Nationale Militie - Wetten en Besluiten

Literatuur rondom de Nationale Militie

Onderstaand boek is te vinden op Google Books.

Schutblad Aantekeningen op het Ontwerp van Wet voor de Militie

Onder betuiging mijner ingenomenheid met het ontwerp van wet op de militie, benevens de daarbij behoorende memorie van toelichting, waarin op eene voortreffelijke wijze de regeling wordt voorgesteld van dit zoo belangrijk bestanddeel der verdediging van het vaderland , ter vervanging der wet van 1817 met hare bijvoegsels van 1818 en 1820; en voorts het levendigste belang er in stellende dat deze zoo gewigtige aangelegenheid eindelijk op eene, onzen tijd en onzer Grondwet waardige wijze, geregeld worde; neem ik echter de vrijheid, eenige aanteekeningen en bedenkingen hier en daar in den vorm van vragen, die zich bij de aandachtige overweging van dit onderwerp bij mij hebben opgedaan, in het midden te brengen en aan het oordeel van deskundigen te onderwerpen.

Sedert een twaalftal jaren als lid der Staten het voorzitterschap van eenen Militieraad in Zuid-Holland waargenomen hebbende, vermeen ik eenigermate op de hoogte te zijn, die zaak te kunnen beoordeelen. Ik zeg eenigermate, omdat bij het groote aantal van besluiten, circulaires en contra-circulaires en andere stukken op dit onderwerp betrekkelijk, er bijna een menschen leeftijd en eene speciale studie toe zoude behooren, om te kunnen verklaren, met de volledige en algeheele toepassing en uitlegging der wet in de verschillende Provinciën van het Rijk bekend te zijn.

Schultze met zijne uitgewerkte artikelen, besluiten en uitspraken, was zelfs in den laatsten tijd niet meer te gebruiken, zonder bijwerking en aanhaling van verscheidene wets-uitleggingen, ministeriële beslissingen, provinciale en andere stukken, waardoor sedert de uitgave van zijn werk, het onderwerp der militie zulk eene aanmerkelijke uitbreiding verkregen heeft.

In dit alles wordt in het Ontwerp van wet voor de militie op eene doorgaans uitnemende wijze voorzien.

Het uit elkander houden der ligtingen.

Het zoo veel mogelijk finaal goed- of afkeuren bij het eerste onderzoek der lotelingen.

Het doen wegvallen van het lange tijdvak, soms van negen jaren, gedurende hetwelk de loteling, die alsnog in het laatste jaar zijner dienstpligtigheid voor de dienst gedesigneerd werd, aan het presteren van dienst onderworpen was.

Het wegvallen van een tal van vrijstellingen, die, op verschillende gronden berustende, in de toepassing zoowel tot schromelijk misbruik ten gunste der bevoordeelden, als tot last en onbillijkheid jegens anderen aanleiding gaven.

Het wegvallen van onderscheidene nuttelooze appellen.

De berekening van het te leveren contingent voor de gemeenten, niet naarmate van de bekende bevolking, maar in de verhouding van het getal ingeschreven lotelingen.

De voorgestelde bepaling, dat tot het vrijwillig dienst nemen, de minderjarigen niet langer de vergunning van ouders of voogden behoeven te vertoonen.

Het vervroegde en verlengde tijdstip van ouderdom, vereischt en vergund tot het in dienst treden.

De nummerverwisseling uitgestrekt tot lotelingen eener geheele provincie.

Het niet meer aannemen van gehuwde plaatsvervangers.

Deze en meer andere bepalingen en beginselen aan dit Wetsontwerp tot grondslag gelegd en daarin uitgewerkt op eene wijze, dat daardoor niet alleen eene vereenvoudigde behandeling van zaken voor de Militieraden het gevolg zal zijn, maar die ook en vooral, eene merkbare verligting zal daarstellen voor de belanghebbenden in het voldoen aan den soms zoo zwaren pligt der landsverdediging, zijn de redenen waarom ik wensche, dat dit Wetsontwerp eene gunstige ontvangst bij de Staten-Generaal moge ontmoeten, en eerlang, behoudens eenige wijzigingen, eene plaats onder de hoofd-wetten van het Rijk zal erlangen.

Één gewigtig onderdeel is er echter in het Wetsontwerp, waarmede ik mij niet kan vereenigen, en dit is de regeling der zeemilitie, voorkomende in het Xde Hoofdstuk.

De wenschelijkheid der vermeerdering van de middelen ter lands verdediging, die reeds uit den aard der zaak in strijd is met de particuliere belangen en neigingen van velen dergenen, die geroepen worden om door het presteren van persoonlijke dienst er aan deel te nemen, ontmoet een onoverkomelijk bezwaar, zoodra in de toepassing der wet niet meer ten volle de gelijkheid van allen kan worden in acht genomen; ja wat meer is, wanneer de miskenning van dit hoofd-beginsel der Grondwet tot den grondslag van dit onderdeel der wet geleid heeft.

Men moge de beperking, die de Grondwet in het gebruik der militie, ook in onze Overzeesche bezittingen bevat, goed- of afkeuren, dit ligt geheel buiten de kwestie; bekend is het, dat het groote karakteristieke verschil tusschen de land-militie en die ter zee, daarin bestaat:

Dat de land-milicien niet zonder zijne toestemming naar de Overzeesche bezittingen kan worden gezonden.

Terwijl de Grondwet de bevoegdheid geeft, den zee-milicien zonder diens toestemming er wel heen te zenden.

In de Memorie van toelichting wordt nu wel is waar gewezen op de groote voordeelen aan de zee-militie verbonden, één jaar minder dienst, hoogere soldij, vrijstelling van den lateren schutterdienst; dit alles, gevoegd bij de bekende geneigdheid onzer kustbewoners voor de zee, doet de Regering de verwachting koesteren, dat het gewenschte getal van 600 man, in tijd van vrede, geheel uit vrijwillig zich aanbiedende lotelingen, zal kunnen gevonden worden. ”Mogt echter,” zoo spreekt het Wetsontwerp in de Memorie van toelichting, ”mogt echter onverhoopt het benoodigd getal niet geheel uit vrijwilligers kunnen worden gevonden , dan zal het ontbrekende worden aangevuld uit de overige lotelingen, die de meeste geschiktheid voor de zeedienst bezitten.”

Een loteling, die tot aanvulling van het welligt ontbrekende getal van vrijwilligers, zijns ondanks, zal gedesigneerd worden, om in een mogelijk geval, voor vier jaren naar de Overzeesche bezittingen te worden gevoerd, en aldaar dienst te doen, zal dus hierdoor verplaatst worden in eenen toestand, aanmerkelijk verschillende van dien der lotelingen der militie te lande.

Nu moge men beweeren, dat, voor gewone tijden, de dienst der zee-militie alleen op verdedigings-vaartuigen voor binnenlandsche dienst langs de kusten zal gebezigd worden, en wat dies meer zij; de Grondwet geeft niettemin de volkomen bevoegdheid, en de Regering moet er ter gelegener tijd van kunnen gebruik maken, de zee-militie ook naar de Overzeesche bezittingen te zenden. Daartoe is geene speciale wets-voordragt noodig; art. 186 der Grondwet zegt het uitdrukkelijk.

Een ander hoofd-verschil tusschen de beide toestanden der landen der zee-militie, is de regeling van de in hoofdstuk IX der wet voorkomende dienst en het verlof.

De land-militie wordt het geheele eerste jaar in dienst gehouden (art. 120), en vervolgens zes weken van elk der opvolgende jaren (art. 123) , behoudens de omstandigheden, waarin de Koning mogt goedvinden meer dan eene ligting onder de wapenen te houden. De tijd van dienst bedraagt dus in den gewonen regel anderhalf jaar, tegen drie en een half jaar verlof.

