Reglement op visiteren van manschappen van 30 november 1817

Op 30 november 1817 is een nieuw reglement op het visiteren van manschappen of zij al of niet geschikt zijn voor de militaire dienst door koning Willem getekend. Dit naar aanleiding van de wet op de Nationale Militie van 8 januari dat jaar. Het besluit van 22 maart 1816 is daarbij ingetrokken en het onderstaande besluit is hiervoor ter vervanging.



BESLUIT, houdende invoering van een
nieuw reglement op het visiteren van
manschappen, of zij al of niet tot den
militairen dienst geschikt zijn
.

Van den 30sten November 1817.

WIJ WILLEM, BIJ DE GRATIE GODS, KONING DER NEDERLANDEN, PRINS VAN ORANJE-NASSAU, GROOT-HERTOG VAN LUXEMBURG, ENZ., ENZ., ENZ.

Gezien de voordragt van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken en van Onzen Commissaris-Generaal van Oorlog, van den 29sten November 1817, n°. 3, M, 445;

Gelet op artikel 123 van de wet op de Nationale Militie, van den 8sten Januarij laatstleden (*);

Hebben goedgevonden en verstaan, met intrekking van het bij Ons besluit van den 22sten Maart 1816, n°. 9, gearresteerd reglement op de visitatie der manschappen voor Onze armee (+), te arresteren, gelijk wij arresteren bij deze, het aan dit besluit geannexeerd reglement op het visiteren der manschappen door de genees- en heelmeesters bij de Militieraden, en door de officieren van gezondheid bij Onze armee.

Autoriserende enz.

Afschrift enz.

's Gravenhage, den 30sten November 1817.

(geteekend) WILLEM
Van wege den Koning
Bij afwezendheid van den Secretaris van Staat,
De eerste Secretaris van het Kabinet,
(geteekend) J. G. DE MEY VAN STREEFKERK.
Accordeert met deszelfs origineel
De griffier ter Staats-Secretarij,
(geteekend) L. H. ELIAS SCHOVEL, I. G.
Accordeert met deszelfs origineel, voor zoo veel het geëxtraheerde aangaat,
De Secretaris bij het Departement van Oorlog,
(geteekend) J. P. SCHEFFER

 

Voetnoten:
(*) Te vinden in het Staatsblad van dat jaar, No. I. RED.
(+) Geplaatst in het 3de deel, bladz. 693. RED.

 

REGLEMENT, op het visiteren van
Manschappen, of zij al of niet tot den
Militairen dienst geschikt zijn.

Van den 30sten November 1817.

Alle personen, welke bij hun engagement voorloopig gevisiteerd zijn, zullen andermaal, met de meeste naauwkeurigheid, bij de korpsen worden onderzocht, aan welke zij worden toegewezen; dit onderzoek zal geschieden door den Chirurgijn-Majoor bij het korps, of in het garnizoen aanwezig, of, bij ontstentenis, door den Chirurgijn-Majoor die zich het meest in de nabijheid bevindt.
De gebreken, welke degenen die er mede behebt zijn, voor den militairen dienst ongeschikt maken, zijn de navolgende:

 

EERSTE AFDEELING.
Gebreken, door welke men voor den dienst volstrekt buiten staat is.

1°. Ontbering van het gezigt.
Men zal het toeval behooren op te geven, het welk dit gebrek heeft veroorzaakt, of de ziekte, welke hetzelfde onderhoudt, als oogontsteking, verwonding, enz.
Bij zwarte staar (amaurosis) moet de tijd, sints hoe lang dezelve bestaat, aangegeven, en door getuigschriften van eenen magistraats-persoon en drie getuigen uit dezelfde gemeente bevestigd worden, ten blijke, dat de persoon, als aan dezelve wezenlijk lijdende, bekend was; alwaar deze certificaten niet kunnen bijgebragt worden, moet de persoon in een der militaire hospitalen, tot onderzoek der echtheid van het gebrek, gezonden worden.

