niet alleen in de bepaling van den geheelen duur der dienstpligtigheid voor de nationale militie op slechts 5 jaren, maar ook in de bepalingen omtrent het bijeenkomen en zamenblijven der militiens tot effectieve dienst bij het leger in gewone tijden, is onze wetgeving steeds zeer weinig bezwarend geweest voor de bevolking. Art. 128 van het O. bepaalt, geheel in overeenstemming met art. 183 der Grondwet van 1848, ”dat de Koning voor zooverre hij zulks noodig zal achten, jaarlijks twee of meer ligtingen van de militie gedurende zes weken te zamen laat komen om in den wapenhandel geoefend te worden” — terwijl art. 120 van het O. bijna letterlijk volgende hetgeen de Grondwet in het derde deel van art. 188 daarover bevat, de bepaling inhoudt, „dat de militiens, gedurende het geheele eerste jaar hunner dienstpligtigheid, onder de wapens kunnen worden gehouden tot eerste oefening.” Deze oefeningstijd zou uit een militair oogpunt beschouwd, hoogst nuttig en wenschelijk zijn en is eerder te kort dan te lang te noemen, doch wordt van de bevoegdheid daartoe, waarschijnlijk om financieële redenen, slechts een zeer beperkt gebruik gemaakt. Van de militiens der ligting van elk loopend jaar worden, na afloop van 4 of 5 maanden eersten oefeningstijd, slechts zooveel onder de wapens gehouden als noodig is tot aanvulling der ontbrekende vrijwilligers; de overigen worden met verlof naar huis gezonden.

Men behelpt zich dus in het leger, voor een groot gedeelte van het jaar met slechts half geoefende soldaten,daar eigenlijk het geheele eerste jaar van den diensttijd des militiens als een oefeningstijd moet worden beschouwd. Het is echter natuurlijk, dat de regering, zelfs in gewone tijden, steeds voor de eischen van 's lands dienst onmiddellijk en zonder voorafgaande beraadslaging met de Staten-Generaal, zal moeten kunnen beschikken over een gedeelte der geoefende militie, zoo haar zulks raadzaam voorkomt. De Grondwet van 1848 geeft daartoe dan ook de bevoegdheid in de 2de paragraaf van art. 183, waar wij lezen: ”dat de Koning een deel der militie, door de wet te bepalen, kan doen zamenblijven.” Vóór het jaar 1848 gaf de Grondwet zelve aan hoe groot dit deel mogt zijn, en wel ¼ van de geheele sterkte der militie — thans, nu de regeling daarvan aan den gewonen wetgever is overgelaten, zien wij dat in art. 121 van het O. wordt bepaald ”dat behalve de ligting die voor het eerst dient (en dus ongeoefend is) steeds 1/5 van het geheele bedrag der vijf ligtingen van de militie onder de wapens kan worden gehouden of geroepen.” Voorts wordt in datzelfde en in het volgende artikel van het O. opgegeven, uit welke manschappen dat vijfde gedeelte bij voorkeur zal zijn zamengesteld en wel uit lotelingen, die verlangen in dienst te blijven, uit militiepligtigen, die toch kunnen verpligt worden, om in dienst te blijven ingevolge artt. 166, 172, 174 en 179 van het O. en uit plaatsvervangers. Hierdoor is deze maatregel dus eigenlijk voor niemand een drukkende last en dient men ook in het oog te houden, dat het bedoelde 1/5 gedeelte slechts een maximum aanduidt, waartoe men zonder noodzakelijkheid nooit zal opklimmen.

Het is nuttig dat het militair bestuur niet bij elke gewenschte kleine uitbreiding, bij het eventueel geheel ontbreken van vrijwilligers of bij het dreigen van oorlogsgevaar geheel ontbloot van geoefende soldaten zij, maar zich onmiddellijk door dien maatregel kan voorbereiden en dekken, tot dat later de meer afdoende maatregelen worden getroffen, waarvan wij hierboven reeds gewaagden.

Het in art. 121 voorgestelde zamenblijven is dus hoogst noodig en in alle opzigten met de letter en den geest der Grondwet overeen te brengen. Ditzelfde kunnen, wij echter niet zeggen van den inhoud van art. 191 van het O., waar als overgangsbepaling wordt voorgesteld, om de vijf ligtingen van 1857 tot 1861, tot zes jaren in plaats van vijf jaren dienst te verpligten. In de nieuwe wet wordt, ingevolge het voorschrift der Grondwet, de aanvang van den militie-dienstpligt vastgesteld in het 20ste levensjaar, terwijl zulks thans een jaar vroeger is; wanneer dus dit hier besproken ontwerp. met 1e Januarij 1862 kracht van wet kreeg, zou men de geheele ligting van 1862 missen, daar de jongelingen die in dit jaar hun 20e jaar bereiken, reeds in 1861 op hun 19e jaar (volgens de thans vigerende wet) voor de militie waren bestemd.

De regering zal dus gedurende vijf jaren, van 1862 tot 1867, slechts over vier ligtingen militiens kunnen beschikken, en dus bij eventuëele oproeping van de geheele militie slechts 40000 in plaats van 50000 man verkrijgen. In de Memorie van Toelichting der regering wordt gezegd, — dat het eene bedenkelijke zaak is, om de strijdkrachten van den Staat gedurende een vijftal jaren zoo aanmerkelijk te verminderen, en dat aan de op die voorgestelde wijze langer in dienst te houden ligtingen, geene aanmerkelijke verzwaring van dienstpligt wordt opgelegd, daar immers de krachtens de tegenwoordige wetten op 19 jarigen leeftijd tot de dienst aangewezenen, toch gedurende het eerste jaar van hunnen diensttijd in reserve blijvenen eerst op hun 20e jaar onder de wapens worden geroepen; zoodat voor hen (bij verlenging van hunnen diensttijd tot 6 jaar) en voor de in den vervolge krachtens de nieuwe wet op te roepen militiens, de eindtoestand inderdaad dezelfde zal zijn. — Verder meenen wij, uit de toelichting op dat artikel te mogen opmaken, dat de regering deze moeijelijkheid, voortspruitende uit de invoering eener nieuwe wet op de militie, rangschikt onder de buitengewone omstandigheden, naar aanleiding waarvan art. 182 der Grondwet de bevoegdheid geeft om bij de wet den diensttijd der militie te verlengen. Wij veroorlooven ons tegen deze argumenten der regering de volgende bedenkingen in het midden te brengen:

Vooreerst gelooven wij niet dat het gevaar om in vredestijd slechts over 4 ligtingen te kunnen beschikken zoo overwegend is; sedert 1848 immers verkeeren wij feitelijk in dien toestand, daar van de militiens gedurende hun eerste dienstjaar geenerlei dienst gevorderd werd, en zulks zonder schadelijke gevolgen. Mogt het Rijk tusschen 1862 en 1867 werkelijk in den toestand van oorlog of buitengewone omstandigheden komen, dan kan immers de diensttijd van de geheele militie toch bij de wet verlengd worden, en is dit niet voldoende dan kan eene buitengewone ligting worden bevolen. Weinig doet het er dan toe welke ligtingen dat lot treffen, wanneer 's lands belang zulks gebiedend vordert. Maar om nu, in vollen vredestijd, reeds bij voorraad 5 ligtingen met dien langeren diensttijd te bezwaren, al is die last dan zoo groot niet, wij gelooven niet dat dit geoorloofd zij, ook maakt men hierdoor eene nieuwe wet van terugwerkende kracht, op personen die onder het regime der oude wet in dienst traden, en deze terugwerking is nog wel ten hunnen nadeele!

Dat de invoering eener nieuwe wet op de militie, een dier buitengewone omstandigheden zou daarstellen, waarop in art. 182 der Grondwet gedoeld wordt, hieraan twijfelen wij, en tot staving van dit gevoelen beroepen wij ons op de regering zelve, die in hare toelichting op artt. 121 en 122 van ditzelfde ontwerp aanhaalt, dat overal waar in de Grondwet gesproken wordt van oorlog of andere buitengewone omstandigheden zulks in blijkbare tegenstelling geschiedt met gewone tijden of vredestijd. Omgekeerd dus kan men zich in gewone tijden of vredestijd geene buitengewone omstandigheden denken, in den zin zoo als deze uitdrukking door de Grondwet wordt bedoeld, en mogen wij hieruit dus opmaken, dat de regering aan die woorden eene beteekenis geeft, geheel in overeenstemming met de uitlegging daarvan door de Tweede Kamer in haar voorloopig verslag van 1857 gegeven, namelijk: dat onder buitengewone omstandigheden moet worden verstaan, eenen toestand die met eenen oorlogstoestand op ééne lijn gesteld kan worden. De bepalingen, die voor dien toestand voorgeschreven zijn, mogen dus ook niet in toepassing worden gebragt in gewone tijden en in eenen toestand van vrede, vooral daar art. 182 der Grondwet zoo duidelijk en zonder eenige reserve bepaalt, dat de militiens, in vredestijd, na eene vijfjarige dienst worden ontslagen.

Alvorens van onze bedenkingen over den duur van den dienstpligt en de wijze van dienen der nationale militie af te stappen, meenen wij nog de aandacht te moeten vestigen, op de algemeen in deze wet voorheerschende strekking, om den aard der dienstverpligting en de wijze waarop de regering daarvan, onder alle omstandigheden, gebruik denkt te maken, tot in de kleinste bijzonderheden te bepalen. Blijkens het boven bedoeld voorloopig verslag over het. ontwerp van wet van 1857, was een gedeelte der Kamer van oordeel, dat de regering in dat O. niet genoegzaam voldaan had aan de bedoeling van art. 180 der Grondwet, waarin gesproken wordt van eene nationale militie, om te dienen op de wijze in de wet bepaald. Hoofdzakelijk had men er bezwaar tegen, dat in dat O. niet bepaald was, in hoeverre de militie ook buiten de grenzen van het Rijk zou mogen worden gebruikt.

In dit verzuim voorziet art. 119 van het tegenwoord O. door de bepaling, ”dat de in gelijfden bij de militie te gelijk dienen met en op dezelfde wijze als de vrijwilligers bij het leger.” Hieruit blijkt dus, dat de militiens op dezelfde wijze zullen behandeld worden als de vrijwilligers, en dat wanneer de Koning, die volgens de Grondwet het oppergezag heeft over zee- en landmagt, het dus voor s lands belang raadzaam oordeelt, de militie, die thans een integrerend deel van de landmagt uitmaakt, ook buiten de grenzen van het Rijk in Europa kan worden gevoerd; terwijl echter in datzelfde art. 119 de heilzame bepaling der Grondwet is overgenomen, „dat militiens niet dan met hunne toestemming naar de koloniën en bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen gezonden worden.”

De bepaling dat de militiens met de vrijwilligers wat de dienst in Europa betreft, op gelijken voet worden gesteld, is allezins billijk en natuurlijk, sedert die beide wapenmagten tot één leger zijn vereenigd, waarover de uitvoerende magt dus in tijden van gevaar zal moeten kunnen beschikken. Ook de grondwetgever schijnt deze bedoeling te hebben gehad, daar het anders onverklaarbaar zoude zijn, dat de zoo peremptoire bepaling voorkomende in de vroegere Grondwetten, „dat behoudens eenige uitzonderingen de militie nimmer zonder bijzondere toestemming der Staten-Generaal buiten de grenzen van het Rijk mag worden gezonden” — geheel is weggelaten in de Grondwet van 1848.

OVER DE VRIJSTELLINGEN VAN DE DIENST.

Van al de moeijelijkheden, waarmede de ontwerpers van het hier behandelde concept van wet op de militie hebben te kampen gehad, is er geen van zoo zwaarwigtigen aard, als de uitlegging, die blijkens het voorloopig verslag der Tweede Kamer over de in 1857 aangeboden, doch later teruggehouden militiewet,.door de meerderheid der Kamer gegeven werd aan artt. 181 en 182 der Grondwet van 1848,1uidende aldus:

181. Bij gebrek aan genoegzame vrijwilligers wordt de militie voltallig gemaakt door loting uit de ingezetenen, die op den eersten Januarij van elk jaar hun twintigste jaar zijn ingetreden. De inschrijving geschiedt een jaar te voren.

182. Zij die aldus in de militie te land zijn ingelijfd, worden in vredestijd, na eene vijfjarige dienst ontslagen.

Zie hier de hoofdstrekking der redenering, die met groote duidelijkheid in dat voorloopig verslag is ontwikkeld: “Volgens de vroegere Grondwetten, werd de militie voltallig gemaakt bij loting uit de ingezetenen, die op den 1en Januarij van elk jaar hun 19e levensjaar ingetreden waren en hun 23e jaar nog niet hadden volbragt. De mogelijkheid bestond dus, om ingezetenen ook op hun 20e tot 23e jaar aan de loting te doen deelnemen, en bij de bepaling van den diensttijd op 5 jaren kon het gebeuren, dat iemand, die na gedurende eenige jaren wegens gemis van genoegzame lengte, geneeslijke ligchaamsgebreken of andere redenen, tijdelijk was vrijgesteld geweest, doch eindelijk zeer laat toch bij de militie opgenomen werd, genoodzaakt was om tot in zijn 28e jaar te dienen of ten minste dienstpligtig te zijn.”

”De tegenwoordige Grondwet geeft meer waarborgen aan de ingezetenen dan vroeger. Volgens art. 181 wordt de militie voltallig gemaakt door loting uit de ingezetenen, die op den 1en Januarij van elk jaar hun twintigste jaar zijn ingetreden. Geen latere leeftijd wordt daarbij genoemd. Aan het beginsel der vorige Grondwet, die tot de jaarlijksche lotingen toeliet ingezetenen van meerderen ouderdom, is vaarwel gezegd.”