De zee-militie dient wel is waar slechts vier jaren, doch er is noch kon geen sprake zijn van verlof, en de natuurlijke reden daarvan is, dat men, in de onzekerheid verkeerende of men de zee-militie niet welligt buiten ’s lands zal noodig hebben, men aan de lotelingen bij de wet ook geen geregeld verlof kon toezeggen. Er wordt in art. 155 wel melding gemaakt van een groot verlof, dat denkelijk in gewone tijden aan de zee-miliciens zal toegestaan worden, en verder in art. 156 gesproken van buitenlandsche zeevaart, waaraan de miliciens, tijdens verlof, zullen kunnen deelnemen; doch aangezien er van wettelijke regeling van dat verlof hoegenaamd geen sprake is noch kon zijn, zoo hangt de vergunning geheel af van onzekere gegevens, of van omstandigheden, die buiten de dienst der kusten moeten gezocht worden.

Vijf jaren dienst in het vaderland, waarvan drie en een half jaar verlof, staan dus tegenover vier jaren zeedienst, zonder wettelijke bepaling van verlof, met de kans, dien tijd geheel of gedeeltelijk door te brengen in de Overzeesche bezittingen.

Die twee diensten tegenover elkander plaatsende, zal er wel geen verder betoog noodig zijn, om aan te wijzen, dat aan hem, die tegen zijn wil uit de eerste dienst in de tweede wordt overgebragt, eene aanmerkelijke verzwaring van pligt wordt opgelegd.

En hoe zal nu de aanvulling van dit ontbrekende getal vrijwilligers der zee-militie plaats hebben? Hieromtrent zegt noch het wetsontwerp, noch de memorie van toelichting een woord, als alleen dat het zal geschieden: “zonder aanzien van persoon, uit hen die de meeste geschiktheid voor de zeedienst zullen blijken te hebben.”

Deze vereischte geschiktheid zelve is eigenlijk een wapen te meer, waarvan in de uitvoering, bij de keuze van den een, of de uitsluiting van een ander, met eene willekeur kan gebruik gemaakt worden, die zeker niet ligt in de bedoeling der Regering, maar die uit den aard der zaak de grondslag van de geheele handelwijze uitmaakt.

Geschiktheid voor den dienst te lande en voor dien ter zee, staan in vele opzigten op eene en dezelfde lijn. Met een gespierd en gedrongen gestel, een paar goede oogen, armen en beenen, is de boerenjongen van de heide, die nimmer de zee gezien, maar die zich al ligt in zijne jeugd er op toegelegd heeft vogelnesten uit de boomen te halen, of op de kermis van zijn dorp prijzen in den mât de cocagne te winnen, even geschikt voor de zeedienst als de visschersjongen, die zijn leven op zee of aan het strand doorgebragt, of als de zoon van een schipper, die van der jeugd af aan als knecht op een trekschuit gevaren heeft.

Kon er op eenigerhande wijze eene percentsgewijze heffing, bijv. van de laagste nummers van de lotingslijsten plaats hebben, dan ware ten minste gelijke kans en gelijk regt voor allen gewaarborgd en de aanwijzing aan het lot overgelaten, maar ook dat kan niet, omdat behalve vermoedelijke ongeschiktheid van verscheidene aldus gedesigneerden, alle kleinere gemeenten noodzakelijkerwijze van dergelijke percentslevering zouden vrijkomen.

In vroegere wets-ontwerpen, die meest allen op het hoofdstuk zee-militie, bij het voorloopig onderzoek, schipbreuk hebben geleden, was, zoo ik meen, het plan, de aan zee gelegene provinciën, en voorts de beroepen die met het water in betrekking staan, meer speciaal aan het leveren der zee-militie te onderwerpen. Doch dergelijk servituut op sommige provinciën en bedrijven gelegd, vond tegenstand en werd met de gelijkheid van allen voor de wet in strijd geacht; zoodat de Regering er thans toe is overgegaan, voor te stellen, het ontbrekende gedeelte uit alle lotelingen, zonder onderscheid, mits geschikt, te nemen, hoezeer blijkbaar voor deze laatste, even als voor de vroegere handelwijze, dezelfde verkeerde grondslag is blijven bestaan.

Er blijft dus niets anders over, dan te veronderstellen, dat aan den majoor provincialen adjudant, denbevelhebber van de militaire afdeeling, of welligt aan den commissaris des Konings in de provincie, bijgestaan door eenen officier van gezondheid, de last zal verstrekt worden, om uit een vier of vijf honderdtal en meer lotelingen uit eene provincie, welligt een tien of twintigtal lotelingen voor de zeedienst te kiezen of uit te kippen, en dien last natuurlijkerwijze naar eigen goedvinden uit te voeren. Waarlijk, ik beklaag den ambtenaar, civiel of militair, die zich op dergelijke Napoleontische wijze van zijne taak zal hebben te kwijten. Zijn leed is niet te overzien. Elke gedesigneerde zal er gemakkelijk een veertig à vijftigtal kunnen aanwijzen, even geschikt als hij zelf, en vragen: “Waarom ik en niet mijn buurman.’’ Morren en klagen der ouders zal het zekere accompagnement uitmaken, al ligt geweldadig verzet het gevolg zijn, en men zal hoogst waarschijnlijk moeten eindigen met het zee-contingent onder gewapend geleide naar de plaats zijner bestemming te doen brengen, het onvermijdelijk gevolg eener handelwijze, die, enkel op willekeur steunende, het gevoel der natie voor regt, billijkheid en gelijkheid voor de wet, in hartstogtelijke beweging zal brengen.

Maar, zal men zeggen, de kiem voor de wet is in de Grondwet zelve gelegd, zal het dan onmogelijk zijn, aan dien zaadkorrel groeien ontwikkeling te geven, tot het welzijn van het Vaderland , dat bij alle welgezinden op den voorgrond behoort te staan?

Het komt mij voor, dat er slechts één middel bestaat zulks te beproeven, een middel dat zich als het ware van zelf aanwijst, namelijk: De zee-militie uitsluitend daar te stellen uit lotelingen die zich vrijwillig voor die dienst zullen aanmelden.

Zijn de voordeelen in het ontwerp gelegd, en in de memorie van toelichting aangehaald, werkelijk bestaande, worden de manschappen in de dienst goed behandeld, zal die dienst in den regel bestaan in bemanning van verdedigings-vaartuigen voor binnenlandsche dienst en langs de kusten, waarbij, ook zonder dat het in de wet uitgedrukt kan worden, aan lotelingen voor de zeedienst, even als aan die te land, regelmatige verloven worden toegestaan en waarin zij werkelijk gebruik kunnen maken van de vergunning tot uitoefening van buitenlandsche zeevaart; welnu, dan zal welligt in het eerste jaar of jaren de aanmelding der lotelingen als vrijwilligers voor de zeedienst gering zijn, maar dan zal die aanmelding, bij onze zoo talrijk bevolkte zee-Provinciën, van lieverlede opgang maken, zich uitbreiden, en welligt zal dan het tijdstip aanbreken, dat men zal moeten zeggen: “Wij hebben vrijwilligers genoeg, zelfs te veel, alleen de eerste zich aanmeldende op de lijsten zullen kunnen toegelaten worden, alle anderen blijven in de klasse der lotelingen voor de militie te lande,” en zoodoende zal het doel der wet bereikt kunnen worden, zonder het bezigen der geweldige middelen, die, werd het ontwerp tot wet verheven, het onvermijdelijk gevolg zijn zullen.

Dit is, dunkt mij, de eenige wijze waarop aan de Regering gelegenheid zal kunnen gegeven worden de instelling der zeemilitie in het leven te roepen, deze zich te doen ontwikkelen op eene wijze, die met de tevredenheid der landskinderen oveenkomt en die tevens gegrond is op het onwrikbaar beginsel van gelijkheid van allen voor de wet, ’twelk in het ontwerp van wet, zoo als het daar ligt, miskend of op zijde gesteld is.