2°. Het geheel verlies van den neus, vooral wanneer dit een zeer afschuwelijk aanzien geeft, en de ademhaling daardoor moeijelijk is.

3°. Ontbering van de stem en spraakvermogen en volslagen doofheid.

4°. Groote en ongeneesbare krop- en kliergezwellen, welke de ademhaling doorgaande hinderen.

5°. Het verlies van een arm, been, voet of hand, ook de onherstelbare verstijving van een dezer leden.

6°. Gezwellen aan de voornaamste takken der slagaderen.

7°. Krom gebogene lange beenderen of uitwassen, ten gevolge van Engelsche ziekte aan de beenderen, in die mate, dat de beweging der ledematen, daardoor klaarblijkelijk verhinderd wordt.
Andere ziekte van de beenderen, hoewel van belang en in het oog vallende, leveren soms eenige twijfel op, waaromtrent dan door den Inspecteur-Generaal van den geneeskundigen dienst zal worden beslist.
Bij het visiteren van remplacanten en rekruten, is eene gegronde veronderstelling, dat zoodanige disformiteiten hinderlijk zijn, genoegzaam, om dezelve af te wijzen.

8°. Het mank gaan, mits ten vollen consterende, van welke oorzaak het ook oorspronkelijk moge zijn; voorts ook eene aanmerkelijke en blijven inkorting van de buig- of intrek-spieren van eenig lid, gelijk ook derzelver verlamming of een onveranderlijken staat van verslapping, welke de vrije beweging der ledematen verhindert.

9°. De staat van vermagering en gedecideerde uitputting van het geheele ligchaam of van eenig deel, gekarakteriseerd door teekenen van tering.

10°. Het verlies van het mannelijk lid of van de testikels.

 

TWEEDE AFDEELING. Gebreken of ziekten, welke een volstrekt of betrekkelijk onvermogen tot den dienst
daarstellen, welker karakter, hoewel ook tot zware belangrijke gebreken, nogtans
minder tastbaar is, dan in de voorgaande afdeeling, en welker kennis en
beoordeling eene meer grondige oplettendheid vereischen
.

1°. Groote beleedigingen van den hoofdschedel (cranium), voortkomende uit groote wonden door persing of indrukking der beenderen, derzelve uitbotting of verlies; alzoo hieruit somtijds de navolgende toevallen ontspruiten en meestal vele derzelver te zamen, als: beroering der verstandelijke vermogens, suizeling, doofheid, slaperigheid, zenuwachtige of spasmodique toevallen, dikwijls verzeld met hardnekkige pijn in het hoofd.

2°. Het verlies van het regter oog of van het gebruik van hetzelve.
Dit gebrek maakt de individu's ongeschikt om als soldaat in de linie te fungeren, doch stelt hen niet buiten staat voor den dienst bij den trein; remplaçanten en rekruten worden deswegens volstrekt afgewezen.

3°. De ongeneeslijke tranenfistel, chronische en menigvuldige terugkeerende oog-ontstekingen, als ook de tot eene hebbelijkheid gewordene ziekten der oogleden en traanwegen, en vlakken op het doorschijnend hoornvlies, wanneer zij zulk eene hoogte bereikt hebben, dat zij het zien hinderlijk zijn.
Remplaçanten en rekruten mogen daar mede niet aangenomen worden.

4°. Zwakheid van het gezigt, aanhoudende gebreken van hetzelve, welke de voor den militairen dienst zoo noodige onderscheiding der voorwerpen op eenen zekeren afstand verhinderen, b.v. het gebrek van bijziende te zijn, (miopia), de schemering der oogen (nyctalopia), enz.; het scheelzien verhindert den militairen dienst niet.
Het onderzoek van de gebreken van het gezigt is somtijds moeijelijk en twijfelachtig. Vooral bij de nationale militie dient de officier van gezondheid, met de visitatie belast, altijd met de meeste voorzigtigheid te werk te gaan, wanneer hij deswegens uitspraak doet.
Miopes (de gene die bijziende zijn) die zich, om eeniger mate duidelijk te zien, moeten bedienen van een bril, bij geaccrediteerde brillemakers onder n°. 10 bekend, zijn buiten staat, gelijk ook presbita (verziende), welke een bril moeten gebruiken van 5 duim brandpunt.