Verder overgaande tot de beschouwing van art. 182, hierboven medegedeeld, wordt in dat verslag gezegd: ”Naar het oordeel der meerderheid is het woord aldus (in den aanvang van dat artikel voorkomende) hier van veel beteekenis. Men kan het niet anders opvatten dan in dien zin, dat geene inlijving bij de militie plaats heeft, dan ten gevolge van en onmiddellijk na eene loting in het twintigste jaar, en dat dus het contingent van ieder jaar streng van elkander gescheiden is. Daar de Grondwet te gelijker tijd den duur der verpligte krijgsdienst op 5 jaar bepaalt, volgt uit den zamenhang der beide artikelen, dat voor niemand wie hij zij, de verpligte dienst verder kan worden uitgestrekt dan tot in het vijf-en twintigste jaar. Het gebrek is verholpen waarover men vroeger klaagde. De Grondwet zelve wijst de grenzen aan van den dienstpligtigen tijd.”

Wij laten daar, of deze uitlegging der beide grondwetsartikelen de ware is, en of de grondwetgever wanneer hij bedoeld had dat de verpligte dienst in geen geval verder mogt worden uitgestrekt dan tot in het vijf-en-twintigste jaar, dit dan niet nog duidelijker zou hebben uitgedrukt.

Zooveel is zeker, dat de regering gemeend heeft ten deze de uitlegging van de Tweede Kamer te moeten aannemen, en dat het geheele ontwerp van wet daarop berust. De tijdelijke vrijstellingen zijn daardoor geheel vervallen; iedereen weet onmiddellijk na de loting in zijn 20e jaar of hij moet dienen wal dan niet. Worden aan den eenen kant hierdoor velen ontheven van den drukkenden last, om na eenige malen tijdelijk vrijgesteld te zijn, eindelijk goedgekeurd te worden en dus tot hun 26e, 27e of 28e jaar dienstpligtig te blijven — aan den anderen kant stuit men bij het uitsluitend verleenen van finale vrijstellingen op andere moeijelijkheden, waardoor menigeen die onder de werking van het tot nu toe gevolgde stelsel thans vrij loot, door goedkeuren en inlijven van eenen tijdelijk vrijgestelde van een der vorige ligtingen, voortaan tot de dienst zal worden aangewezen, omdat die vrijstelling finaal moest zijn, alhoewel welligt de redenen daartoe slechts van tijdelijken aard waren.

Doch er is geen stelsel te bedenken, dat nevens zijne voordeelen ook niet zijne nadeelen zal hebben, en het hierboven uit de Grondwet afgeleide beginsel eenmaal aannemende, moeten wij zeggen, dat het moeijelijk is,om het met meer naauwgezetheid en op billijker wijze in toepassing te brengen, dat in het hier besproken ontwerp geschied is.

Alle tijdelijke vrijstellingen en de inlijving in de militie op lateren leeftijd dan het 20e jaar zijn daarbij vervallen, met uitzondering alleen, wat het laatste betreft: van personen die verzuimen zich voor de militie te doen inschrijven, van ontslagen gevangenen, van ingelijfde militiens, die niet aan de oproeping om onder de wapenen te komen voldoen, en van hen die door het overleggen van valsche stukken aanvankelijk eene vrijstelling van de dienst hadden weten te bekomen. Voor al deze personen wordt in artt. 166, 172, 174 en 179 bepaald, „dat zij onmiddellijk zonder loting worden ingelijfd voor 5 jaren, welke ook hun leeftijd zij,” terwijl zij daarenboven langer effectief onder de wapenen zullen worden gehouden dan de gewone militiens. Deze inlijving is dus eigenlijk als eene straf te beschouwen en zoude eene finale vrijstelling, voor het geval dat de betrokken persoon bij de ontdekking van het vergrijp reeds boven de 20 jaar oud‚ was eene aanmoediging voor velen zijn, om op die wijze den dienstpligt te ontduiken.

Vóór dat wij in onze beschouwing over de vrijstellingen verder gaan, willen wij een oogenblik de aandacht vestigen, op een voor vele familiën belangrijk punt, namelijk de zoo even besproken categorie van jongelingen, die zich niet of niet ter behoorlijker tijd ter inschrijving aangeven (réfractaires). Het verzuim van aangifte heeft zeer dikwijls plaats, — soms uit opzet, doch in vele gevallen door onwetendheid of onachtzaamheid der ouders; wanneer men nu beschouwt, dat de minderjarige jongeling, wien het betreft, eigenlijk nog geen persoon in regten is, zou het rationeel zijn om niet hem maar zijne ouders het zwaarste te straffen; doch het tegendeel heeft plaats en de straf is niet gering, daar behalve de geldboete voor zoodanig verzuim opgelegd, die militien volgens de thans vigerende militiewet , onmiddellijk zonder loting wordt ingelijfd en ‚voor 5 jaren onder de wapenen gehouden, onverschillig of hij al dan niet redenen van vrijstelling kan inbrengen.

De ontwerpers van de nieuwe wet hebben de hardheid dezer zoo zware straf voor een welligt onwillekeurig verzuim ingezien, en teregt wordt in de Memorie van Toelichting gezegd, dat deze bepaling als uiterst streng is aan te merken, daar het moeijelijk is aan te nemen dat hij, die eene wettige reden van vrijstelling heeft, opzettelijk de aangifte zal verzuimen.

Om hierin tegemoet te komen is dan ook in art. 162 van het O. bepaald „Indien hij, wiens aangifte ter inschrijving verzuimd is, zoo deze had plaats gehad, vrijstelling van dienst had kunnen erlangen, kan die hem alsnog worden verleend, mits de reden van vrijstelling bij zijn verschijnen voor Gedeputeerde Staten nog besta.”

Voor het geval dat de betrokken jongeling geene redenen van vrijstelling kan doen gelden, is het altijd zeer moeijelijk uit te maken of het verzuim al dan niet met opzet heeft plaats gehad, en blijft er niets anders over dan in deze gevallen het opzet aan te nemen. Doch ook de hierop in art. 166 van het O. gestelde straf: onmiddellijke inlijving voor 5 jaren, waarvan slechts 2 jaren in werkelijke dienst, onverminderd de in art. 184 bepaalde geldboete, is veel ligter dan vroeger; daar immers eene werkelijke dienst van twee jaren (in plaats van vijf zoo als thans) niet zwaar te achten is, wanneer men in aanmerking neemt, dat alle lotelingen tot eerste oefening een jaar, en zij die voor het blijvend gedeelte bestemd worden, nog langer onder de wapens gehouden kunnen worden.

Een onmiddellijk gevolg van het, in overeenstemming met het hoofdbeginsel der wet, vervallen der tijdelijke vrijstellingen is, dat voortaan alle vrijstellingen voor altijd zullen moeten verleend worden en is het dus de pligt der regering, om met de uiterste omzigtigheid en naauwgezetheid die vrijstellingen te bepalen en hun getal zooveel mogelijk te beperken, omdat vrijstelling van den een steeds ten nadeele van een ander strekt. De regering heeft in hare memorie van toelichting dit onderwerp uitmuntend toegelicht en heeft, met de erkenning dat de militaire dienst een last is voor de ingezetenen, die uit den aard der zaak altijd ongelijk drukt, evenwel getracht bij de verdeeling van dien last de meeste billijkheid en regtvaardigheid in het oog te houden.

Vrijstellingen zullen thans alleen verleend worden (zie artt. 44 — 51 van het O.) aan hem:

a. Die kleiner is dan 1,56 el.

b. Die door misvorming, ziekte of gebreken voor de krijgsdienst ongeschikt is.

c. Die éénige wettige zoon is.

d. Die reeds als vrijwilliger bij de land- of zeemagt of in de koloniën in dienst is.

e. Die adelborst of kadet is op eene van 's Rijks militaire scholen.

f. Die kweekeling is voor de militaire geneeskundige dienst.

g. Die reeds gedurende 5 jaren in een lageren rang dan dien van officier gediend heeft,

en voorts in eenige naauwkeurig in de wet omschreven gevallen van broederdienst.

Geene vrijstellingen zullen dus meer, zoo als thans,toegekoud worden, aan personen die zich in bijzondere maatschappelijke standen en toestanden bevinden, en dit is zeer toe te juichen, daar zulks niet alleen onregtvaardig in beginsel is, maar doordien die vrijstellingen zeer talrijk zijn, de dienst der overige lotelingen daardoor zeer verzwaard wordt. noot 2

Hierdoor zal dus vervallen de tot nu toe verleende vrijstelling van de geestelijken, van de kweekelingen tot onderwijzers, van hen die de buitenlandsche zeevaart tot hun beroep maken en van de zoogenaamde kostwinners hunner familie.

Deze beide laatste redenen van vrijstelling geven aanleiding tot vele misbruiken en onregelmatigheden in de toepassing der wet, daar hun aanwezen zoo moeijelijk met juistheid te bepalen is.

Kan bij voorbeeld iemand, die ééne reis ter zee gedaan heeft, geacht worden zijn beroep van de zeevaart te maken? eene te ruime toepassing hiervan is moeijelijk te voorkomen, doch zelfs bij beperkte toepassing wordt deze vrijstelling voor zeeplaatsen of gemeenten, waar zich vele zeevarenden bevinden, bovenmate drukkend voor de overige zich aldaar bevindende lotelingen, en zijn daarover zelfs reeds klagten bij de regering ingekomen.

De vraag, in welke gevallen een jongeling van 20 jaar geacht kan worden kostwinner voor zijne familie te zijn,is nog moeijelijker uit te maken; veelal zal, zoo als teregt in de memorie van toelichting gezegd wordt, het tegenovergestelde het geval wezen.

Tegen het vervallen dier beide vrijstellingen is dus o. i. niets in te brengen.

Ook de studenten in de godgeleerdheid en de geestelijken van erkende gezindheden alsmede de kweekelingen, die op 's Rijks kosten tot onderwijzers voor de lagere scholen worden opgeleid, zullen niet meer zoo als thans vrijgesteld zijn.

Wat de studenten in de godgeleerdheid en de geestelijken betreft, heeft men echter te regt ingezien, dat de militaire dienst kwalijk overeenstemt met het karakter van hem, die bestemd is de Kerk te dienen of reeds als leeraar is opgetreden. Het geven van finale vrijstelling, aan hem die zich voorbereidt zou evenwel den weg openen tot misbruik en ontduiking. Men heeft dus, om in deze beide tegen elkander werkende moeijelijkheden te voorzien, de finale vrijstelling der geestelijken en studenten in de godgeleerdheid afgeschaft, en zij worden dus ingelijfd; maar bij art. 127 wordt aan hen de toezegging gegeven van op hunne aanvraag, telkens voor een jaar, vrijstelling van de werkelijke dienst te bekomen.

Het stelsel van de wet blijft hierdoor dus ongeschonden, daar dit geene tijdelijke vrijstelling van de dienst is, doch slechts de vergunning om zoo lang de militien in dien stand is, telkens een jaar buiten oproeping te blijven. Er kan tegen dit voorregt te minder bezwaar bestaan, omdat aan den anderen kant in vele wetten aan de geestelijkheid de bevoegdheid is ontnomen tot uitoefening van eenige staatsburgerlijke regten en het bekleeden van andere openbare betrekkingen; ook lijdt niemand er schade door, daar de aldus ingelijfde doch buiten oproeping blijvende lotelingen, in mindering tellen van het contingent van hun jaar. Hierdoor zal dus het contingent waarover de regering voor het leger kan beschikken, iets kleiner worden, maar dit zal, uithoofde van het geringe getal der personen die in deze categorie vallen, niet schaden. In de laatste 10 jaren bedroeg het getal studenten der godgeleerdheid en geestelijken die den dienstpligtigen leeftijd bereikten, door elkander genomen elk jaar ongeveer 120 — aannemende dus dat zich 1/3 daarvan vrijloten, dan blijven er slechts 80 's jaars over op wie art. 127 van toepassing zal zijn.

Wat betreft het vervallen der vrijstelling voor kweekelingen-onderwijzers, wij betreuren dit; daar deze maatregel zal strekken, om het reeds gering getal van kandidaten voor deze hoogst nuttige en slecht beloonde betrekking nog te verminderen. Het is van zóó overwegend belang voor alle standen in de maatschappij, dat alle onderwijzersplaatsen op waardige wijze vervuld worden, dat alles wat kan strekken om den lust daartoe aan te moedigen, moet aangewend worden, te meer daar zij, die zich aan het vak van onderwijzer wijden, veelal buiten staat zijn zich van een remplacant te voorzien en dus zelven in dienst moeten treden, waardoor zij hunne stndiën verlaten, om ze zeer dikwijls nooit weder op te vatten. Zoo het dus mogelijk was, zouden wij wenschen dat de gunstige bepaling van art. 127 ook tot hen werd uitgestrekt. Wij zeggen zoo het mogelijk is, want wij weten het getal niet, dat van hen dooreengenomen jaarlijks dienstpligtig wordt. Waarschijnlijk zal dit wel veel grooter zijn dan dat der geestelijken, en dan zou men weder op de groote moeijelijkheid stuiten, dat aangezien zij in mindering moeten tellen van het jaarlijksch contingent (hetwelk vast bepaald is), het leger daardoor te weinig lotelingen beschikbaar overhield.

Na aldus eenen vlugtigen blik te hebben geworpen op de vrijstellingen der tegenwoordige wet die vervallen zullen, willen wij de in het O. voor het vervolg voorgestelde vrijstellingen beschouwen.

De sub a bedoelde vrijstelling is zeer juist vastgesteld, daar jongelingen die op hun 20e jaar de lengte van 1.56 el nog niet hebben, in den regel te weinig ligchamelijk ontwikkeld geacht moeten worden, om soldaat te kunnen zijn. Thans is de maat voor de militie 1.57 el, doch dit is met het stelsel van tijdelijke vrijstellingen van één jaar, zoodat wanneer de militien bij de loting die maat nog niet heeft, men hem een of twee jaar later toch voor de dienst kan aanwijzen, wanneer hij die maat bereikt.

Om dus het aantal vrijstellingen wegens te kleine lengte, dat nu reeds zeer aanzienlijk is (zie de noot hiervoren op blz. 25), niet al te zeer ten nadeele van anderen te doen toenemen, heeft men het minimum van de vereischte lengte met 1 duim verminderd. Dat dit kleine minimum kan worden aangenomen, wanneer overigens de militien welgemaakt en gezond is, zonder dat zulks nadeelig op zijne bruikbaarheid als soldaat werkt, zien wij ten duidelijkste bij het Fransche leger, waar de vereischte lengte voor den militien nog een duim kleiner gesteld is.