In de veronderstelling dat mijn gevoelen op goede gronden berust, heb ik de vrijheid genomen de artikelen, rakende de zeemilitie, in dien geest te behandelen en te amenderen, en hoop ik dat zij in dien of diergelijken vorm zullen kunnen leiden tot het daarstellen eener wet op de militie, waarvan ook zee-militie een deel zal uitmaken.

Ik vermeet mij geenszins te beweren, in mijne aanteekeningen op de onderscheidene artikelen dezer wet, een volkomen en goed geheel geleverd te hebben. Veel zal ik welligt nog over het hoofd gezien hebben. Sommige grondslagen door mij als goed aangenomen, zullen welligt door anderen worden bestreden. Verscheidene vragen zullen welligt met een paar woorden op te helderen, aan andere aanmerkingen door een enkel woord te voldoen zijn. Doch hoe dit zij, uit den strijd der denkbeelden zal licht ontstaan, en zoodoende zal eerlang eene wet voor de militie, steunende op de in het begin aangehaalde beginselen, een deel kunnen uitmaken van het tal van belangrijke wetten, die het gevolg zijn geweest der Grondwet van 1848 en waarvan men zich met regt de schoonste vruchten voor het heil van het vaderland mag beloven.

En hiermede heb ik de eer dit stuk aan de welwillende beoordeeling te onderwerpen van allen, die in deze gewigtige aangelegenheid belang stellen en in het bijzonder van hen, die geroepen zijn haar in ’s lands vergaderzalen der Staten-Generaal te behandelen en tot stand te brengen.

's Gravenhage,

den 6 den Januarij 1861.

Jhr. MOCK,

Lid der Provinciale Staten,
Voorzitter van den Militieraad in het 4e distrikt van Zuid-Holland



AANTEEKENINGEN.

ONTWERP VAN WET VOOR DE NATIONALE MILITIE.

Artikel 3.

§ 2. Ter bepaling van dat aandeel (in het te leveren contingent) kunnen, zoo noodig, twee of meer gemeenten worden zamengevoegd.

Als reden van deze zamenvoeging van twee of meer gemeenten, wordt in de memorie van toelichting opgegeven, dat er b. v. in elke van drie naast elkander gelegen gemeenten, twee ingeschrevenen voor de militie kunnen zijn. Ingeval nu de ligting bepaald ware op één van elk drietal ingeschrevenen, zoo zoude geene dier gemeenten, bleven zij op zich zelve staan, een aandeel aan de ligting geven; met hun drieën vereenigd, te weten zes ingeschrevenen, zouden twee, gelijk billijk is, aan de ligting toevallen.

Het bovenstaande is volkomen juist, maar daar tegenover zoude kunnen aangevoerd worden: Veronderstel dat bij de loting de twee dienstpligtige nummers aan ééne en dezelfde van die drie gemeenten ten deel vallen, dan zal deze gemeente alles leveren, de beide overigen niets.

De vrijstelling van twee gemeenten zal blijven bestaan, de last geheel vallen op de schouders van de derde, door het lot zoo misdeeld.

Mogt men in dit laatste geval de allezins billijke bepaling maken, dat voor dusdanig vereenigde gemeenten, als in het voorbeeld zijn aangehaald , niet meer dan één loteling ter levering aan eene afzonderlijke gemeente zal worden opgelegd, dan zoude voor het leveren van den tweeden, tusschen de beide andere gemeenten, op de eene of andere wijze door het lot moeten worden beslist; welke tusschenloting echter welligt aan gewigtige bedenkingen zoude onderhevig zijn.

Hoe men dus omtrent deze voorgestelde vereeniging moge denken of besluiten, komt het niettemin wenschelijk voor, ze zoo zeldzaam mogelijk te doen plaats hebben.

De regering heeft het overigens in hare magt , door het aanbieden van wetsontwerpen tot vereeniging van twee of meer gemeenten tot ééne, deze voor het militiewerk zoo anormale regeling te vermijden.

Art. 4.

§ 2. Daarbij bindt het in de tweede zinsnede van art. 1 bepaald getal niet.

In § 2 van art. 1 wordt niet gesproken van een te verkrijgen getal lotelingen, maar van eene verhouding van één op elke driehonderd inwoners, waarvan een zeker getal het gevolg is.

Die verhouding wenscht men in buitengewone omstandigheden in te krimpen, b. v. van 1 op 250 of van 1 op 200, waardoor dan bij gevolg een grooter getal lotelingen zal verkregen worden.

Dit de bedoeling zijnde, zoude het mij verkieslijker voorkomen § 2 van art. 4 te doen luiden als volgt:

§ 2. Daarbij bindt de in de tweede zinsnede van art. 1 bepaalde verhouding niet. *)

*) Ten einde de voorgestelde veranderingen beter te doen uitkomen, is daarvoor in de aanteekeningen curcief schrift gebezigd.

Art. 7.

Een deel der ligting wordt voor den dienst ter zee bestemd.

Het wordt door ons bepaald en bedraagt, in tijd van vreede, niet meer dan zes honderd man.

Dit artikel staat in verband met de bedenkingen tegen de regeling der zee-militie in mijne algemeene beschouwingen dezer wet geopperd, en verder bij de behandeling der artikelen van Hoofdstuk X in toepassing gebragt.

Art. 33.

§ 1. De loting geschiedt ten overstaan van den Militie-Commissaris of van een der Militie-Commissarissen in de provincie, voor elke gemeente afzonderlijk.

In dit artikel wordt geene melding gemaakt van den secretaris van den militieraad, die er intusschen een bijna onmisbaar persoon bij is, zoo als aan een ieder bekend is, die met militiezaken heeft te doen gehad. Hoewel in de wet van 1817 niet van een secretaris gesproken wordt, is deze echter in de uitvoering tot nu toe steeds bij alle de lotingen tegenwoordig geweest.

Aangezien hij dus werkelijk altijd bij de lotingen fungeert, bestaat er geene reden hem niet te noemen; het overdragen van het invullen der registers als anderzins, door den militie-commissaris aan een ander, niet genoemd ambtenaar of adsistent, zoude anders al ligt tot aanmerkingen en bezwaren aanleiding kunnen geven.

Ik neem derhalve de vrijheid voor te stellen, om achter de woorden : militie-commissarissen in de provincie, te voegen, de woorden:

bijgestaan door den secretaris van den militieraad.


HOOFDSTUK IV.

§ 3.
Van vrijstelling van dienst.

Art. 44.

Bij de beschouwing van dit Hoofdstuk, komt natuurlijker wijze de vraag op, door wien, op welken tijd, worden de stukken tot vrijstelling van lotelingen moetende dienen, opgemaakt en ingezonden, met andere woorden, wat is bij het ontwerp van wet voor de militie in de plaats gesteld van de bepalingen, voorkomende in de artikelen 185 tot 191 der wet van 1817. ”Over de attesten en de verantwoordelijkheid omtrent de afgifte derzelve.

Het is waar, dat door het niet meer toestaan in het nieuw ontwerp van wet, van een aantal vrijstellingen, die bij de oude wet geldig waren, en wier opgave onder anderen te vinden is in de memorie van toelichting pag.12 en volgende, een overgroot aantal stukken zal komen te vervallen, wier inhoud en naauwkeurigheid door eene commissie uit het stedelijk bestuur moesten gewaarborgd worden.

Evenwel, er blijven toch nog stukken in te leveren, op wier echtheid het aankomt, en in de eerste plaats het attest, waarbij de toestand der huisgezinnen, met betrekking tot het getal zoons, geconstateerd wordt. Verder de bewijzen van gepresteerden of loopenden broeder en eigen dienst en meer andere.

Door wien zullen voortaan die stukken verzameld, nagezien en gewaarborgd aan den Militieraad ingezonden worden? aangaande dit alles hebben de stedelijke commissiën, bedoeld bij art. 185 der wet van 1817 zeer goed gewerkt, en zal het dus mijns inziens van belang zijn, dat de gaping die daaromtrent in dit ontwerp bestaat, door eenige bepaling of voorschrift aangevuld worde, in den geest der wet van 1817.

Art. 44.

§ l. Vrijstelling van dienst bij de Militie wordt verleend aan den loteling.

§ 2. Die kleiner is dan 1,56 el.

§ 3. Die door misvorming, ziekte of gebreken voor den krijgsdienst ongeschikt is.

§ 4. Die de eenige wettige zoon is.

§ 5. Die voor den 1 Januarij van het jaar waarin hij voor de militie werd ingeschreven, bij de zeemagt, bij het leger hier te lande of bij het krijgsvolk in ’s rijks Overzeesche Bezittingen in dienst is getreden en zich nog in dienst bevindt.

§ 6. Die adelborst of kadet is op eene van ’s rijks militaire scholen.

§ 7. Die van ’s rijks wege of in eene van ’s rijks inrigtingen, hetzij voor de militaire geneeskundige dienst, hetzij tot militaire paarden-arts wordt opgeleid.

§ 8. Die vijf jaren in eenen lageren rang dan die van officier bij de zeemagt, bij het leger hier te lande of bij het krijgsvolk in ’s rijks Overzeesche Bezittingen, als vrijwilliger gediend heeft.

Mij vereenigende met het voorop gestelde beginsel, dat een loteling, zoo veel doenlijk in het eerste jaar moet weten, welke beslissing ten aanzien zijner al dan niet, geschiktheid, voor den dienst genomen wordt, heb ik geene overwegende bezwaren tegen de vrijstellingen, die in § 2 en § 3 bedoeld zijn.

De maat één ned. duim minder dan thans gesteld, en deze op 20 jarigen ouderdom nog niet bereikt zijnde, zal zij, op enkele uitzonderingen na, wel nimmer door den loteling bereikt worden.

Insgelijks is op dien leeftijd met grond te beoordeelen of de loteling door zijn ligchaamsgestel, al dan niet voor de dienst geschikt is of worden zal.

De vrijstelling in § 4 is billijk.

Tegen die van §§ 5, 6 en 7 bestaan echter bij mij bedenkingen.

Alle daarin genoemden zullen, volgens deze wet, in het eerste jaar hunner dienstpligtigheid voor de militie, door den Militieraad op grond der in die §§ vermelde diensten finaal vrijgesteld moeten worden.

Maar veronderstel nu (en hoe ligt kan het gebeuren) dat een der aldus vrijgestelden, kort na die uitspraak, zijne carrière vaarwel zegt. Dan heeft hij volstrekt niet aan de eischen der wet tot het erlangen van vrijstelling wegens volbragten vijfjarigen eigen dienst voldaan, en is niettemin uithoofde der finale vrijstelling niet meer te bereiken.

Leidt het beginsel van absoluut uit elkander houden der ligtingen en dat van finaal alles in het eerste jaar te beslissen, hier niet tot ontduiking der wet, daar vijfjarige dienst is voorgeschreven , en de in §§ 5, 6 en 7 genoemden, lotelingen zijnde, aan die verpligting zouden hebben moeten voldoen?

Ten aanzien van § 8 moet ik doen opmerken, dat bij art. 48 wordt gezegd , dat geene broederdienst in aanmerking komt vóór het voleindigen van het 16de levensjaar, omdat, zegt de memorie van toelichting, de Staat, van soortgelijke dienst weinig of geen nut trekt, en zij eigenlijk alleen strekt tot opleiding van den toekomstigen soldaat of zeeman.

Deze waardeering toepassende op eigen dienst en veronderstellende b.v. dat een jongeling met zijn 15de jaar bij het leger in dienst is getreden, dan zoude men uit het bovenstaande moeten afleiden, dat ook voor hem geen dienst kan in rekening gebragt worden, die voor het volbragte 16de levensjaar gepresteerd is.

Een loteling die in zijn twintigste bij de militie dienstpligtig wordt, kan dus op dat tijdstip nog geene vijf jaren beneden den rang van officier gediend hebben, ten ware men hem zijn dienst voor het 16de jaar ook meê late rekenen.

Kan zoodanig loteling op grond van de aangehaalde § finale vrijstelling erlangen, of hoedanig moet de uitspraak van den Militieraad zijn?

Art. 41.

De vrijstelling (dus finaal) wegens broederdienst wordt verleend, wanneer de broeder ...... of alsnog in dienst is.

Deze bepaling vereischt eenige opheldering.

In een huishouden b. v. waarin twee zoons zijn die elkander met het jaar opvolgen, heeft de eerste een dienstpligtig nummer getrokken, is ingedeeld en dient.

De tweede komt het volgende jaar voor den Militieraad, met bewijs van zijns broeders dienst.

Moet deze nu op dien dienst finaal vrijgesteld worden? Zoo ja, dan veronderstelle men, dat korten tijd daarna de eerste, hetzij wegens ligchaamsgebreken, niet in of door den dienst verkregen, ontslagen worde, of dat hij deserteert, of wegens wangedrag van den militairen stand vervallen wordt verklaard. Hoe zal men dan verhaal hebben op den inmiddels finaal vrijgestelden tweeden, hebbende geen van beide broeders door hunnen dienst aan de wet voldaan?

Hoezeer ik mij dus, blijkens mijne algemeene beschouwingen, aan het ontwerp van wet voorafgegaan, wel heb kunnen vereenigen met het wegvallen der éénjarige vrijstellingen, over het algemeen, zoo kunnen er zich toch, blijkens deze aanteekeningen op de artt. 44 en 47, gevallen voordoen, waarin eene tijdelijke vrijstelling wenschelijk is; hetzij door het toestaan aan de Militieraden van eene ruimere toepassing van voorloopige vrijstellingen, of op zoodanige andere wijze, als de Regering, indien zij mijne aanmerking gegrond vindt, zal goedvinden voor te slaan.

Art. 54.

§ 1. Hij, die in een van de gevallen in het voorgaande artikel bedoeld, (losgekomen gevangenen) heeft verkeerd, verschijnt binnen acht dagen‚ nadat hij in vrijheid is gesteld, voor Burgemeester en Wethouders der Gemeente, voor welke hij heeft geloot.

§ 2. Burgemeester en Wethouders doen omtrent het al of niet aanwijzen van den loteling voor den dienst ten spoedigste eene uitspraak, en brengen die terstond ter kennis van den betrokken Militie-Commissaris en, in het laatste geval, ook van den loteling, die ten gevolge van de uitspraak zal worden opgeroepen of, reeds ingelijfd zijnde, niet uit den dienst wordt ontslagen‚ of van zijn vader of voogd.

De redactie van de 2de § komt mij eenigzints duister voor, hoofdzakelijk zoo ik geloof, daar het woord loteling in de 2de § op twee verschillende personen, schijnt toepasselijk te zijn.

Is namelijk de bedoeling, bij het niet aanwijzen , dus vrijstellen van den dienst van den vroeger gedetineerden loteling, zulks ter kennis te brengen van den loteling, die daardoor dienstpligtig wordt, dan zoude door eene kleine bijvoeging achter het woord loteling (in den 4den regel van den gedrukten tekst) de zin duidelijker kunnen gemaakt worden, bijv. door aldus te lezen:

Burgemeester en Wethouders doen omtrent het al of niet aanwijzen van den loteling voor de dienst, ten spoedigste eene uitspraak, en brengen die terstond ter kennis van den betrokken militie-commissaris, en in het laatste geval ook van dien loteling, wiens nommer door deze vrijstelling dienstpligtig is geworden, en die ten gevolge van bovengenoemde uitspraak zal worden opgeroepen, of reeds ingelijfd zijnde, niet uit de dienst worden ontslagen, of van zijn vader of voogd.

Art. 77.

De militieraad wordt bijgestaan door een burgerlijk geneeskundige en een officier van gezondheid.

Wordt onder de benaming geneeskundige ook een heelmeester of chirurgijn verstaan?