Sub b worden vrijgesteld zij, die door misvorming, ziekte of gebreken voor de krijgsdienst ongeschikt zijn. Ook thans worden zij die misvormd zijn of ongeneeslijke ziekten of gebreken hebben finaal vrijgesteld, doch zij die slechts eene geneeslijke ziekte of gebrek hebben worden tijdelijk (voor één jaar), vrijgesteld. Geneest nu de tijdelijk vrijgestelde niet of wordt hij niet voor de krijgsdienst geschikt, dan moet hij toch gedurende 5 jaren telken jare weder herkeurd worden, en blijft hij dus al dien tijd als het ware met het zwaard van Damocles boven het hoofd en daardoor gebonden in vele handelingen in het maatschappelijk leven; wordt hij echter eindelijk na 2 of 3 of 4 jaren goedgekeurd, dan moet hij zijn geheelen diensttijd nog volbrengen. Dit bezwaar wordt nu opgeheven, maar daarentegen zal zich nu dikwijls het geval kunnen voordoen, dat een jongeling in het jaar dat hij dienstpligtig wordt eene ontsteking op de oogen, eene beenbreuk of eenige andere ziekte van voorbijgaanden aard heeft, welke hem, alhoewel niet voor altijd dan toch voor het oogenblik, ja welligt voor eenige maanden, bepaald ongeschikt maakt voorde dienst. Hij wordt dus onder het nieuwe stelsel finaal afgekeurd, want in het volgende jaar mag hij niet ingelijfd worden, een ander moet in zijne plaats de verpligte krijgsdienst vervullen en de vrijgestelde is in het volgende jaar toch welligt geheel hersteld. Dit is eene onbillijkheid en een groot nadeel van de uitsluitende toepassing van finale vrijstellingen.

Wij gelooven echter niet, dat er iets te bedenken is, om met instandhouding van het beginsel der wet, deze zwarigheid uit den weg te ruimen. Nog grooter dan thans zal dus de verantwoordelijkheid der militieraden worden, daar van hunne naauwgezetheid en juist oordeel, de goede en billijke toepassing zal afhangen van deze vrijstelling, welke door den drang van tegenstrijdige voorschriften en beginselen zoodanig gesteld moest worden, dat er ruime speling in de uitlegging mogelijk is.

De hierboven sub c vermelde vrijstelling voor éénige zoons, is zoo wij meenen allezins te billijken.

Over eenige punten van het hier behandelde wetsontwerp, heeft de Heer Mock in eene onlangs verschenen brochure (noot 3) zijn oordeel medegedeeld, waarmede wij ons over het geheel zeer wel kunnen vereenigen. De bedenkingen van den S., tegen de sub d, e en f bedoelde vrijstellingen, komen ons echter van minder belang voor.

Wanneer men namelijk bedenkt, dat de minste vrijwillige militaire verbindtenis voor zes jaren is, dan is het allezins te billijken, om hem die reeds vóór zijn 20e jaar dergelijke verbindtenis heeft aangegaan, te beschouwen als daarmede aan zijnen militie-dienstpligt te hebben voldaan.

Wat de kadetten betreft, deze zijn zoodra zij 2 jaren op de militaire school geweest zijn, volgens het reglement dier inrigting, van af dat tijdstip verbonden om 10 jaren in dienst te blijven. Dit is eene verpligting, die de ouders dier jongelingen stilzwijgend op zich nemen voor hunne kinderen, daar zij beloven zich aan de bepalingen van het reglement te zullen houden. In hoe verre deze vreemdsoortige verbindtenis, waar de betrokken persoon zelf geheel buiten gelaten wordt, echter in regten van kracht zou zijn, staat te bezien en het ware welligt beter, om de jongelingen zelven, na 2 jaren verblijf op de akademie, eene dienstverbindtenis te laten teekenen.

Ook de kweekelingen voor de geneeskundige dienst worden na 2 jaren verblijf beschouwd als voor 10 jaren tot de dienst verbonden te zijn; doch zou men ook voor hen het in persoon aangaan en teekenen dier verbindtenis dienen vast te stellen, alsmede voor de adelborsten die tot zee officier opgeleid worden, voor wie niets van dien aard bestaat.

De opmerking van den Heer Mock, dat de sub g aangehaalde vrijstelling eene onmogelijkheid in zich bevat, in verband met de wettelijke voorschriften omtrent het begin van den diensttijd, is zeer juist.

Alleen tamboers worden op hun 14e jaar in dienst toegelaten, doch hun kunnen niet als dienst worden in rekening gebragt, de twee jaren die zij nog moeten dienen vóór het volbragte 16e levensjaar. In art. 48 van het O. wordt immers bepaald, dat geene broederdienst in aanmerking komt voor het voleindigen van het 16e levensjaar en zal dit dus ook wel voor eigen dienst van toepassing zijn. Een dienstpligtige voor de militie kan dus nimmer in den toestand verkeeren van reeds 5 jaren gediend te hebben, en dus kan deze geheele reden tot vrijstelling vervallen.

Ook geeft de heer Mock een bezwaar op van de finale vrijstelling wegens broederdienst, bedoeld in het eerste gedeelte van art. 47. Hij veronderstelt daarbij een geval, waarbij van 2 broeders, die elkander met het jaar opvolgen, de jongste finaal is vrijgesteld, omdat de oudste in dienst is. De oudste deserteert echter of wordt wegens wangedrag ontslagen, en nu heeft men geen verhaal meer op den vrijgestelden tweeden broeder! Het is waar, dit is een bezwaar, maar het is niet te vermijden wanneer men het aangenomen hoofdbeginsel van uitéénhouden der ligtingen niet wil aanranden. De heer M. stelt voor, om b. v. aan de militieraden eene ruimere toepassing toe te staan van voorloopige vrijstellingen. Wij bekennen echter, niet te begrijpen wat de geachte S. daarmede bedoelt. Eene tijdelijke vrijstelling zoo als vroeger kan hij niet wenschen, want na het jaar waarop een jongeling dienstpligtig is geworden, mag men hem niet meer voor de dienst aanwijzen. Welligt bedoelt de S. met dit woord voorloopige vrijstelling, de gunstige bepaling welke in art. 127 ten behoeve der geestelijken is vastgesteld? Maar dit kan niet tot zooveel personen worden uitgestrekt, daar zij, zoo als wij hiervoren op blz. 26 reeds opmerkten, moeten tellen in mindering van het jaarlijksch contingent. Wij gelooven dus niet, dat er iets gevonden zal kunnen worden om deze zwarigheid uit den weg te ruimen.

Verder geeft de S. der hierboven bedoelde brochure eenige wenken, omtrent de zamenstelling en werkzaamheden der militieraden, die niet van belang ontbloot zijn, en ten slotte eenige denkbeelden over de zee-militie, waarop wij later terugkomen.

Van vrijstelling voor hen die een huwelijk hebben aangegaan vóór dat zij dienstpligtig voor de militie worden, is in het wetsontwerp geen melding gemaakt en is zulks in overeenstemming met den geest der Grondwet. In de vroegere Grondwetten immers vinden wij steeds de bepaling, dat de militie zal zamengesteld zijn uit ongehuwde ingezetenen, die een zekeren leeftijd bereikt hebben, doch is dit woord ongehuwde in de Grondwet van 1848 weggelaten, waarschijnlijk om daardoor tegen te gaan, dat sommigen zich door een onberaden vroegtijdig huwelijk aan de dienstverpligting zouden onttrekken. In enkele gevallen, waarin b. v. door de indiensttreding van een vóór den militietijd gehuwde diens vrouw of kind tot armoede zou vervallen, bestaat trouwens volgens het O. nog altijd de mogelijkheid, om hem ingevolge het hierboven besproken art. 127, even als de studenten in de godgeleerdheid, telkens voor een jaar vrijstelling van de werkelijke dienst te verleenen, en hem aldus wel in te lijven, maar buiten oproeping te laten. In de 2e alinea van dat artikel lezen wij namelijk „gelijke vrijstelling kan ook in andere bijzondere gevallen door Ons aan de overige bij de militie ingelijfden worden toegekend ” en is deze bepaling zeer noodig, daar het onmogelijk is om bij de wet in alle zich voordoende exceptioneele toestanden te voorzien en er toch gevallen denkbaar zijn, waarin het met billijkheid noch menschlievendheid zoude strooken, om dan volgens de letter van de wet dienstpligtige, tot werkelijke dienst onder de wapens te noodzaken.

OVER DE VRIJWILLIGE DIENST EN HET VADERLIJK GEZAG.

Bij de thans bestaande wetten worden meer vereischten gesteld voor dengene, die als vrijwilliger voor de militie wil optreden, dan voor den loteling, en is dit door de vervaardigers van het Ontwerp teregt beschouwd in strijd te zijn met den geest der Grondwet, die bepaalt dat de militie zoo veel mogelijk uit vrijwilligers moet zijn zamengesteld. Om hierin te gemoet te komen zijn de vereischten voor den vrijwilliger verminderd, het minimum zijner lengte was als voor lotelingen op 1.56 el gesteld, en zullen zij wanneer zij nimmer gediend hebben tot hun 35e jaar, en wanneer zij gediend hebben, zelfs tot hun 40e jaar aangenomen kunnen worden. Thans is het een vereischte dat hij, die als vrijwilliger voor eene gemeente opkomt, aldaar ten minste gedurende de laatste 15 maanden gewoond moet hebben. Ook deze bepaling zal vervallen, doch in verband hiermede is de jongste leeftijd, waarop men als vrijwilliger voor de militie kan worden toegelaten, op 21 jaren gesteld, om, zoo als de Memorie van Toelichting zegt, te voorkomen, dat een voor de militie ingeschrevene zich elders dan in de gemeente, tot wier contingent hij moet behooren, als vrijwilliger voor de militie verbinde, waaruit verwarring en nadeel voor de betrokken gemeente zouden ontstaan.

Het valt echter niet te betwisten, dat hierdoor alle jongelingen beneden de 21 jaren belet worden als vrijwilliger voor de militie op te treden, hetgeen dus tegen den geest van art. 180 der Grondwet is. Wij zouden er dus vóór zijn, om dat tijdstip van aanneming voor de hierbedoelde vrijwilligers te laten zoo als het thans is, na volbrenging van het 18e jaar. Voor het belang van de militie zelve zijn deze bepalingen der vereischten voor den vrijwilliger, tot nu toe echter van geheel ondergeschikt belang te achten, daar wel is waar de benaming van vrijwilliger-militien bekend is, doch weinige menschen er zich op kunnen beroemen ooit een dier zeldzame wezens aanschouwd te hebben. Volgens het oorspronkelijke denkbeeld zou de militie in den regel uit vrijwilligers en slechts bij uitzondering uit lotelingen bestaan; in werkelijkheid is het omgekeerd. In de laatste 10 jaren deden zich slechts 50 of 60 vrijwilligers voor de militie op, en bij de ligting van 1859, van ongeveer 10,000 militiens, was er slechts één vrijwilliger! En toch mogen ,ingevolge art. 32 der wet van 1817, de gemeentebesturen jaarlijks, op de begrootingen hunner gemeente, een post in uitgave stellen, ten einde in de gelden tot het vinden van vrijwilligers benoodigd, te kunnen voorzien; terwijl het elke gemeente, ingevolge art. 30 dierzelfde wet, vrijstaat haar contingent geheel of gedeeltelijk in vrijwilligers te leveren.

Het is te verwonderen, dat van deze bevoegdheid zelden of nooit gebruik wordt gemaakt. Het zoude toch in menig dorp niet moeijelijk zijn, om voor het geringe contingent dat zulk eene gemeente moet leveren, eenige volwassen jongelingen te vinden, die tegen eene matige belooning uit de gemeentekas, den geringen militiedienstpligt zouden willen vervullen; te meer daar vele dier jongelingen toch de kans hebben, om bij loting daartoe gedwongen te worden.

Zoo wij ons niet bedriegen, dan is welligt een misverstand voor een gedeelte de oorzaak, dat zich niet meer vrijwilligers voor de militie opdoen, terwijl er toch enkele gemeenten zijn geweest, waarin jaarlijks eene som voor dit doel beschikbaar werd gehouden. Vele menschen namelijk verwarren de positie van den vrijwilliger voor de militie met die van vrijwilliger voor het staande leger, en toch zijn die twee toestanden geheel verschillend. De vrijwilliger-militien heeft in alle opzigten gelijke regten en gelijke verpligtingen met den loteling-militien, zoodat zijn diensttijd niet langer is, dat hij niet langer onder de wapens mag worden gehouden, en niet naar de koloniën mag worden gezonden; terwijl de vrijwilliger bij het leger zich voor zes jaren verbindt, om steeds onder de wapens te blijven, en te dienen in of buiten Europa, naar omstandigheden; alhoewel van dit laatste (de dienst in de koloniën), door de regering nimmer is gebruik gemaakt, dan alléén op verzoek van den vrijwilliger zelven.

De hoofdoorzaken evenwel, van het geringe resultaat dezer door de tegenwoordige wetten geoorloofde aanneming van vrijwilligers door de gemeenten, zullen wel gelegen zijn daarin, dat de gemeentebesturen zich de zaak niet genoegzaam aantrekken, en dat de ingezetenen over het algemeen bij het aangaan van dienstverbindtenissen de inmenging van het bestuur schuwen en in geldelijke transactiën liever in persoon handelen, gelijk wij later onder het hoofdstuk Plaatsvervanging nader zullen trachten toe te lichten.

Het verkrijgen van vrijwilligers voor de militie, zal dus wel steeds tot de pia vota blijven behooren, alhoewel bij het tegenwoordige ontwerp van wet in art. 17 de bepaling is bijbehouden, ”dat die vrijwilligers strekken in mindering van het aandeel in de ligting, te dragen door de gemeente, voor welke zij optreden.” Van de bevoegdheid der gemeentebesturen, om de kosten voor het vinden dier vrijwilligers op de begrooting te brengen, is echter in dit O. geen sprake, en te regt, daar deze bepaling, wanneer zij in eene gemeente niet geregeld, voor het geheele te leveren contingent, in toepassing wordt gebragt, alligt gelegenheid kan geven tot misbruiken en partijdigheid jegens enkele dienstpligtige personen, vooral in kleine gemeenten.