Is de bedoeling dat het facultatief is eenen doktor of chirurgijn te benoemen? Zoo niet, dan zoude het welligt niet ondoelmatig zijn te lezen:

De militieraad wordt bijgestaan door een burgerlijk genees- of heelkundige en een officier van gezondheid.

Worden onder het woord geneeskundige per se beide verstaan en staat de keuze van een van beiden aan den Militieraad vrij, dan is de verandering onnoodig.

Art. 78.

De burgerlijke geneeskundigen en de officieren van gezondheid leggen, eenmaal voor elke ligting, alvorens hunne werkzaamheden bij den Militieraad aan te vangen, in handen van den Voorzitter van den Raad een eed van belofte af, volgens een daartoe door ons te geven voorschrift.

Wat is de bedoeling der woorden voor elke ligting? Voor den ofiicier van gezondheid die permanent, althans gedurende de geheele ligting fungeren zal, is de zaak uitvoerbaar. Maar hoe voor de burgerlijke geneesheeren, die volgens de laatste zinsnede van art. 77 zooveel mogelijk dagelijks zullen moeten afgewisseld worden? De zaken van elke ligting of zitting zullen natuurlijkerwijze verscheidene dagen vereisclien, elke nieuwe voorkomende geneesheer zal denkelijk, even als thans gebruikelijk is, den eed voor den dag moeten afleggen, waarin hij geroepen is om te fungeren.

Het artikel zal dus dienen te luiden als volgt:

De officier van gezondheid legt eenmaal voor elke ligting, alvorens zijne werkzaamheden den Militieraad aan te vangen, in handen van den Voorzitter van dien raad, een eed van belofte af, volgens een daarvan door Ons te geven voorschrift.

De burgerlijke geneesheeren leggen dienzelfden eed af vóór het begin der werkzaamheden van elken dag, waartoe zij geroepen worden.

Art. 79.

De Voorzitter, de burgerlijke leden, en de Secretaris van den Militieraad en de in art. 77 bedoelde burgerlijke geneeskundigen, ontvangen voor elke vergadering, die zij bijwonen, een door Ons te bepalen presentiegeld.

Zij genieten voorts, zoo zij zich ter behandeling der zaken van den Militieraad buiten hunne woonplaats moeten begeven, reis- en verblijfkosten uit ‘s Rijke kas‚ volgens het door Ons te bepalen gedrag.

Er wordt in dit artikel gesproken van burgerlijke leden van den Militieraad; intusschen is er slechts één, even als één Voorzitter en één Secretaris. Zegt men dus de Voorzitter, dan zal men ook moeten laten volgen het burgerlijk lid, en niet de burgerlijke leden. Verkiest men het meervoud te gebruiken, dan zoude men ook dienen te zeggen de Voorzitters, de burgerlijke leden en de Secretarissen.

Aangezien echter sprake is van de zamenstelling van éénen militieraad, zoo komt het mij verkieselijker voor de enkelvoudige tijd te gebruiken.

Indien verder de Secretaris geene andere bezoldiging zal erlangen dan presentie-geld voor elke vergadering, die hij bijwoont, dan zal het voor dien ambtenaar, waarop het grootste gedeelte der werkzaamheden nederkomt, ongelukkig gesteld zijn.

Indien de zaak in deze provincie ten naastenbij zoo blijft, als zij thans is, met vier Militieraden, dan zullen de werkzaamheden denkelijk in de twee zittingen, te zamen gerekend in een 10 à 12tal vergaderingen kunnen afgedaan worden. Veronderstel nu dat zes of acht gulden presentie-geld voor den Secretaris zullen bepaald worden, dan zal het geheele traktement van dien ambtenaar ongeveer een honderd gulden bedragen, hoe zal men voor die geringe som geschikte personen vinden?

Voor den Secretaris, die tegenwoordig met 175 gulden ‘s jaars reeds zeer schraal bedeeld is, zal de nieuwe wet, waarbij zijne werkzaamheden niet aanmerkelijk zullen verminderen, dus hoogst noodlottig zijn.

Bij art. 33 is reeds door mij aangemerkt, dat de Secretaris ook onmisbaar bij de lotingen zal dienen tegenwoordig te zijn, en buitendien heeft hij nog volop werk door het in orde brengen en invullen der registers; er zal dus billijkerwijze eene afscheiding moeten plaats hebben, tusschen de toe te kennen presentie-gelden aan de leden van den Militieraad en de geneeskundigen en aan den Secretaris.

Dit artikel zal dus moeten luiden:

De Voorzitter, het burgerlijk lid van den Militieraad en de in art. 77 bedoelde burgerlijke geneeskundigen, ontvangen voor elke vergadering, die zij bijwonen, een door Ons te bepalen presentiegeld.

De jaarlijksche bezoldiging van den Secretaris voor alle zijne verrigtingen bij het werk der militie, wordt door Ons bepaald.

Zij genieten voorts, enz.

Art. 83.

De Militieraad houdt twee zittingen.

De eerste wordt geopend den tweeden Maandag in Maart‚ de andere den eersten Maandag in April.

De werkzaamheden, worden dagelijks gedurende ten minste zes uren, zoo lang personen te onderzoeken of zaken te behandelen zijn‚ voortgezet, uitgezonderd op Zon- en andere Christelijke feestdagen.

De bepaling van ten minste zes uren verpligt werk is‚ behalve het beleedigende dat voor de leden van den Militieraad in dergelijke travaux forcés gelegen is, ook buitendien geheel ondoelmatig en op de onderhavige zaak ontoepasselijk.

Men zal namelijk toch niet alle de lotelingen, onder eenen Militieraad sorterende, op den eersten dag der zitting bijeen laten komen, de Militieraad zes uren werken, en dan aan de niet toegelaten personen zeggen: “komt morgen terug,” en dat de volgende dagen herhalen. Behalve het geheel onvoegzame van dergelijke handelwijze, zou zij vooral in strijd zijn met den geest van het onderhavig wetsontwerp, waarbij men zelfs huiverig is geweest de lotelingen eenmaal in hun leven, soms onnoodig, voor den Militieraad te laten verschijnen. Men zal dus tot het oproepen van lotelingen, de verdeeling der gemeenten bij vooraf bepaalde dagen doen plaats hebben, in den geest zoo als thans naar grootte der gemeenten gebruikelijk is.

Nu zullen natuurlijkerwijze de zaken der op de bepaalde dagen opgeroepen lotelingen moeten afgedaan worden, ook al moest daartoe de Militieraad niet zes maar tien uren zitten. Dat spreekt van zelf, en aan geen lid van dien raad zoude het met de wet en het horologie in de hand, in het hoofd komen te zeggen: “de zes uren verpligt werk zijn afgeloopen, de overige belanghebbenden worden uitgenoodigd morgen terug te komen.”

Daartegenover staat echter, dat bij vlugge behandeling, de bepaalde werkzaamheden in misschien drie of vier uren zullen afloopen; wordt nu in de wet van een verpligt bijéénblijven van den Militieraad, gedurende zes uren, gesproken, dan zal, even als bij een stembureau, dat een zeker aantal uren moet geopend blijven, al komt er geen kiezer meer opdagen, en zelfs als alle kiezers er reeds geweest zijn, dan zal, zeg ik, het geval zich kunnen voordoen, dat de Militieraad zonder eenig werk en zonder vooruitzigt op werk, aangezien er niets voor dien dag meer opgeroepen is, welligt twee à drie uren met de handen over elkander moeten wachten, tot dat de bij de wet voorgeschreven zes uren zullen zijn afgeloopen.

De bepaling van zes uren werk is dus geheel nutteloos en overbodig en zal genoemde 3e § van dit artikel moeten luiden:

De werkzaamheden worden dagelijks, zoo lang opgeroepene personen te onderzoeken of zaken te behandelen zijn, voortgezet, uitgezonderd op Zon- en algemeene feestdagen.

Verder geef ik nog in overweging om, aangezien het Paaschfeest, b. v. in 1865 den 5den April en in 1866 den 1sten April invalt en dus de 2de zitting niet op Maandag den 6den en den 2den April kan geopend worden, uithoofde van den invallenden feestdag, achter de eerste alinea te voegen de woorden:

Bij invallenden christelijken feestdag heeft de opening der zitting den volgenden Dingsdag plaats.

Art. 84.

§ 2. Die tijd en plaats worden ten minsten drie dagen voor het openen van de zitting bovendien bekend gemaakt aan elken loteling, die bij de loting volgens art. 36 eens of meer redenen van vrijstelling heeft opgegeven.

§ 3. Dit geschiedt door Burgemeester en Wethouders, door middel van een aan zijne woning, of aan die van zijnen vader of voogd te bezorgen biljet.

§ 4. Het niet ontvangen van dit biljet ontheft niet van de verpligting tot het verschijnen voor den Militieraad of tot het indienen van de tot staving der redenen van vrijstelling gevorderde bewijsstukken.

Dat is, met andere woorden gezegd, alleen die lotelingen, die door middel van een biljet zijn opgeroepen, behoeven voor den Militieraad te verschijnen; maar ook zij die er geen bekomen hebben, zijn aansprakelijk voor de gevolgen, indien zij het niet doen.

Waaraan weet nu een loteling of hij al dan niet moet opkomen?

De Regering is, blijkens de memorie van toelichting op dit artikel, uitgegaan van het overigens zeer loffelíjke beginsel, aan lotelingen den onnoodigen last te besparen verscheidene uren ver te reizen, om zich zonder noodzakelijkheid aan den Militieraad te vertoonen. Zoo als dan ook reeds in art. 37 der wet van 1820 de verpligte opkomst alleen is beperkt geworden tot zoodanige lotelingen, die een regt tot vrijstelling meenen te kunnen doen gelden.

Die bepaling van 1820 was in der tijd gemaakt ter vervanging van de zes gulden boete, welke in de wet van 1817 was bedreigd tegen een ieder, die zonder wettige verhindering op den dag, waarin hij was opgeroepen, niet voor den Militieraad verscheen, en welke boete bij gebrek aan eenige reden, zelfs tot twintig gulden kon opgevoerd worden.

In weerwil van het in de plaats treden van art. 37 van de wet van 1820 is echter tot nu toe (in deze gemeente althans) aan alle lotelingen zonder onderscheid door de stedelijke regering een oproepings-biljet toegezonden geworden, en mijns inziens te regt. Allen moeten weten dat op den bepaalden dag, plaats en uur, hunne belangen voor den Militieraad behandeld zullen worden. De gemeentebesturen kunnen daarom onder de hand kennis geven aan hen, wier stukken in orde, of wier hooge nummers vrij zijn, dat zij niet behoeven op te komen, en zoo komen er dan ook van de buitengemeenten gewoonlijk alleen diegenen op, die eenige reden van vrijstelling hebben; alle anderen blijven t’huis of laten zich bij afwezigheid voor de dienst designeren, zoodat de talrijke opkomst nimmer eenige ongelegenheid of nutteloos tijdverlies heeft veroorzaakt; en buitendien, de Militieraad zit er voor, om de belanghebbenden te zien en te hooren.

In plaats dus van aan de lotelingen de deur voor het wegblijven open te stellen, ware het daarentegen mijns inziens wenschelijk, dat zoo veel mogelijk allen, zelfs ook zij, die geene vrijstellingen hebben in te brengen, uitgenoodigd werden, in persoon op te komen.

Hoe dikwijls worden niet, gedurende de zitting, misslagen ontdekt van besturen in de opgaven der zoons uit een huisgezin, renseignementen van de lotelingen zelve verlangd. Een loteling kan gebreken, eene ongeschiktheid voor den dienst hebben, die hij of verzwijgen wil of die hij zelf niet kent; hij kan meenen de maat niet, en ze werkelijk wel hebben en omgekeerd; worden deze laatsten bij afwezigheid voor de dienst gedesigneerd, dan kan zulks tot allerlei last en onaangenaamheid voor het bestuur voor hemzelven en anderen aanleiding geven; welk een en ander ten volle bekend is aan een ieder die met militiezaken heeft te doen gehad.

En wanneer men dan ten slotte in aanmerking neemt, dat, terwijl thans een loteling zich soms vijf achtereenvolgende jaren voor den Militieraad moet vertoonen, bij de nieuwe wet is voorgesteld alle zaken (op zeer enkele uitzonderingen na) in het eerste jaar der opkomst van de lotelingen finaal af te doen, dan is het waarlijk eene geringe moeite en tijdsbesparing hen van het verschijnen voor den Militieraad, éénmaal in hun leven met zooveel zorg en teederheid te willen ontheffen.

Ik kan mij derhalve niet vereenigen met de voorgestelde redactie van § 2 van art. 84 en stel voor achter het woord loteling te doen wegvallen de woorden: “die bij de loting volgens art. 36 eene of meer redenen van vrijstelling heeft opgegeven.

En deze § dus aldus te lezen.

De tijd en plaats worden ten minsten drie dagen voor het openen van de zitting, bovendien bekend gemaakt aan alle lotelingen zonder onderscheid.

Op die wijze zullen alle lotelingen zonder boete of bedreiging van straf verwittigd worden en het stedelijk bestuur de verantwoordelijkheid, van zich afwenden dezen of genen, wier opgegevene redenen van vrijstelling zij welligt over het hoofd gezien heeft, niet opgeroepen en daardoor later in ongelegenheid gebragt te hebben.

Art. 91.

§ 2. De Voorzitter en de leden onthouden zich van medestemmen over zaken, waarin personen, hun in bloed of aanverwantschap tot den 3den graad ingesloten bestaande, betrokken zijn.

§ 3. Tot het doen van uitspraak in zoodanige zaken worden hunne plaatsvervangers opgeroepen.

In welken zin zal dat artikel moeten verstaan worden?

Een neef b. v. van den Voorzitter of van een der beide andere leden komt voor den Militieraad met bewijzen van broederdienst of met ligchamelijke gebreken of zelfs om goed gekeurd, gedesigneerd, te worden, want ook voor dit laatste behoort eene uitspraak

Kan deze niet gedaan worden door den Militieraad en moeten daartoe de plaatsvervangers opgeroepen worden? Noch in de wet van 1817 noch in die van 1820 is, zoo verre mij bekend, diergelijke bepaling te vinden. Zij is in het tegenwoordig ontwerp van wet overgebragt geworden uit reglementen van de Staten-Generaal, de provincie, de gemeente en andere van den laatsten tijd, doch is in de zaken van militie geheel nutteloos, omslagtig en tijdroovend.

Geen Militieraad zal zich in tegenwoordigheid van den Militiecommissaris van secretaris, geneesheeren en andere ambtenaren en verder publiek, kunnen verstouten, ten gunste van een lid der familie van een harer leden, een hair breed van den weg der pligt af te wijken, en deed hij het, welnu, de Militie-commissaris en andere belanghebbenden zijn daar, om het geval aan hoogerhand bekend te maken en redres te erlangen. De voorgedragen bepaling in de §§ 2 en 3 van art. 91, zal, indien zij blijft bestaan, tot niets dan tot last en omslag zonder doel of nut hoegenaamd, aanleiding geven.

Art. 96.

Geene bezwaren kunnen worden ingediend tegen eene uitspraak, waarbij: Een loteling voor den dienst is aangewezen , zonder dat door hem eenige reden van vrijstelling, was ingebragt.

Reden van vrijstelling kan door den loteling bij de loting zijn opgegeven, de aanteekening daarvan verzuimd of bij een verkeerde naam gedaan zijn en dientengevolge het bestuur zich vergist hebben in het al of niet oproepen, waardoor het onwillekeurig schuld zal kunnen zijn aan onaangenaamheden, later daaruit ‘voor de belanghebbenden ontstaande.

Een reden te meer tot aandrang om een oproepings-biljet aan alle lotelingen zonder onderscheid toe te zenden.

Art. 98.