Wat de gewone vrijwilligers (voor de staande armee) betreft , waarover wij reeds daareven met een woord gewaagden, voor hen zijn weder andere vereischten vastgesteld dan voor de vrijwilligers der militie. Deze vereischten behooren echter niet in deze wet te huis en zijn er slechts in opgenomen, voor zoo verre militiens daarbij betrokken kunnen zijn.

Een voor de dienst ingelijfd militien, die vrijwillig dienst neemt bij de zeemagt of bij het leger hier te lande of in de koloniën, strekt altijd, ingevolge art. 12 van het O., in mindering van het aandeel in de ligting, te dragen door de gemeente voor welke hij is ingeschreven. Dit is eene bepaling in het belang der ingezetenen, die bij de tegenwoordige wet niet bestaat.

Voorts is in het wetsontwerp eene allergewigtigste bepaling voorgesteld, om de vrijwillige dienstneming voor het leger hier te lande en in Indië, en de optreding als vrijwilliger of plaatsvervanger voor de militie te bevorderen en wel in de artikels 12, 15 en 57, waarin wij lezen, dat een minderjarige tot eene dergelijke vrijwillige dienstverbindtenis de toestemming van vader of voogd niet behoeft.

Wij hebben reeds getracht in een artikel in den Mil. Spectator van 1861, no. 1, het nut van deze bepaling te betoogen, eene bepaling die in het Fransche wetboek bestaat en die eerst bij de herziening dier wetgeving voor hare toepassing in Nederland, in 1838, daaruit vervallen is. Wij zijn overtuigd dat velen het op dit punt niet met ons ééns zullen zijn en dat welligt een gedeelte der volksvertegenwoordiging er zich tegen zal verzetten; wij willen echter, doordrongen van het gewigt der zaak, haar nogmaals nader trachten toe te lichten.

De Nieuwe Rotterdamsche Courant van 12 Februarij jl. heeft in een uitmuntend gesteld hoofdartikel, gewezen op het naar hare meening afkeuringswaardige van die bepaling. De argumenten van Asser, Diephuis en andere regtsgeleerden van naam, worden daarin als zoovele vuurmonden van het zwaarste kaliber tegen onze bewering gerigt, en wij willen ons, als oningewijde in de regtswetenschap, niet op dit glibberig gebied wagen, ofschoon deze strijd voor een bekwaam regtsgeleerde niet hopeloos zou zijn. Wij zullen de zaak enkel uit een praktisch oogpunt beschouwen, en gelooven, dat er zeer gewigtige redenen van algemeen belang bestaan tot het toelaten dezer afwijking van de wet op de minderjarigheid.

Zoo als thans de bepalingen zijn, is de positie van den militien wel een der minst benijdenswaardige, die men zich kan bedenken: hij wordt veelal tegen zijn zin soldaat gemaakt; schrijft zijn vader hem daartoe niet bij tijds in, dan wordt niet de vader, maar hij zelf daarvoor het zwaarst gestraft (zie hierboven blz. 24); hij zelf moet de vermoeijenissen en nadeelen van het militaire leven dragen, en zal welligt later als zee-militien zelfs voor eenige jaren naar eene kolonie worden gezonden; voor dit alles keurt de wet hem oud en ontwikkeld genoeg! —Bevalt hem echter de militaire stand en wil hij de voordeelen er van genieten, door vrijwillig er in te blijven, dan wordt hij als een minderjarig kind beschouwd en zijn vader kan hem die dienstneming beletten! Die toestand moge wettelijk zijn, billijk vinden wij hem niet, vooral wanneer men in aanmerking neemt, welke doorgaans de beweegredenen zijn, waarom de militiens door hunne ouders van vrijwillige dienstneming weêrhouden worden. In de N. R. C. wordt gezegd, dat de jongeling vaak zijn geheele leven lang berouw over zoodanigen onbezonnen stap zal gevoelen, en dat het den vader alleen toekomt, om te bepalen, welken stand het meest met de belangen van het kind overeenkomt. Wij zouden daartegen kunnen inbrengen, dat een man van 20 à 23 jaar zeer goed kan beoordeelen, of de militaire stand hem bevalt al dan niet, vooral wanneer hij, zoo als in die gevallen meestal plaats heeft, er reeds een jaar of soms langer in heeft doorgebragt, en dat bij de keuze van stand door den vader, maar al te dikwijls, meer diens eigen belang dan dat van den zoon in het oog wordt gehouden. Een zoon van een handelaar of landbouwer of schipper, van .21 à 23 jaar oud, werkt immers even veel als een klerk of daglooner of knecht, en kost minder!

Doch van den anderen kant kan men hiertegen aanvoeren, dat er enkele gevallen zijn, waarbij de tegenwerking der ouders op edeler gronden berust. Dit argument voor de door ons gewenschte uitzonderingsbepaling is dus niet steekhoudend, wij erkennen het. Zoo ook heeft de N. R. C. te regt de meening der regering wederlegd, die in de Memorie van Toelichting het geoorloofde van de uitzondering, uit art. 185 der Grondwet tracht te bewijzen, omdat daar staat: „dat lotelingen bij de militie te land niet zonder hunne toestemming naar de koloniën mogen worden gezonden.” Met hunne toestemming kan het dus wel, zegt de regering. Maar heeft zij daarbij uit het oog verloren, dat, volgens het Burg. Wetboek, die toestemming van een minderjarige alleen dan geldig is, wanneer zij bekrachtigd wordt door vader of voogd, en dit behoefde in de Grondwet niet herhaald te worden.

Neen, de voornaamste en alles afdoende reden, die o. i. pleit voor de uitzondering in het Fransche regt en de wederinvoering daarvan bij ons, is dezelfde die Napoleon I daarvoor opgaf in de Senaatszitting, waarin die zaak behandeld werd en waaraan hij als voorzitter deelnam, zij is: „l'intérét public domine tous les autres intéréts.”

De N. R. C. haalt op dit stuk de bijna gelijkluidende stelling aan van Pothier en andere Fransche auteurs, ”dat het algemeen belang boven het bijzonder belang der ouders staat.” Na eenige bedenkingen hiertegen, waaruit alleen blijkt, dat volgens des schrijvers meening niet het belang der ouders, maar dat der kinderen gevaar loopen zou, omdat van de zwakheden en neigingen der minderjarigen gebruik zal worden gemaakt, om hen tot dien gevreesden stap van vrijwillige dienstneming te verleiden, zegt de N. R. C. verder: ”De militaire stand is bij ons geen bevoorregte, voor welken ieder regt en ieder belang moet wijken.”

Neen waarlijk, niemand die bij ons te lande zelf militair is, heeft zich ooit illusiën kunnen maken, dat hij tot een bevoorregten stand behoorde! maar dit wenschen wij ook niet; een land waar ieder regt en ieder belang voor het militair belang moet wijken is te beklagen; een regt geaard Nederlandsch militair heeft een afschuw van le règne du sabre. Het is dan ook niet ter voorziening in een ondergeschikt militair belang, of er b. v. bij een alreeds genoegzaam voltallig leger wat meer of wat minder vrijwilligers zullen zijn, dat wij de afwijking van de wet op de minderjarigheid zouden wenschen. Het geldt hier een overwegend algemeen belang: de veiligheid van den Staat, want het effectief aan vrijwilligers is allengs zoo ontrustend klein geworden, dat er vooral met de toenemende behoefte van aanvulling voor Oost-Indië, ten laatste naauwelijks genoeg zullen overblijven, om de onderofficiers- en korporaalsplaatsen te vervullen, zoodat wij, bij eventuëelen oorlog, om zoo te zeggen geene kern van geoefende soldaten zullen bezitten en nimmer een genoegzaam getal vrijwilligers beschikbaar hebben, om in geval van dringenden nood naar Indië te kunnen zenden; een toestand die zeker, door de menigte ontworpen en begonnen spoorwegen en andere groote publieke werken, er niet op verbeteren zal.

De oude stelregel Salus populi, Sumprema lex, is dus hier van volle toepassing en is het pligt om alle middelen te baat te nemen ter voorziening in dit gevaarlijke gebrek aan vrijwilligers, al moeten dan daardoor eenige ouders in hunne belangen tegengewerkt of in de uitoefening van hun ouderlijk gezag verkort worden. Is daarenboven de geheele militiedienstpligt niet een inbreuk op de vrije uitoefening van het ouderlijk gezag? waarom dan nog niet ééne schrede verder gegaan, waar het algemeen belang zulks vordert?

De N. R. C. erkent zelf „dat de vader den zoon moet toestaan zijn pligt voor de nationale militie te voldoen, omdat die opoffering wordt gevorderd voor het algemeen belang;” maar wanneer nu die zoon vrijwillig dien dienstpligt wil voldoen, dan mag de vader hem zulks beletten; is dan die vrijwillige dienst minder waard voor het algemeen belang dan de verpligte?

De Grondwet zegt, dat het dragen van de wapenen, tot verdediging van het vaderland, een der eerste pligten is van alle ingezetenen. Ieder weerbaar ingezeten, die de wapens draagt, handelt dus pligtmatig en geene andere wet moest in staat zijn hem de vrijwillige vervulling van dien grondwettelijken pligt te beletten.

Wij hebben wel eens hooren beweren, dat de door ons gewenschte verandering toch niet veel meer vrijwilligers voor het leger zou opleveren, doch wij vermeenen met zekerheid het tegendeel te kunnen volhouden. Het is waar, bij de thans bestaande bepalingen bekomt het leger zeer weinig vrijwilligers uit de militie, maar dit is juist eene reden om die belemmerende bepalingen weg te nemen, dewijl daardoor de grootste en rijkste bron, waaruit b. v. het Fransche leger de meeste vrijwilligers put, voor ons gesloten is.

Jaarlijks zijn er honderde militiens, die in den loop van hunnen eersten oefeningstijd of na afloop daarvan, zich geneigd betoonen om vrijwilliger te worden, doch wanneer zij daartoe de vergunning hunner ouders verzoeken, weigeren deze zulks doorgaans. Nu onlangs waren er bij één bataillon van het leger 16 militiens, die reeds een jaar gediend hadden en waarvan eenigen reeds korporaal waren, welke gaarne als vrijwilliger in dienst wilden blijven, doch aan allen werd zulks door de ouders belet! Daardoor verloor het leger dus 16 knappe, weerbare en geoefende mannen, die gaarne hadden willen blijven; terwijl daarenboven hierbij niet uit het oog moet verloren worden, dat in hunne plaats toch weder 16 andere lotelingen, welligt tegen hun zin, in dienst moeten worden gehouden, tot aanvulling van het incompleet aan vrijwilligers.

Juist bij ons, waar bij vele ouders nog zulk een kwalijk geplaatste weêrzin tegen de militaire dienst bestaat, zou dus de door ons bedoelde uitzonderingsbepaling, eenen grooten en weldadigen invloed uitoefenen op de aanvulling van het leger Ook is de bezorgdheid voor het lot van den vrijwillig in dienst getreden minderjarige waarlijk door niets te regtvaardigen, daar de Staat zelf in plaats van het vaderlijk gezag optreedt en zich met het toezigt over den minderjarige belast. Zijne behandeling in de militaire dienst behoeft dus verder geen angst aan den vader in te boezemen, te meer daar men in al de door het militair bestuur in den laatsten tijd genomen maatregelen, ten duidelijkste de strekking ontwaart, om het lot van den soldaat, zoowel hier als in Indië,te verbeteren; zonder nog te gewagen van het goede vooruitzigt, dat de militaire stand vaak voor den goed oppassenden jongeling opent.

Niets zou ons aangenamer zijn, dan dat wij door de bovenstaande regelen eenige onzer lezers hadden overtuigd van de juistheid onzer bewering, dat de beperking van het vaderlijk gezag op het punt der vrijwillige dienstneming, in ons vaderland niet alleen door het algemeen belang zou geregtvaardigd zijn, maar dat ook de particuliere belangen der inwoners daardoor in den regel niet of ten minste weinig verkort zouden worden.

Het is ons evenwel niet mogen gelukken, der redactie van de N. R. C. onze zienswijze op dit punt te doen deelen. In haar nummer van 2 Maart jl. beweert zij, dat zoo werkelijk het algemeen belang eene vermeerdering van het aantal vrijwilligers bij ons leger gebiedend vordert, het dan slechts de questie is om handgeld en soldij zoodanig te vermeerderen, dat een genoegzaam getal meerderjarigen zich daardoor genoopt voelen tot die vrijwillige dienst. Wij merken daar tegen aan, dat meerderjarigen in den regel gehuwd zijn en zich reeds een stand of beroep gekozen hebben, zoodat het ondenkbaar is de geldelijke voordeelen van de vrijwilligers zoodanig hoog op te voeren, dat zij daarvoor hun gezin en bedrijf zouden willen vaarwel zeggen. Neen, hoofdzakelijk uit de minderjarigen, zal het leger zijne vrijwilligers kunnen bekomen en wij vertrouwen, dat zoo onverhoopt de beperking van het vaderlijk gezag ten deze, in de Staten-Generaal tegenstand zal ondervinden, voor de vrijwillige dienstneming van de jongelingen bedoeld in artt.12, 15 en 57 van het O., voor zoo verre zij nog op geenerlei wijze door de verpligte krijgsdienst van hunne ouders of van hun beroep of bedrijf afgerukt zijn, men dan toch de uitzondering zal toestaan voor zoo verre het die militiens betreft, bedoeld in art. 12 van het O., welke toch voor de verpligte krijgsdienst ingelijfd zijnde, zich alsdan vrijwillig willen verbinden of ingevolge art. 62 als nummerverwisselaar voor een ander in dienst willen blijven. Zij althans, die reeds eenigen tijd in dienst zijn, kunnen met kennis van zaken oordeelen hoe de militaire stand hun bevalt, en kan hier geen questie zijn van misleiding of teleurstelling.