Gedeputeerde Staten onderzoeken de bij hen ingebragte bezwaren zonder uitstel en doen omtrent elke zaak afzonderlijk ten spoedigste eene uitspraak, met redenen omkleed. Hunne uitspraak wordt terstond medegedeeld aan den Burgemeester en Wethouders der gemeente, waartoe de loteling, wien de uitspraak geldt, behoort, en aan hem die de bezwaren inbrengt.

Hoezeer ook in de wet van 1817 geene melding is gemaakt van het hooren van den Militieraad‚ zoo is het evenwel van belang hiervan bij deze gelegenheid melding te maken. Even zoo ook daarvan‚ dat de uitspraak van Gedeputeerde Staten aan den Militieraad moet worden medegedeeld, gelijk een en ander thans werkelijk geschiedt. Zonde anders welligt niet eene Militieraad beweren kunnen, met zijne uitspraak in de zitting, van alle verdere bemoeijing of berigt geven, af te zijn?

Ik geef dus in overweging de eerste § van dit artikel aldus te lezen:

Gedeputeerde Staten onderzoeken de bij hen ingebragte bezwaren zonder uitstel en doen, na ingewonnen berigt van den betrokken Militieraad, omtrent elke zaak afzonderlijk en ten spoedigste eene uitspraak met redenen omkleed. Hunne uitspraak wordt terstond medegedeeld aan den Burgemeester en Wethouders der gemeente waartoe de loteling, wien de uitspraak geldt, behoort , aan hem die de bezwaren inbragt, alsmede aan den betrokken Militieraad.

Art. 114.

Wanneer een loteling binnen vier maanden na zijne aflevering blijkt voor den dienst ongeschikt te zijn, wordt zijne herkeuring bij Gedeputeerde Staten der provincie, voor welke hij geloot heeft, aangevraagd.

De inhoud van dit artikel levert een bewijs te meer op, van hoeveel belang het is, zoo veel mogelijk alle lotelingen aan den Militieraad te doen zien, zelfs diegenen, die geene ligchaamsgebreken meenende op te geven, zich aan het verschijnen voor den Militieraad hebben onttrokken.

Niets dan last voor hem en anderen, kan het gevolg zijn van de inschikkelijkheid, hen zoo veel mogelijk vrij te stellen van de moeite, zich ééns in hun leven voor den Militieraad te vertoonen.

Art. 115.

§ 2. Geschiedt die afkeuring vóór den 15den December van het jaar waarin hij is ingelijfd, dan wordt de houder van het aan de beurt liggend hooger nummer der ligting van dat jaar en van de gemeente, voor welker aandeel hij is opgetreden, of, was hij nummerverwisselaar, de loteling, voor wien hij in de dienst was opgetreden , onverwijld ter inlijving opgeroepen.

Doch hoe kan de afkeuring, bedoeld in het voorgaand artikel, uitgesteld zijn geworden tot den 15den December? Vóór het einde van de 4de maand, dus Augustus, moet de loteling blijken ongeschikt te zijn, en zijne herkeuring bij Gedeputeerde Staten aangevraagd worden.

Die herkeuring heeft binnen 14 dagen zonder appel plaats, het kan dus tot half of hoogstens het einde van September duren, dat eene finale beslissing ten zijnen opzigte genomen zij. Wat wordt dan onder de twee of drie bijgevoegde maanden bedoeld?

Wordt daaronder soms eene later ontdekte ongeschiktheid bedoeld, dan zoude welligt beter kunnen gezegd worden:

Geschiedt de afkeuring van eenen loteling in het algemeen, vóór den 15den December van het jaar waarin hij is ingelijfd, dan wordt de houder van het aan de beurt liggend hooger nummer, enz.

Zal overigens het volstrekt vereischt verschijnen van een loteling voor Gedeputeerde Staten der provincie waar hij geloot heeft, niet soms tot groote last voor belanghebbenden kunnen aanleiding geven, b. v. voor een loteling uit Zeeland, die zich in Groningen in zíekelijken toestand in garnizoen bevindt, en zouden er gewigtige bezwaren bestaan tegen eene bijvoeging, waarin vergunning worde verleend, dat in het aangehaalde geval, de herkeuring ook kunne geschieden voor Gedeputeerde Staten van de provincie, waar de loteling zich met zijn korps bevindt?

Art. 125.

Aan de bij de militie ingelijfden, die verlangen na volbragten oefeningstijd onder de wapenen te blijven of te komen, zonder vrijwilliger bij de zeemagt of bij het leger te worden, wordt zulks vergund.

De strekking van dit artikel is blijkens de memorie van toelichting, doelmatig.

Zoude echter, zonder te komen tot art. 171 der wet van 1817, toch niet eenige verbindtenis moeten of kunnen voorgeschreven worden, b. v. voor een jaar; zal het eenen dusdanig zich opgegeven hebbenden loteling elk oogenblik vrijstaan te zeggen: “Ik ga weg;” zal men hem zulks volgens dit artikel der wet kunnen beletten; zal, indien de gevallen van zich eerst aangeven en later weder terugtrekken, zich veelvuldig voordoen, zulks geene stoorende fluctuatie in den dienst kunnen te weeg brengen?

Art. 128.

De bij de militie ingelijfden worden niet tot het aangaan van een huwelijk toegelaten zonder schriftelijke toestemming van hunnen bevelhebber.

Die toestemming wordt in tijd van vrede, niet geweigerd aan hen, die hun voorlaatste dienstjaar hebben volbragt.

Wie wordt onder bevelhebber bedoeld, is het de Battaillons-, de Regiments-Chef, de Generaal kommanderende de militaire Afdeeling?

Zonde het niet beter zijn te lezen:

Zonder schriftelijke toestemming van onzen Minister van Oorlog.

Even als zulks voor de lotelingen der zeemilitie door den Minister van Marine geschiedt?

Zonde verder de 2e § niet gevoeglijk kunnen weggelaten worden.

Kan de toestemming niet geweigerd, dan moet zij verleend worden en treedt daardoor in de cathegorie van een regt.

Men kan toch immers stilzwijgend den thans in de praktijk gevolgden regel blijven behouden, namelijk het aangaan van een huwelijk aan de manschappen der laatste (overeenkomende met de in het vervolg voorlaatste) ligting, te vergunnen.

Art 145.

Elk bij de militie ingelijfde, ontvangt, vijf jaren na den dag zijner inlijving, een bewijs van ontslag uit den dienst.

Heeft hij echter in zijnen diensttijd gedurende zes maanden of langer gevangenisstraf ondergaan, dan ontvangt hij dat bewijs zoo veel later, als zijne gevangenhouding heeft geduurd.

Hoe moeten die zes maanden of langer gevangenisstraf gerekend worden en welken aard van straf. Wordt hieronder verstaan eene gewone gevangenisstraf van zes consecutieve maanden of worden de verschillende policie-, provoost- en andere straffen bij elkander opgeteld, zoo dat de slotsom meer dan zes maanden zal moeten bedragen, om in de termen van dit artikel te vallen?

De memorie van toelichting zwijgt omtrent deze vragen. Doch, het zij de zes maanden afzonderlijk, of consecutief gerekend worden, wanneer een milicien die één jaar, en later nog viermaal zes weken, dus te zamen, anderhalf jaar onder de wapens is, daarvan zes maanden in de gevangenis, hetzij provoost of andere doorbrengt, dan is het een onverbeterlijk sujet, waarvan het zaak is, zoo spoedig mogelijk ontslagen te worden.

Moet de maatregel dienen tot afschrik, dan zouden mijns inziens, in plaats van zes, gerust drie maanden, in dit artikel kunnen aangenomen worden.

DE ZEEMILITIE.

Art. 148.

De art. 118, 119, 123, 128,129, 135,137-143 en 145 dezer wet zijn niet van toepassing op de manschappen der militie, die bij de zeemilitie zijn ingelijfd.