Welligt zou men, om de bepaling ”dat een minderjarige daartoe de toestemming van zijn vader of voogd niet behoeft,” minder stootend in den vorm te maken, in plaats daarvan kunnen stellen: “dat zoodra een militien voor de verpligte krijgsdienst is ingelijfd, hij daardoor, wat betreft het aangaan eener vrijwillige dienstverbindtenis, de regten van een meerderjarige verkrijgt.”

Wij willen al deze beschouwingen over de questie der meerderjarigheid besluiten met eene vraag, die, wel is waar, niet bij de militiewet te huis behoort, maar die evenwel met hetzelfde onderwerp in verband staat en der aandacht wel waardig is: Zou het namelijk niet wenschelijk zijn, dat een ieder die tot officier in 's lands dienst benoemd wordt, door die benoeming zelve beschouwd werd zijne meerderjarigheid verkregen te hebben? Wij weten niet wat er tegen kan zijn, maar wel weten wij, dat het eene zonderlinge tegenstrijdigheid te noemen is, dat de persoon die, als minderjarige, door de wet als niet genoegzaam verstandelijk ontwikkeld wordt beschouwd, tot de beoordeeling van hetgeen zijn eigen belang vordert, — de persoon die zelfs geene notariële akte mag passeren, geene verbindtenis hoe ook genaamd aangaan, zonder toestemming van vader of voogd — dat die persoon aan den anderen kant, op dien zelfden leeftijd lid van eenen krijgsraad zijnde, als regter oordeelen moet over zaken en handelingen, waarmede niet alleen de vrijheid, maar het leven van zijnen evenmensch gemoeid kunnen zijn.

Consequent zoude het wezen, òf de bevoegdheid tot het zitting nemen in eenen krijgsraad aan minderjarige officieren te ontzeggen, òf aan het verkrijgen van den officiersrang tevens de meerderjarigheidsverklaring te verbinden. Aan dit laatste zouden wij de voorkeur geven.

OVER DE PLAATSVERVANGING.

Zoo lang bij ons te lande de militie bestaat, is het geoorloofd geweest zich in die dienst door een ander te laten vervangen, en ook in het tegenwoordige wetsontwerp is dat denkbeeld weder opgenomen in art. 57, waar wij lezen: “Een loteling kan zijne dienst doen waarnemen door een plaatsvervanger.”

Veel is er vóór en tegen dit stelsel ingebragt, doch wanneer men de argumenten beiderzijds weegt, lijdt het o. i. geen twijfel of de balans helt geheel over ten gunste van het behoud der remplacering (noot 4). In alle staten van Europa, waar militie of conscriptie bestaat, is dan ook de plaatsvervanging toegestaan, behalve in Pruissen, maar dààr bestaan daarentegen wettelijke bepalingen, die, op veel minder regtvaardige wijze dan door remplacering, de gegoede standen in staat stellen, om zich, zoo al niet geheel dan toch gedeeltelijk, aan den dienstpligt te onttrekken.

In Frankrijk hebben, in 1848, eenige enthousiasten getracht de remplacering te doen vervallen, doch zelfs in dien tijd van republikeinsche opgewondenheid, werd het voorstel in de Assemblée Nationale met 663 tegen 1410 stemmen verworpen.

Voornamelijk in ons land zou de afschaffing der remplacering hoogst impopulair zijn, en zou men bij een dergelijk voorstel bij de Staten-Generaal te regt de hevigste tegenwerking ondervinden.

De regering heeft dus o. i. wijselijk het stelsel van remplacering behouden. Eene tweede questie van niet minder gewigtigen aard is echter: hoedanig die remplacering zal plaats hebben? Vroeger geschiedde zulks overal, zoo als thans nog bij ons, door aan een ieder de zorg over te laten om zelf een plaatsvervanger te zoeken en den geremplaceerde gedurende den geheelen diensttijd aansprakelijk te houden voor zijn remplacant, zoodat hij bij ontstentenis van dezen laatsten een nieuwen remplacant moet stellen of zelf in dienst optreden. Uithoofde van eenige onvermijdelijke nadeelen en bezwaren aan deze wijze van remplacering eigen, zijn reeds sedert jaren allerlei voorstellen gedaan en proeven genomen met andere stelsels, en ten gevolge daarvan is in sommige rijken het stelsel van afkoop aangenomen.

Dit stelsel, waarbij degeen die zich wenscht te doen remplaceren eene zekere som in 's lands kas stort en zich daardoor van de verpligte dienst vrijkoopt, terwijl het bestuur voor de aanwerving van remplaçanten zorgt, heeft theoretisch beredeneerd zeer vele voordeelen. Vooreerst vervallen daardoor de misbruiken, die soms plaats hebben bij het tegenwoordige stelsel, waarbij men zich in den regel moet voorzien van een remplaçant, door tusschenkomst der remplaçants-kantoren of bezorgers van plaatsvervangers. Voorts wordt de geremplaceerde ontheven van de tot nu toe opgelegde verantwoordelijkheid voor zijnen remplaçant, daar hij niet weet wie voor hem optreedt. Heeft hij dus eenmaal de bepaalde som betaald, dan wordt hij beschouwd daarmede aan zijn dienstpligt voldaan te hebben. De geremplaceerde en de remplaçant kennen elkander niet, en daardoor wordt niet alleen alle afpersing van de zijde van den laatsten voorkomen, maar wordt diens positie gereleveerd, daar hij niet meer ten gevolge eener geldelijke transactie met een particulier persoon in dienst treedt, maar even als elk vrijwilliger thans alleen eene dienstverbindtenis met de regering sluit.

Het valt daarentegen o. i. niet te ontkennen, dat de remplacering daardoor een geheel ander karakter krijgt, wanneer wij de bevoegdheid daartoe toetsen aan het beginsel van gelijkheid voor de wet van alle ingezetenen. Bij het thans gebruikelijke stelsel is de toestand aldus: de Staat heeft soldaten noodig voor de landsverdediging en legt daartoe, ingevolge de Grondwet, aan alle ingezetenen den militairen dienstpligt op; om dit echter zoo veel mogelijk te verligten en geene noodelooze stremming voor handel of landbouw te veroorzaken, wordt toegestaan, dat men die dienst door een ander laat waarnemen, hetzij dan dat zulks vrijwillig of om andere redenen geschiedt; een ieder blijft echter verantwoordelijk, dat hij zelf of een ander in zijne plaats den wettelijk opgelegden pligt vervult. Bij het stelsel van afkoop is wel is waar de eindtoestand van de dienstpligtigen dezelfde, doch het gronddenkbeeld van gelijkheid van allen voor de wet is geheel op zijde gezet of ten minste verwrongen; de Staat heeft een leger noodig en zegt daartoe: gij rijke, die welligt liever niet dient, betaal ons geld, dan zijt gij vrij, en gij arme, gij moet soldaat worden!

Talrijk zijn echter de voorstanders van het stelsel van afkoop, en een van de beste vertoogen er vóór, is te vinden in de reeds meermalen door ons aangehaalde brochure van Mr. A. Kruseman, over nationale militie en remplacering. Wij waren het nog niet lang geleden geheel met den schrijver eens, daar er bij eene oppervlakkige beoordeeling, tegenover de talrijke voordeelen van dat stelsel, geen enkel overwegend nadeel, noch voor het leger, noch voor de betrokken personen staat.

De regering heeft zulks echter anders ingezien; zij stelt in het wetsontwerp voor, het behouden van de tot nu toe bij ons gevolgde wijze van remplacering (met eenige aanmerkelijke verbeteringen) en zij keurt het stelsel van afkoop voor ons land, bepaaldelijk af. Dit heeft ons tot een nader onderzoek aangespoord, hoe dit stelsel elders werkt, en zijn wij daardoor tot de overtuiging gekomen, dat het hoe doelmatig en goed ook, in abstracto beschouwd, ten eenenmale ongeschikt is om bij ons toegepast te worden. Wij zullen met een woord trachten aan te toonen waarom.

In Frankrijk is bij eene wet van 26 April 1855, ingevolge den almagtigen wil des Keizers, het stelsel van vrijkoop (système d'exonération) ingevoerd (noot 5) en wel op de volgende wijze:

Er is een dotatiefonds gesticht in het belang van het leger. Dat fonds heeft de strekking, om nieuwe dienstneming te bevorderen van militairen, wier diensttijd verstrijkt (reëngagementen), om gepasporteerde militairen weder tot de dienst te doen terugkeeren (engagementen) en voor zoo verre daardoor de plaatsen niet zijn aan te vullen, van lotelingen die zich van de dienst hebben vrijgekocht, in die aanvulling door gewone plaatsvervangers, door tusschenkomst van het gouvernement, te voorzien. Het fonds wordt hoofdzakelijk zamengesteld uit de stortingen van hen, die zich door uitkoop van de verpligte dienst willen bevrijden, en uit vrijwillige giften. Het bedrag dier uitkoopsom wisselt af, naarmate het oorlogs- of vredestijd is, en wordt jaarlijks vastgesteld (in 1855 en 1856 bedroeg die som 2800 fr., over 1857, 1858 en 1859 slechts 2000 fr.)

Deze uitkoopsom wordt zoodanig geregeld, dat daaruit kan worden voorzien in de premie en in de verhooging van soldij en van pensioen van hen die zich reëngageren of engageren, alsmede in de kosten voor gewone plaatsvervangers, bij ontoereikendheid van vrijwillige dienstneming der militairen uit het leger zelve. De premieën of het handgeld voor hen die zich reëngageren of zich engageren, na vroeger in dienst te zijn geweest, en voor de plaatsvervangers, worden telken jare vastgesteld en blijven dus natuurlijk altijd beneden de afkoopsom, daar er zooveel andere kosten van moeten gedekt worden (die premie heeft van 1855 tot 1859 afgewisseld van 1500 tot 2300 fr.)

De bevoegdheid voor het stellen van plaatsvervangers door de lotelingen zelven, is afgeschaft en slechts toegelaten gebleven tusschen broeders, schoonbroeders en bloedverwanten tot den vierden graad.

Ziedaar in hoofdtrekken de bepalingen van de Fransche wet van 26 April 1855, die eerst in 1856 in werking zou treden. De lotelingen der klasse van 1854, die in 1855 worden opgeroepen, waren dus niet tot den afkoop geregtigd en hadden trouwens, voor zoo verre zij niet genegen waren om zelven te dienen, alreeds voor plaatsvervangers gezorgd, op de vroeger gebruikelijke wijze. De klasse van 1855, die in 1856 onder de wapens moest worden geroepen, is het eerste contingent waarop in 1856 het stelsel van afkoop toepasselijk werd gemaakt.

Intusschen begon men onmiddellijk na de uitvaardiging der wet, reeds in 1855, de reëngagementen en engagementen met hooge premie en soldijverhooging in werking te brengen, met den volgenden uitslag:

< name="punt6>

Het cijfer der vernieuwde dienstverbindtenissen (reëngagementen) en der engagementen van gepasporteerden bedroeg in 1855 (noot 6) 24.764.

Dit aanzienlijk getal vrijwilligers, die in de gelederen bleven of er weder in terugkwamen, was voor een gedeelte toe te schrijven aan den toen nog niet geëindigden oorlog, als wanneer er altijd meer lust tot dienstneming is, en aan de in verband daarmede hoog opgevoerde premie van 2300 fr. voor een engagement of reëngagement van 7 jaren. Het was eene groote aanwinst voor het Fransche leger, dat toen nog oorlog voerde in de Krim, maar groot als het getal schijnt, zou het toch nog niet voldoende zijn geweest, om te voorzien in de plaatsvervanging voor de lotelingen van 1854, die, zoo als wij hierboven opmerkten, reeds zelven voor remplaçanten gezorgd hadden. Wij zien dat ten duidelijkste in de resultaten der volgende jaren.

In 1856 werden op het contingent van 1855, van 140,000 man, ontheffingen van dienst (exonérations) verleend ten getale van 22,426; het getal der reëngagementen en engagementen, met premie, bedroeg 18,669; hetgeen dus over 1856 een te kort gaf van 3,757 man.

In 1857 hebben zich, van een contingent van 100,000 man der klasse van 1856, uitgekocht 15,757; het getal der reëngagementen en engagementen, als boven, bedroeg 8,816; en dus over 1857 een te kort van 6,941 man.

In 1858 waren er van het contingent van 100,000 man, der ligting van 1857, 17,973 uitkoopen tegen 10,026 vernieuwde en vrijwillige dienstnemingen voor 7 jaren; hetgeen weder een te kort van 7,947 man gaf.

Wij zien dus hieruit, dat de verhouding tusschen het getal afkoopen en dienstnemingen telken jare ongunstiger is geworden, en dat voor de jaren 1856, 1857 en 1858 het gezamenlijk getal der eersten dat der laatsten met 18,645 overtrof. Evenwel hebben wij in sommige Fransche geschriften en zelfs in onzen Militaire Spectator, de werking van het stelsel op grond dezer zelfde cijfers zien verdedigen, — il ne s'agit que de la manière de grouper les chiffres! Door hen, die de cijfers gunstig wilden uitleggen, werden steeds de hierboven vermelde 24,764 vrijwillige dienstnemingen van 1855 mede in de berekening begrepen, en de dienstnemingen over een tijdvak van 4 jaren overtroffen dus natuurlijk de afkoopen over 3 jaren; zoodat het deficit van 18,645 afkoopen, waarvoor geene vrijwilligers optreden, oogenschijnlijk gedekt was.

Groote moeite geeft zich de commissie van het dotatiefonds, die jaarlijks een rapport aan den Keizer moet indienen over de werking van het stelsel en den staat der kas, om de zich meer en meer duidelijk openbarende ongunstige werking te verbloemen. De cijfers die wij hier aanhalen, verkrijgen dus eene dubbele waarde, wanneer men in aanmerking neemt, dat zij allen overgenomen zijn uit het laatste dienaangaande gepubliceerde rapport, waarin de zaak zeker wel niet op zijn ongunstigst zal zijn voorgesteld. (noot 7) In de jaren 1856, 1857 en 1858 was een tijdelijk incompleet voor het Fransche leger van geen overwegend nadeel. Maar toen in 1859 de oorlog met Italië begon, heeft de minister van Oorlog, Vaillant, uit vrees dat het getal vrijwillige dienstnemingen wederom verre beneden de behoefte zou blijven, gebruik gemaakt van het subsidiair middel door de wet van 1855 aangewezen, namelijk het aannemen van gewone plaatsvervangers met hooge premie, door tusschenkomst van het gouvernement, ten einde daardoor het evenwigt te herstellen.

Het heeft echter niet mogen baten en het jaar 1859 levert een nog ongunstiger resultaat op dan de vorige jaren.

Van het contingent van 140,000 man van 1858, bedroeg het aantal in 1859 verleende ontheffingen door vrijkoop: 38,825; terwijl er dat jaar slechts 15,713 reëngagementen en engagementen plaats hadden, en 7,491 gewone remplaçanten werden aangenomen, hetgeen te zamen 23,204 nieuwe dienstverbindtenissen uitmaakt. In het jaar 1859 had men dus een te kort van 15,121 man.

Wanneer wij het bovenstaande resumeren, zien wij, dat gedurende de jaren 1856, 1857, 1858 en 1859 het getal der afkoopen, dat der vrijwillige dienstnemingen en remplaceringen, door tusschenkomst van het gouvernement, met 83,766 overtroffen heeft! zoodat zelfs, wanneer men, zoo als ook in de Fransche officiële verslagen ten onregte gedaan wordt, de 24,764 dienstnemingen van 1855 er bij rekent, men een deficit van 9,002 man behoudt! En dit zijn dus niet alleen 9,002 militiens-plaatsen, die onvervuld blijven, maar de geheele klasse van vrijwilligers verdwijnt langzamerhand bij het leger, of treedt in plaats van de plaatsvervangers, zoodat ook op die wijze vermindering plaats heeft, daar menig vrijwillig dienend militair zich anders toch zoude reëngageren.

De kas van het dotatiefonds is daarentegen in een zeer bloeijenden toestand; na afrekening der kosten voor verhoogde soldij, gedeeltelijk onbetaalde premiën en verhoogde pensioenen der thans dienende militairen van 1860 tot 1895, sloot zij op den 31en December 1859 met een batig saldo van 42,158,390 francs, of ruim 20 millioen gulden! Deze som, waarvan op de begrooting van oorlog geen rekenschap behoeft gegeven te worden, is dus door de burgerij te veel betaald, zonder dat het doel der instelling geheel bereikt wordt! De billijkheid vordert echter hier bij te voegen, dat deze som in handen der regering steeds besteed kan worden tot uitgaven in 't belang van het leger; terwijl vroeger, toen de compagnies de remplacement in Frankrijk ongestoord hun schandelijk spel dreven, nog veel aanzienlijker sommen, door de Fransche natie opgebragt, geheel zonder nut voor het algemeen bleven, en alleen de beurs vulden van eenige onwaardige speculanten. (noot 8)

Het is onbetwistbaar, dat door de oprigting der dotatiekas en het stelel van afkoop in Frankrijk een einde is gemaakt aan den verderfelijken invloed van de Compagníes de remplacement, die natuurlijk feitelijk vernietigd zijn. Dit is de schoone zijde der zaak, maar aan den anderen kant duiden de bovenstaande authentieke opgaven o. i. ten klaarste aan, dat het stelsel van afkoop veel geld, maar geen genoegzaam getal soldaten oplevert. Wij zien met de grootste belangstelling te gemoet, welke maatregelen de Fransche regering zal treffen, om in dit groote bezwaar te voorzien, zonder over te gaan tot het heffen van grootere jaarlijksche ligtingen, hetwelk een drukkende last voor de bevolking zoude zijn.

Niet alleen het voorbeeld van Frankrijk echter, is daar, om ons te waarschuwen tegen het onbezonnen aannemen van een stelsel, welks werking zoo onzeker is. Ook in België, hetwelk wat volksaard en militaire instellingen betreft, zoo veel overeenkomst met ons land heeft, is de proef er mede genomen, doch met een nog ongunstiger resultaat dan in Frankrijk.

Bij Koninklijk besluit van 3 September 1848, is in België, in verband met art. 10 der militiewet van 8 Mei 1847, het militair remplacement toegelaten door tusschenkomst van het gouvernement, dat bij voorkeur de remplaçanten verkiest uit de militiens der oudste ligtingen en uit de vrijwilligers, wier dienst op het punt staat van te expireren. De loteling, die zich door tusschenkomst‚ van het Departement van Oorlog wenscht te doen remplaceren, moet vooraf eene som van 1200—1800 francs (naar gelang der tijdsomstandigheden) storten. Indien het gouvernement geen genoegzaam aantal gereëngageerden of plaatsvervangers kan bekomen, om aan alle aanvragen ten deze te voldoen, worden de militiens, die niet hebben kunnen worden vervangen, onmiddellijk verwittigd, dat hunne aanvragen als niet gedaan worden beschouwd en wordt hun de gedeponeerde som terug gegeven.

Het is tevens veroorloofd, dat de militiens zich regtstreeks plaatsvervangers trachten te verschaffen uit de hierboven vermelde militairen die nog in werkelijke dienst zijn, terwijl ook de gewone plaatsvervanging, zoo als die bij ons plaats heeft, regtstreeks of door tusschenkomst van commissionairs, bijbehouden is.

Later is in België, op het voorbeeld van Frankrijk, in verband met de remplacering, van regeringswege eene dotatiekas gevormd, waaruit de premiën, verhoogde soldijen en ver hoogde pensioenen voor de gereëngageerden betaald zouden worden.

Wij zien dus dat in België het stelsel van afkoop, benevens de remplaceringen op gewone wijze, in gezamenlijke toepassing is gebragt, en was men wel verpligt aldus voorzigtig te werk te gaan, daar men, door de uitsluitende toepassing van het afkoopsysteem, bij eventueel te kort in de reëngagementen of remplacementen van regeringswege een te kort in het leger zou hebben verkregen, hetwelk door het jaarlijks vastgesteld en, even als bij ons, niet te overschrijden militiecontingent, onherstelbaar zou zijn geweest.

De gelijktijdige toepassing der twee verschillende stelsels, was redelijkerwijze gesproken het beste middel, om te zien aan welke soort van remplacering door de natie de voorkeur gegeven werd. Waren de nadeelen aan de gewone remplacering, door tusschenkomst van particulieren, zóó overwegend groot als sommigen beweren, welnu, dan zouden alle militiens die geremplaceerd wilden worden, zich voorzeker wel tot de regering hebben gewend. Maar neen, men heeft juist het tegendeel zien gebeuren.

Volgens eene verklaring van den Belgischen minister van Oorlog, kreeg men in 1850, 1851 en 1852 de volgende resultaten:

In 1850 waren er 1577 lotelingen die zich wilden doen remplaceren; slechts 119 hunner hebben zich daartoe aan het gouvernement gewend, de overigen gaven de voorkeur aan de particuliere remplacering. De lust om zich als remplaçant aan te bieden, door tusschenkomst van het gouvernement, was zóó gering, dat slechts aan 99 van de 119 verzoeken om een remplacant van regeringswege kon worden voldaan; de overige 20 moesten dus evenwel tot de gewone wijze hunne toevlugt nemen.

In 1851 werden er, op een getal van 1653 remplacementen, slechts 70 verzoeken om remplaçanten van regeringswege gedaan, en kon slechts aan 59 dezer gevolg worden gegeven !

In 1852 waren er van 1885 remplacementen, 122 verzoeken om een remplaçant aan het gouvernement gedaan en konde men slechts aan 42 dezer verzoeken voldoen!

Het schijnt dus, dat noch de geremplaceerden, noch de remplaçanten gesteld zijn op de inmenging der regering in deze zaak. Dezen tegenzin bij de geremplaceerden kan men zich nog verklaren, doordien de door het gouvernement bepaalde uitkoopsom altijd ruim genomen moet zijn,om 's lands kas voor schade te vrijwaren, en dus de militiens, vooral ten platten lande, zich veelal goedkooper van een remplaçant kunnen voorzien; ook is de verpligting van het in eens storten dier som, hetwelk echter hoogst noodzakelijk is, voor de meesten een bezwaar.

Vreemder echter klinkt het, en toch is het eene waarheid, dat ook de remplaçanten en zelfs zij die reeds eenmaal in dienst zijn, de inmenging van het gouvernement ten deze schijnen te schuwen. Niet alleen blijkt dit ten duidelijkste uit de bovenstaande opgaven, maar bij verschillende korpsen van het Belgische leger, waar zich weinig of geen militairen hadden aangeboden, om gebruik te maken van de groote voordeelen aan het remplacement door tusschenkomst van het Departement van Oorlog verbonden (bestaande in premie, soldijverhooging en een levenslang pensioen), zag men een groot getal militairen van diezelfde korpsen regtstreeks, onder privé-contract, als plaatsvervangers voor militiens optreden.

Aan beide zijden schijnt men dus in België liever de vrijheid van transactie op dit punt te behouden; ware het dat deze transactiën in den regel tusschen de betrokken personen zelven geschiedden, dan zouden wij zulks zeer natuurlijk vinden, omdat de te remplaceren militiens en de plaatsvervangers zelven betere en van weêrszijden meer met hunne omstandigheden of belangen overeenstemmende voorwaarden, met elkander zouden kunnen bedingen. Doorgaans echter geschiedt het stellen van een plaatsvervanger door tusschenkomst van een remplaçant-bezorger of commissionair, en het voorbeeld van België, waar én geremplaceerden én plaatsvervangers liever die tusschenkomst dan de bemiddeling van het gouvernement zoeken, doet ons vermoeden, dat de misbruiken en afzetterijen welke men aan die lieden ten laste legt, eenigzins overdreven en ten minste niet algemeen zijn. Ook in ons land, heeft men, alhoewel ten onregte, eenen afkeer van inmenging der regering bij dergelijke overeenkomsten. Wij hebben dit reeds hiervoren op blz. 34, bij de vrijwillige dienstneming voor de militie aangetoond, en men kan dit verder ten duidelijkste bespeuren, wanneer men nagaat hoe veel moeite en aanmaningen het der militaire autoriteiten kost, om te zorgen voor de naleving van de in het wederzijdsch belang van geremplaceerden en remplaçanten, in art. 98 der wet van 1817 voorkomende bepaling, „dat de bij indiensttreding van den plaatsvervanger nog onbetaalde termijnen van de remplaceringsom, successivelijk zullen moeten gestort worden in de kas van het korps, waarbij de plaatsvervanger ingedeeld is, om vervolgens aan dezen laatsten te worden uitbetaald.„ (In het nieuwe ontwerp van wet is dan ook deze bepaling, welke bijna nimmer gehandhaafd kon worden, weggelaten).

Het Belgische stelsel, waarbij nevens de bevoegdheid tot afkoop, ook de gewone remplacering wordt toegelaten, is dus o. i. als geheel onbruikbaar af te keuren.

De toepassing van het stelsel van afkoop en remplacering uitsluitend door tusschenkomst van het gouvernement, heeft in Frankrijk, tegenover de vele voordeelen, die, theoretisch beschouwd, daaraan verbonden zijn, het groote en alles afdoende nadeel aangetoond, waaraan men zich zou blootstellen; namelijk: de zekerheid, dat men langs dien weg geen genoegzaam aantal soldaten zou bekomen ter aanvulling van degenen, die zich door afkoop van de dienst ontheffen.

In Oostenrijk en in sommige Duitsche staten, waar ook het stelsel van afkoop in gebruik is, doch waar al de ingeschrevenen voor de militie van elk jaar voor de dienst beschikbaar zijn, voorziet de regering in dit tekort, zonder dat daarvoor eene wet noodig zij: door het oproepen van een grooter contingent, tot dat men uit degenen, die de middelen niet hebben om de uitkoopsom te betalen, het benoodigde getal manschappen bijeen heeft. Wij behoeven hier niets bij te voegen, tot toelichting van deze tyrannieke en onregtvaardige handelwijze, waarvan de last geheel drukt op de min gegoede klassen.

De uitvoering van den wensch, door velen geuit, dat men ook bij ons eene proefneming deed met het stelsel van uitkoop, zou ons gouvernement dus in het volgende dilemna brengen: ontoereikende aanvulling der gelederen van het leger, waardoor het éénige doel van het geheele militie-stelsel zou verloren gaan, — of voorziening hierin op Oostenrijksche wijze, hetgeen bij ons ondenkbaar is! Daarenboven wordt door sommigen te regt beweerd, dat dit stelsel de strekking heeft, den soldaat grijs in de dienst te doen worden en allen burgerzin bij het leger uit te dooven, hetgeen welligt, met de bedoelingen van den autocraat der Franschen strookt, doch in ons land minder gepast zou zijn. Wij juichen het dus ten hoogste toe, dat de regering in hare Memorie van Toelichting ten stelligste verklaart, de verantwoordelijkheid der invoering van dergelijk stelsel niet op zich te durven nemen, en daarentegen voorstelt, de plaatsvervanging, gelijk zij thans bij ons bestaat, te behouden, maar, ontdaan van al de bezwaren en belemmeringen, welke daaraan bij de tegenwoordige wetten zijn verbonden.

Het allezins prijzenswaardige gronddenkbeeld, dat den wetsontwerpers blijkbaar ten leiddraad heeft gestrekt, bij het voorstellen der hierna te vermelden wijzigingen in de thans bestaande bepalingen omtrent remplacering, is de wensch, om de ingezetenen te gemoet te komen en hun de vervulling der grondwettelijke verpligtingen ten aanzien van de militie, zoo min drukkend mogelijk te maken, in zoo verre als zulks met de belangen van de dienst en het algemeen staatsbelang maar eenigzins overeen te brengen is.

Een ieder blijft dus vrij om zich in de dienst te doen vervangen door wien hij wil; of zulks voor veel of weinig geld geschiedt, hiermede laat de regering zich niet in. Ieder kan dus trachten hetzij in persoon of door eenen commissionair de gunstigste voorwaarden te bedingen, terwijl bij het stelsel van afkoop, door het noodzakelijk hoog opvoeren der afkoopsom, het voor vele dienstpligtigen zeer bezwarend of onmogelijk wordt, zich voor de persoonlijke dienst te vrijwaren. Voor de rijke standen is dit bezwaar niet groot, daar het wel een paar honderd gulden méér waard is, om door betaling der afkoopsom in eens van de dienstverpligting en van de verantwoordelijkheid voor den remplacant ontslagen te zijn, doch zou deze moeijelijkheid hoofdzakelijk en onregtvaardiglijk drukken op den burgerstand, vooral in provinciën waar soms plaatsvervangers tegen minderen prijs te bekomen zijn.