Aangezien ik uitga van het beginsel dat de zeemilitie alleen zal zamengesteld zijn uit lotelingen die zich overeenkomstig art. 150 in het eerste jaar hunne dienstpligtigheid bij de militie als vrijwilligers voor de zeedienst aanmelden, zoo zal bij de uitgeslotene artikelen in dit artikel aangehaald, nog gevoegd dienen te worden art. 141 , aangezien de daarin genoemde ouderdom van 21 jaren, niet op de vrijwilligers voor de zeedienst toepasselijk is.

Art. 149.

De zeemilitie wordt bij voorkeur zamengesteld uit de lotelingen en de vrijwilligers voor de militie , die zich vrijwillig hebben aangemeld om bij de zeemilitie te dienen.

Is hun getal niet voldoende, dan wordt het ontbrekende aangevuld met de overige lotelingen der ligting, die geacht worden de meeste geschiktheid voor de zeedienst te bezitten.

Aangezien blijkens de algemeene beschouwingen aan deze aanteekeningen voorafgegaan, de zeemilitie mijns inziens niet dan met vrijwillig zich aanmeldende lotelingen der militie zal kunnen beproefd worden, zoo zal dit artikel aldus moeten luiden:

De zeemilitie wordt zamengesteld uit lotelingen der militie, die zich vrijwillig bebben aangemeld om bij de zeemilitie te dienen, en geschiktheid voor die dienst bezitten.

De 2e alinea zal moeten wegvallen.

Art. 152.

De zeemilitie wordt bestemd tot bemanning van de verdedigings-vaartuigen voor de binnenlandsche dienst en langs de kusten.

In het ontwerp van wet wordt er van Overzeesche bezittingen niet meer melding gemaakt alsof zij niet bestonden.

In plaats van ridderlijk de kling te vertoonen en te zeggen: “van dit wapen denken wij bij voorkomende gelegenheid gebruik te maken, verbergt men het als het ware achter den rug en zegt: Stoor u toch niet aan dat ding, dat is enkel een cieraadswapen waarvan men zich denkelijk nooit anders dan op de parade zal bedienen. ”

Was die bijzondere discretie nu al verklaarbaar in eene regeling waarin het desígneren van lotelingen tegen hunnen wil was opgenomen, zij dient te vervallen in een ontwerp, waarbij alleen vrijwillige dienst voorkomt. In diergelijke regeling is het volstrekt noodzakelijk met ronde woorden te vermelden welke diensten welligt van hen zullen kunnen gevorderd worden.

In de eerste plaats, ten einde een ieder vooraf wete waartoe zich vrijwillig verbindt en ten anderen, opdat de Koning de hand geheel vrij hebbe de zeemilitie, op de bekende voorwaarden in dienst getreden, te gebruiken op zoodanige wijze als het belang van het vaderland zulks zal vereischen.

Achter de eerste zinsnede van art. 152 zal dan nog gevoegd dienen te worden de navolgende:

In buitengewone omstandigheden of wanneer Wij het noodzakelijk oordeelen, zal de zeemilitie ook kunnen bestemd worden om dienst te doen in de Overzeesche bezittingen.

Art. 157.

De manschappen der zeemilitie worden, zoolang hun militiediensttijd duurt, alleen als vrijwilligers toegelaten bij de zeemagt.

In de art. 155 en 160 is gebruikt het woord vaste zeemagt. Tot meerdere duidelijkheid van dit artikel, zoude het welligt niet overbodi g zijn ook hier het woord vaste zeemagt te bezigen.

Art. 158.

§ 2. De toestemming (tot het aangaan van een huwelijk) wordt in tijd van vrede niet geweigerd aan hen, die hun voorlaatste dienstjaar hebben volbragt.

Omtrent § 2 van dit artikel dezelfde aanmerking als omtrent art. 128.

Bestaat er overigens ook eenige reden waarom de zee-milicien regt erlangt een jaar vroeger een huwelijk aan te gaan dan de milieien te lande. Beide met hun 20ste jaar in dienst getreden, en beide in hun voorlaatste dienstjaar kunnende trouwen , doch de land-milioien vijf, de zeeman vier jaar moetende dienen, zal de een eerst in zijn 23ste de andere in zijn 22ste jaar het regt erlangen een huwelijk aan te gaan.

Of moet welligt dit verschil als een der voordeelen‚ als een verleidelijk lokaas, aan het dienstnemen ter zee verbonden, aangemerkt worden?

Art. 159.

Elk bij de zeemilitie ingelijfde ontvangt vier jaren na den dag zijner inlijving een bewijs van ontslag uit de dienst.

Heeft hij echter in zijn diensttijd gedurende zes maanden of langer gevangenisstraf ondergaan , dan ontvangt hij dat bewijs zooveel later als zijn gevangenhouding heeft geduurd.

Ik neem de vrijheid in overweging te geven, om in verband met de voorgestelde bijvoeging aan art. 152 hier nog tusschen § 1 en § 2 ter vermijding van alle misverstand en tot geruststelling der belanghebbenden, bij te voegen de volgende alinea:

Er zal zorg gedragen worden, dat de lotelingen der zeemilitie, die ten gevolge van art. 152 dezer wet mogten dienst doen in de Overzeesche bezittingen, op het tijdstip van het einde van hunnen vierjarigen dienst, in het vaderland zullen teruggekeerd om aldaar hun bewijs van ontslag te erlangen.

De aanmerking gemaakt op de overeenkomende bepaling voor de militie te land, en vervat in § 2 van dit artikel, is niet zoo geheel toepasselijk op de zeemilitie, eensdeels omdat zij in zoo verschillende omstandigheden kan verkeeren, en ten anderen omdat men toch in alle gevallen zal dienen te zorgen, dat de zeemilioien tegen het eindigen van zijn diensttijd in het vaderland terug zij.

Evenwel schijnt mij toe, dat er geene overwegende reden bestaat, waarom ook in dit artikel niet drie in plaats van zes maanden zoude kunnen aangenomen worden als een prikkel tot goed gedrag.

Art. 179.

Hij die door het overleggen van een valsch of vervalscht attest of bewijsstuk eene vrijstelling van de dienst heeft verkregen , wordt na voorafgaande toepassing van het Wetboek van Strafregt, en is hem die straf opgelegd, na die te hebben ondergaan, voor Gedeputeerde Staten der provincie, binnen welke hij is ingeschreven, gebragt.

§ 3. Is hij voor den dienst geschikt en bevonden, dan wordt bij, welke ook zijn leeftijd zij, voor vijf jaren ingelijfd en gedurende de twee eerste jaren onder de wapenen gehouden.

Iemand die een attest vervalscht of van zoodanig stuk kennelijk gebruik heeft gemaakt, verdient veel meer nog dan een milicien die niet aan de oproeping heeft beantwoord, gedurende de volle vijf jaren onder de wapenen gehouden te worden (zie art. 173 en 174).

Er zijn dus mijns inziens alle termen voor gemelde § 3 van art. 179 aldus te lezen:

Is hij voor den dienst geschikt bevonden, dan wordt hij, welke ook zijn leeftijd zij, voor vijf jaren ingelijfd en gedurende dien geheelen tijd onder de wapenen gehouden.



Hiermede sluit ik mijne aanteekeningen, die ik, hoe onvolkomen zij welligt zijn mogen, bekend heb gemaakt, omdat zij er toe konden bijdragen, de gewenschte wet op de militie, zoo volledig en duidelijk mogelijk te maken en haar alzoo te vrijwaren voor de gebreken die in de wet van 1817 met hare aanhangselen aanwezig, hoofdoorzaak zijn geweest, dat die wet, welke steeds de toetsteen en rigtbaak had behooren te zijn, al spoedig na hare uitvaardiging en sedert in een tijdvak van veertig jaren, door Koninklijke besluiten, ministerieële uitleggingen en een tal van andere stukken van ondergeschikten aard is moeten verduidelijkt en aangevuld worden.



Deze pagina is voor het laatst gewijzigd op: 26 October 2024.