Door de zorg voor het zoeken van eenen plaatsvervanger aan den betrokken loteling zelf over te laten, kan er dus nooit bij het oproepen van een contingent een te kort ontstaan, daar de loteling verpligt is zelf in dienst te treden, zoo hij geen remplaçant kan vinden; welk laatste geval zich echter zeer zelden zal voordoen, daar zijn eigen belang de sterkste spoorslag is, om geene pogingen daartoe onbeproefd te laten.

In art. 57 van het O. worden de vereischten voor den plaatsvervanger gelijk gesteld met die voor den vrijwilliger van de nationale militie. De lengte is dus verminderd en gelijk gesteld met die van den militien; de leeftijd gedurende welken men als plaatsvervanger kan optreden, is vervroegd en verlengd, en het vereischte, dat men gedurende de laatste 15 maanden moet hebben gewoond in dezelfde provincie van den geremplaceerde, is vervallen.

De bepaling, dat men ook gehuwd zijnde tot remplaçant kan worden toegelaten, is echter veranderd. Plaatsvervangers moeten even als vrijwilligers voor de militie ongehuwde personen zijn; de ondervinding heeft aangetoond, dat zulks niet alleen in het belang van de dienst, maar ook in het belang der gemeenten van het hoogste gewigt is. Het is waar, dat ingevolge art. 97 der wet van 1817, gehuwde plaatsvervangers alleen worden aangenomen, wanneer zij ten genoege van den militieraad kunnen bewijzen, dat in het onderhoud van hun gezin gedurende hunnen diensttijd behoorlijk zij voorzien; terwijl in datzelfde artikel verboden wordt, dat hunne vrouwen en kinderen hen volgen. Deze bepalingen zijn echter weinig doeltreffend, omdat ze bijna onmogelijk gehandhaafd kunnen worden. Voor den militieraad immers is het zeer moeijelijk te bepalen, hoeveel noodig is tot onderhoud van een gezin, en komen die achtergelaten familiën dan ook veelal ten laste van den openbaren onderstand. Wat verder betreft het verbod aan de vrouwen, om haren man, die plaatsvervanger is, naar zijn garnizoen te volgen, hier ontbreken de middelen geheel, om de overtreding van het gebod tegen te gaan. Deze gezinnen strekken dikwijls tot last der militaire autoriteiten bij de korpsen, en houden den plaatsvervanger van zijne geregelde pligtsbetrachting af. Alles pleit er dus voor, om zich voortaan uitsluitend tot het toelaten van ongehuwde plaatsvervangers te bepalen.

In het algemeen keuren wij alle maatregelen goed, die de strekking hebben, om de positie van den plaatsvervanger in alle opzigten gelijk te maken met die van de andere militairen. Gedurende eene reeks van jaren, waren zij de parias van het leger, en de naam van plaatsvervanger was als het ware eene vernedering. Het minder zedelijk gehalte van een groot deel hunner was echter o. i. juist toe te schrijven aan het vooroordeel, dat tegen deze klasse van militairen bestond. In de laatste jaren heeft het militair bestuur veel gedaan, om dit vooroordeel te doen ophouden en den plaatsvervanger te releveren, door hem in de voordeelen van den militairen stand gelijk met de andere vrijwilligers te doen deelen. Dit is niet alleen nuttig, dewijl daardoor een beter slag van menschen genegen zal worden, om als plaatsvervanger op te treden, maar ook regtvaardig en juist ingezien, dewijl het inderdaad ongerijmd is, om hem minder te achten dan dan vrijwilliger, omdat hij eene grootere som gelds bij zijne indiensttreding heeft genoten. Ook in Frankrijk en België heeft men dit begrepen, en mogen remplaçanten zelfs officier worden, wanneer zij overigens daarvoor in aanmerking zouden komen.

Na deze kleine uitweiding keeren wij terug tot de verbeteringen op het stuk van remplacering, verder in het wetsontwerp voorgeschreven, en zien wij al dadelijk, dat art. 58 van dat O. eene zeer billijke bepaling in het belang van den geremplaceerde bevat: “dat namelijk het stellen van een nieuwen plaatsvervanger of het zelf in dienst optreden niet gevorderd wordt, wanneer de plaatsvervanger wegens ziekte of gebreken door de dienst bekomen, ontslagen of gedurende zijnen diensttijd overleden is, of wel zich als vrijwilliger bij het krijgsvolk in 's Rijks overzeesche bezittingen heeft verbonden.” Deze laatste bepaling is ook vooral nuttig ter bevordering van de aanvulling van het Indische leger, daar menig remplaçant hiervan gebruik zal maken, terwijl hem zulks thans door zijn contract met den geremplaceerde verhinderd wordt. In alle andere gevallen, waardoor de remplaçant niet meer aan den dienstpligt kan voldoen, b. v. desertie, ontslag uit de dienst enz., blijft echter de geremplaceerde voor hem steeds verantwoordelijk gedurende den ganschen diensttijd, daar immers eene verdere afwijking van dit beginsel ten nadeele van anderen zoude werken. In verband hiermede is dan ook de thans bestaande bepaling, dat de geremplaceerde zich van alle verantwoordelijkheid kan bevrijden, door het storten eener som van ƒ 150, wanneer zijn remplaçant 18 maanden gediend heeft, in dit wetsontwerp niet overgenomen.

Verder is in het belang dergenen die zich wenschen te doen remplaceren, de bepaling van art. 98 der wet van 1817, volgens hetwelk eene som van ƒ 25 tot ƒ 75 moet worden gestort voor het regt om een plaatsvervanger te mogen stellen, uit het tegenwoordig wetsontwerp vervallen, en is volgens art. 69 van het O. de notariële akte van plaatsvervanging onderworpen aan een vast registratieregt van slechts ƒ 5.

Ook voor de nummerverwisseling is een groot bezwaar uit den weg geruimd, door de bepaling van art. 62 van het O., waarbij nummerverwisseling mag plaats hebben tusschen lotelingen van dezelfde provincie, terwijl zulks thans slechts geoorloofd is, wanneer zij tot dezelfde gemeente behooren; deze uitbreiding is vooral nuttig in het belang der lotelingen, doordien uit het in de wet voorheerschend beginsel van strenge afscheiding der ligtingen, van zelve de beperking voortvloeit, dat nummerverwisseling tusschen militiens van verschillende ligtingen niet meer kan plaats hebben.

Een zeer belangrijken waarborg voor de lotelingen, tegen misleiding of bedrog, vinden wij verder in artt. 176, 177 en 178 van het O., waarin bepaald wordt, dat een plaatsvervanger of nummerverwisselaar, die niet op den voorgeschreven tijd ter inlijving opkomt, voor Gedeputeerde Staten zal gebragt en naar bevind van zaken gestraft worden. Is zijn verzuim moedwillig begaan, dan wordt hij voor 5 jaren ingelijfd en al dien tijd onder de wapens gehouden.

Na de opsomming van al deze in het wetsontwerp voorgestelde wijzigingen, gelooven wij niet te veel te zeggen met de bewering, dat de plaatsvervanging daardoor eene groote verbetering zal ondergaan. Alvorens echter van dit gewigtige onderwerp af te stappen, willen wij nog met een woord melding maken van art. 72 van het O.: het eenige artikel waarin sprake is van de plaatsvervangers-kantoren en diergelijke, — de éénige zwakke zijde van ons remplaceringstelsel.

Reeds hierboven wezen wij op de verderfelijke werking der Compagnies de remplacement in Frankrijk, vóór de instelling van het afkoopsysteem. Die kompagniën waren op groote schaal georganiseerd en geene middelen worden gespaard om ze winstgevend te maken. Hare agenten gingen overal rond, om zoo goedkoop mogelijk de remplaçanten te krijgen, daarbij speculerende op de luiheid, onbezonnenheid of armoede der mindere klasse; terwijl men de aldus aangeworvenen later weder zoo duur mogelijk liet betalen door hen die plaatsvervangers verlangden. In het boven aangehaald artikel uit den Militaire Spectator van 1855, lezen wij, dat uit officiële opgaven blijkt, dat jaarlijks eene som van ongeveer 42 millioen francs door de familiën aan de remplacerings-kompagniën werden uitbetaald, waarvan er maar 18 millioen aan de plaatsvervangers zelven kwamen; al het overige werd eene prooi voor de deelhebbers en agenten dier kompagniën! Zoodanig was de toestand in Frankrijk, maar in België schijnt zich dit nadeel niet zoo sterk te hebben doen gevoelen, anders zou men daar ongetwijfeld met graagte van de sedert 1847 opengestelde gelegenheid tot plaatsvervanging door tusschenkomst van het gouvernement hebben gebruik gemaakt.

Ook bij ons hebben die grove misbruiken niet in die mate plaats, hetzij dan dat de ondernemingsgeest op dit punt zich gelukkigerwijze niet bijzonder ontwikkeld heeft, of wel dat in ons klein bestek die bedriegerijen en opligterijen niet zoo gemakkelijk ongestraft bedreven kunnen worden en daardoor minder voorkomen. Maar hoe dit zij, door wettelijke bepalingen is dit bezwaar o. i. niet uit den weg te ruimen, daar het gebruik maken van een zaakwaarnemer, om een plaatsvervanger te bezorgen, eene vrijwillige daad is, welke men aan niemand kan beletten. Alléén de invoering van den afkoop en de plaatsvervanging van regeringswege zouden er een einde aan kunnen maken, doch dit zou tevens de ondergang van ons militiestelsel en van ons leger zijn. Hieraan mag dus niet gedacht worden en moeten wij de remplaçant-bezorging door derden, beschouwen als een noodzakelijk kwaad aan een goed stelsel eigen.

Trouwens, wanneer er wezenlijk misbruik van vertrouwen of schending der verbindtenis van den remplaçant-bezorger jegens den vervangene of den plaatsvervanger plaats heeft, dan is immers de burgerlijke regter dáár om uitspraak te doen. De regering echter ignoreert elken tusschenpersoon en laat zich enkel in met den loteling of diens plaatsvervanger; ook bemoeit de regering zich niet met het bedrag en de al dan niet geregelde voldoening der remplaceringsom; de eenige inmenging des betreffende, thans bestaande, volgens art. 98 der wet van 1817, zal volgens het O. vervallen. Deze onthouding van het gouvernement moge al in enkele gevallen hard zijn voor de betrokken personen, zij spoort daarentegen een ieder aan, om met de meeste omzigtigheid te werk te gaan bij de keuze van eenen zaakwaarnemer en bij het aangaan eener remplacerings-verbindtenis.

De tusschenkomst der regering zou slechts aanleiding geven tot eindelooze moeijelijkheden en verwikkelingen; alleen heeft men gemeend, eene reeds sedert 1827 bestaande verbodsbepaling te moeten behouden en is die opgenomen in het zoo even genoemde art. 72 van het O., waar gezegd wordt: „Het is aan alle rijks-, provinciale- en gemeente-ambtenaren en aan alle krijgslieden verboden, deel te nemen aan eene onderneming, het bezorgen van plaatsvervangers of nummerverwisselaars ten doel hebbende.” Het kennelijke doel van dit verbod is, het voorkomen van eene onjuiste of partijdige toepassing der wet, daar waar welligt de belangen van die personen zelven in het spel mogten zijn. Wij gelooven echter, dat met deelneming, hier door den wetgever meer bepaaldelijk bedoeld wordt: werkdadige deelneming als bestuurder of op andere wijze in de uitvoering betrokken. Het kan immers de meening niet wezen, dat ambtenaren en krijgslieden, die in den regel onbemiddeld zijn, door dit artikel zouden verstoken worden van de bevoegdheid, om zich door tusschenkomst van eene dergelijke onderneming of fonds op de goedkoopste en zekerste wijze van een remplaçant voor hunne zonen te voorzien? Welligt ware het nuttig, deze bedoeling duidelijker in het wetsartikel te omschrijven.

OVER DE ZEE-MILITIE.

In het Xe Hoofdstuk van het tegenwoordige wetsontwerp wordt het gewigtige stuk der zee-militie behandeld, — eene instelling welke, ingevolge het voorschrift der Grondwet van 1848, in het leven kan worden geroepen.

Reeds in het wetsontwerp van 1857 kwam eene regeling dienaangaande voor, en werd daarin voorgesteld, om de zeemilitie zamen te stellen, vooreerst zooveel mogelijk uit vrijwilligers en verder uit ingeschrevenen voor de militie, die hun beroep van de zeevaart maken of andere verwante beroepen uitoefenen. Die inlijving zou dus plaats hebben naar eene willekeurig vastgestelde volgorde van beroepen, en dus niet alleen uitsluitend drukken op eene zekere klasse van ingezetenen en op enkele provinciën, maar uit den aard der zaak eene zeer ongelijkmatige toepassing erlangen. In het voorloopig verslag der Tweede Kamer over dat ontwerp werd dan ook dat denkbeeld bepaald verworpen.

Thans zegt de regering in art. 149 van het O., „de zeemilitie wordt bij voorkeur zamengesteld uit de lotelingen en de vrijwilligers voor de militie, die zich vrijwillig hebben aangemeld om bij de zee-militie te dienen. Is hun getal niet voldoende, dan wordt het ontbrekende aangevuld uit de overige lotelingen der ligting, die geacht worden de meeste geschiktheid voor de zeedienst te bezitten.”

Tegen deze wijze om het incompleet aan vrijwilligers voor de zee-militie aan te vullen, wordt door den Heer Mock, in zijne reeds hiervoren aangehaalde brochure, te velde getrokken en wij zijn het in de meeste opzigten met hem eens.

In het algemeen gelooven wij, dat het denkbeeld om eenig militien tegen zijn zin tot vertrek naar de overzeesche bezittingen te dwingen, bij ons te lande te regt zeer impopulair is. Verpligte dienst tot verdediging van het vaderland, is eene natuurlijke en algemeen als billijk en noodig erkende zaak. Het uitstrekken van dien dienstpligt tot behoud van koloniën in een ander werelddeel is daarentegen een dwangmaatregel, waarbij veler dierbaarste belangen zoodanig in de waagschaal zouden worden gesteld, dat het verwondering moet baren, dat het denkbeeld in de Grondwet van 1848 is aangegeven. De grondwetgevers zijn dan ook blijkbaar met huivering daartoe overgegaan, en is het voorschrift omtrent de vorming eener zee-militie dan ook niet peremptoir gesteld, doch facultatief gelaten. Wij lezen namelijk in art. 186: ”Een gedeelte der militie kan voor de dienst ter zee worden bestemd, op de wijze door de wet te bepalen.” Men behoeft dus geene zee-militie te vormen, wanneer daartegen overwegende bezwaren bestaan; maar is die eenmaal tot stand gebragt, dan moet zij ook voor de dienst in de koloniën gebruikt kunnen worden, daarin de derde zinsnede van hetzelfde grondwets-artikel voorgeschreven wordt, dat de bepaling voor lotelingen van de militie te land, die niet dan met hunne toestemming naar de overzeesche bezittingen mogen gezonden worden, niet op de zee-militie van toepassing is.

De regering heeft gemeend van de grondwettelijk toegestane bevoegdheid gebruik te moeten maken; zij stelt voor eene zee-militie, waarvan het jaarlijksch contingent 600 men zal zijn; met vier jaren diensttijd en met bepaling (in art. 152 van het O.), „dat deze zee-militie wordt bestemd tot bemanning van de verdedigingsvaartuigen voor de binnenlandsche dienst en langs de kusten.” Wel is waar wordt in het geheele O. verder niet gesproken, dat men hen ook tot de dienst in de overzeesche bezittingen kan bestemmen; — wel is waar zullen, wanneer 's lands belang het niet vordert, die militiens niet steeds in dienst worden gehouden, maar ook met verlof worden gezonden (noot 9), en ingevolge art. 156 van het O., zelfs vergunning tot uitoefening der buitenlandsche zeevaart kunnen bekomen; — doch, uit het verband der boven door ons aangehaalde Grondwetsartikelen, blijkt ten duidelijkste, dat men hen ook naar de koloniën kan zenden, en zullen de manschappen der zee-militie dus in vele gevallen eene oneindig zwaardere en drukkender dienst te verrigten hebben dan die der land-militie. Het is dus van het hoogste gewigt, om voor de aanwijzing der personen, welke dien zwaarderen pligt moeten vervullen, de meest afdoende waarborgen van billijkheid en gelijkmatige oplegging van dien last, bij de wet vast te stellen. De Heer M. heeft er bezwaar tegen, dat hierbij, volgens het O., alleen tot maatstaf zal worden genomen de geschiktheid van elken loteling voor de zeedienst, uithoofde van de groote rekbaarheid en de mogelijke veelzijdige uitlegging van dezen grondslag; te meer omdat niet eens is aangegeven, wie deze gewigtige uitspraak zal moeten doen. Wij zijn het met den S. eens; want wie daarmede dan ook belast wordt, hetzij een provinciale adjudant, of de kommandant eener militaire afdeeling, of de commissaris des Konings, of zelfs een militieraad, nooit zullen de betrokken personen met die uitspraak te vreden zijn en alligt partijdigheid veronderstellen.

De schijn zelfs van willekeur moet bij eene zaak als deze vermeden worden, en het is in allen gevalle niet te ontkennen, dat door verschil van inzigten, zelfs met de beste bedoelingen, de toepassing der wet daardoor in verschillende Provinciën zeer uiteenloopend zou geschieden.

Eene algemeene loting zou dan nog o. i. verkieslijker zijn. Voor dengene die door het lot wordt aangewezen voor de zee-militie, is het voorzeker in vele gevallen hoogst onaangenaam, om ook tot de dienst in de koloniën geroepen te kunnen worden, maar bij eene loting heeft iedereen ten minste gelijke kansen. Verreweg zouden wij echter de voorkeur geven, aan het ook door den heer MocK voorgestelde plan, om de zeemilitie uitsluitend zamen te stellen uit lotelingen, die zich vrijwillig voor die dienst zullen aanmelden, en komen ons de in verband daarmede, in zijne brochure voorgestelde gewijzigde artikelen van wet zeer aannemelijk voor. Op deze wijze geschiedt geene afwijking van den geest der Grondwet, die bepaalt dat de geheele militie zoo veel mogelijk uit vrijwilligers zal bestaan, en kan men zonder een aantal ingezetenen in hunne belangen te kwetsen, die zee-militie ook voor de dienst over zee bestemmen, daar ieder vrijwilliger vooraf de conditiën weet.

Men zal welligt zeggen, het is eene tegenstrijdigheid, dat wij hier het uitsluitend aannemen van vrijwilligers voor de zee-militie aanbevelen, terwijl wij op blz. 33 hiervoren aangetoond hebben, dat dit stelsel voor de land-militie tot heden toe zulke slechte resultaten heeft opgeleverd. Deze tegenstrijdigheid bestaat echter slechts in schijn, daar de vrijwilliger voor de land-militie en die voor de zee-militie, alhoewel in naam gelijk, inderdaad in geheel verschillenden toestand verkeeren, en in den regel uit eene geheel andere categorie van menschen zullen voortkomen. De eersten zijn namelijk jongelingen, die niet dienstpligtig zijn, terwijl de laatsten in den regel militiens zullen wezen, die toch door het lot voor de dienst bestemd zijn. Het is dus te verwachten, dat er bij elk jaarlijksch contingent een zeker aantal lotelingen zullen zijn, (uit de zeeplaatsen of die hun beroep van de zeevaart maken, en ingevolge het tegenwoordige wetsontwerp niet meer van de militiedienst vrijgesteld worden) die liever vrijwillig dienst bij de zee-militie zullen doen, waarbij zij toch in hun vak blijven, dan gedwongen dienst te doen bij het leger; vooral wanneer dit aangemoedigd wordt door eene ruime toepassing van art. 186 der Grondwet, waar wij in de 2e zinsnede lezen, ”dat voor de zee-militiens behalve andere door de wet toe te kennen voordeelen, een kortere diensttijd bepaald wordt.”

Die diensttijd nu, wordt bepaald op vier jaren en de andere bij het O. toegekende voordeelen zijn: de hoogere soldij, de vrijstelling van latere schutterlijke dienst in vredestijd en de vergunning om in den verloftijd de buitenlandsche zeevaart te mogen uitoefenen.

De regering vermeent dat deze voordeelen aanlokkelijk genoeg zijn, om, voor het geheele jaarlijksch contingent van 600 man, voor de zee-militie een voldoend aantal vrijwilligers te kunnen verkrijgen, zoodat zij toch waarschijnlijk nimmer tot de gedwongen aanwijzing van de lotelingen zou behoeven over te gaan. Wij gelooven dat die voordeelen nog wel wat vermeerderd dienden te worden, bij voorbeeld door het uitloven eener premie of gratificatie aan den zich vrijwillig voor die dienst opgevenden loteling; doch mogt de meening der regering de ware zijn, dan kan men des te geruster tot de zamenstelling uitsluitend met vrijwilligers overgaan.

Dit laatste is o. i. het eenige billijke middel, om, zonder ontevredenheid bij de ingezetenen op te wekken, langzamerhand de instelling der zee-militie tot stand te brengen, en zou men later, wanneer de bevolking er meer aan gewoon is geraakt, welligt meerdere uitbreiding er aan kunnen geven. Na eene proefneming waarbij alles vrijwillig geschiedt, zou men dan ook tevens gelegenheid hebben, om zich te vergewissen of werkelijk de militiens voor de zeedienst zoo nuttig zullen zijn als velen zich voorspiegelen. Het is niet onmogelijk dat dit zeer zal tegenvallen, daar het doen dienen der zee-militie op afzonderlijke schepen, zoo als in het O. wordt voorgesteld, en het onderwerpen dier militiens aan andere straffen als de gewone zeelieden, zaken zijn die moeijkelijk vol kunnen gehouden worden, en tot verwarring of nadeel voor de dienst aanleiding zullen geven.


Met het schrijven der bovenstaande regelen, was het veel meer onze bedoeling, een vlugtig overzigt te leveren van den aard en de zamenstelling van ons militie-stelsel, naar aanleiding van het tegenwoordig aanhangige wetsontwerp, dan wel om eene geregelde en volledige kritiek van het plan der regering te geven.

Daar waar bij de regeling eener zoo veel omvattende questie van algemeen belang, tevens zoo vele uitéénloopende en gewigtige particuliere belangen der ingezetenen moeten ontzien worden, is de taak van den wetgever uiterst moeijelijk, en dient dit bij de beschouwing niet uit het oog verloren te worden. Wij hebben getracht hulde te brengen aan de beginselen van regtvaardigheid, die in de voornaamste bepalingen van het ontwerp doorstralen en aan de beknoptheid en tevens volledigheid van dit doorwerkte stuk. Wij hebben het echter ook gewaagd, om met vrijmoedigheid onze bedenkingen tegen enkele voorstellen der regering mede te deelen. Zoo wij ons hier en daar bedrogen mogten hebben, dan dwaalden wij ter goeder trouw en niet uit zucht om af te keuren.

Sommige onderwerpen lieten wij met opzet buiten behandeling, als daar zijn: de bepalingen voor de loting en naloting, de vrijstellingen wegens broederdienst, de zamenstelling en werkzaamheden der militieraden, enz. — en zulks, omdat wij overtuigd zijn, dat alleen eene naauwkeurige kennis van de werking dier bepalingen, gegrond op eene (ons ontbrekende) veeljarige ondervinding, eenige waarde aan een oordeel daaromtrent zou kunnen geven.

Wij onderwerpen dit geschrift aan de welwillendheid van den lezer, als eene onvolmaakte schets van de hoofdbeginselen, welke bij eene militiewet van zelve op den voorgrond treden, in de hoop dat het sommigen tot eene toelichting moge strekken, bij het volgen van de ophanden zijnde beraadslagingen in de Staten-Generaal. Onze wensch is, dat het iets moge bijdragen, om de publieke aandacht levendig te houden op dit belangrijke onderwerp, en welligt meer bevoegde zaakkundigen tot het bekend maken hunner denkbeelden zal uitlokken, want du choc des opinions jaillit la vérité.

's Gravenhage, den 6en Maart 1861.

NOTEN:

Noot 1)

Zie Rüstow's Militärischer Wörterbuch, waarvan eene vertaling in het Nederlandsch, van den 1en luit. Landolt, het licht ziet te Leijden bij A.W. Sijthoff.
terug naar noot 1

Noot 2)

Uit authentieke opgaven blijkt, dat over een tijdvak van zes jaren (1854—1859), het getal der ingeschrevenen voor de militie, door elkander genomen jaarlijks bedroeg 32,138, waarvan 3,920 finaal vrijgestelden en 11,810 tijdelijk vrijgestelden per jaar. Deze laatsten verkregen hunne tijdelijke vrijstelling om de volgende redenen: 21 als zijnde gehuwd, 281 als kostwinners hunner familie, 124 als studenten in de godgeleerdheid, 390 als buitenlandsch zeevarenden, 5,628 als zijnde onder de maat, 662 als eenige zonen, 2,210 wegens broederdienst en 2,490 wegens tijdelijke gebreken of ziekte.
terug naar noot 2

Noot 3)

Aanteekeningen op het ontwerp van wet voor de militie, door Jhr. Mock, lid der provinciale staten, voorzitter van den militieraad in het 4e district van Zuid Holland. 's Hage, 1861.
terug naar noot 3

Noot 4)

De welsprekendste en meest overtuigende pleitrede vóór het behoud der bevoegdheid tot plaatsvervanging, is voorzeker die van Thiers, uitgesproken in de Assemblée nationale op den 21 October 1848. Zie ook hieromtrent de reeds boven aangehaalde brochure van Mr. A. Kruseman.
terug naar noot 4

Noot 5)

Loi de 26 Avril 1855 relative à la création de la dotation des armées de terre et de mer, au Rengagement, au Remplacement et aux pension: militaires, gevolgd door een Keizerlijk decreet van 9 Januarij 1856, houdende nadere regeling dier onderwerpen.
terug naar noot 5

Noot 6)

De engagementen van gepasporteerden geschieden steeds voor 7 jaren; de reëngagementen van militairen, wier diensttijd bijna verstreken is, voor 3, 4, 5, 6 of 7 jaren. Deze laatste zijn echter bij al de bovenstaande opgaven, even als in de officiële Fransche stukken, allen tot dienstverbindtenissen van 7 jaren herleid, om de vergelijking met de afkoopen, die ook allen voor den geheelen diensttijd van 7 jaren gelden, makkelijker te maken.
terug naar noot 6

Noot 7)

Rapport de la commission supérieure de la dotation de l'armée, à Sa Majesté l'Empereur, sur la situation générale de la dotation. Année 1859. Paris, Imprimerie impériale. Juin 1860.
terug naar noot 7

Noot 8)

Zie hieromtrent een belangrijk artikel van den kapt. L. Mulder, in den Militaire Spectator van 1855, blz. 485.
terug naar noot 8

Noot 9)

De Heer Mock vergist zich, weer hij op blz. 6 zijner brochure zegt, dat er in het wetsontwerp geen sprake is van verlof voor de zee-militie. Al de artikelen van het ontwerp waarin van militie gesproken wordt, zijn even goed van toepassing op de zee-militie als op de land-militie, met uitzondering alleen van die artikelen, welke in art. 148 daar buiten gesloten zijn. Onder deze artikelen nu, welke niet op de zee-militie van toepassing zijn, worden de artt. 120, 121 en 122 (betrekkelijk den diensttijd der militiens) en art. 130 (over het verlof) niet opgenoemd; zoodat de zee-militiens in gewone tijden even lang onder de wapens moeten zijn en gevolgelijk ook even lang met verlof blijven als de land-militiens.
terug naar noot 9



Deze pagina is voor het laatst gewijzigd op: 26 October 2024.