5°. De mismaaktheid van de neus, vooral als dezelve de ademhaling moeijelijk maakt, de kwaadaardige neuszweer (ozaena) en iedere hardnekkige zweer in de neusholten en het verhemelte, de beenzweer in deze deelen en de slijmprop-gezwellen (polype), indien dezelve ongeneeslijk worden geoordeeld.

6°. Eene ongeneeslijke stinkende adem, stinkende uitvloeisels uit de ooren, en eene dergelijke uitwazeming; zoodra deze gebreken ongeneeslijk zijn.
Hiertoe behoort mede een sterk stindende hebbelijk voetzweet, kenbaar uit zekere roosachtige ontsteking der voetzool.
Soldaten, welke met deze gebreken mogten zijn aangenomen of dezelve gedurende hunnen dienst hebben bekomen, kwalificeren zich daardoor tot het paspoort.

7°. Het verlies van de snijtanden van de opper- en onderkaak te zamen, pijpzweren in de holten der kaakbeenderen, ongeneeslijke wangestalte in het een of ander van deze beenderen, hetzij door verlies van zelfstandigheid of door een ander toeval veroorzaakt, waardoor het afbijten der patronen, het kaauwen der spijzen of het gebruik van de spraak belemmerd wordt.
Het gemis van snij- en oogtanden verbiedt volstrekt iemand tot ramplaçant of rekruut aan te nemen, doch lotelingen blijven desniettemin nog goed voor den trein: - personen welke de bovenste of onderste snijtanden hebben, kunnen niet als onbekwaam voor den dienst als soldaat worden beschouwd.

8°. Ongeneeslijke speekselfistels en onbewegelijkheid van den onderkaak en ook van het hoofd (caput obstepum).

9°. Bezwaarlijk neerslikken, vooral, als hetzelve of uit eene verlamming van den slokdarm, of van het een of ander ongeneeslijk gebrek der deelen, die functie verrigten ontstaat.

10°. De aanhoudende en welbewezene gebreken van het gehoor en van de stem, zoodra dezelve van dien aard zijn, dat zij als hinderlijk tot den militairen dienst kunnen worden beschouwd; het stotteren zoodra hetzelve zoo sterk is, dat de zekerheid van eenen post daardoor zou kunnen worden gecompromitteerd.
Komen twijfelachtige gebreken van dezen aard bij de visitatiën der nationale militie voor, dan moeten derzelver echtheid, door een magistraats-persoon en drie getuigen uit dezelfde gemeente, waarin de persoon woonagtig is, worden getuigd; ook kunnen dergelijke personen somwijlen nog bij den trein worden geëmploijeerd. -- Remplaçanten en rekruten met dergelijke twijfelachtige gebreken kunnen niet toegelaten worden.

11°. Scrophuleuse gezwellen en zweren; meest vindt men dezelve verbonden met opgezetten klieren en (cachexia).

12°. Gebogchelde, alsmede de genen welke een kromme ruggegraat hebben.
Ook wangestalte van het borstbeen, aangeboren of door toeval ontstaan, of groote breede lidteekens op hetzelve, indien de ademhaling daardoor klaarblijkelijk moeijelijk gemaakt of het dragen van den randsel en patroontas verhinderd wordt; doch replaçanten en rekruten worden wegens deze uiterlijke gebreken of wanstaltigheden volstrekt afgewezen.

13°. De tering (phtysis) in alle hare graden; de bewezene kortborstigheid (asthma), alsmede het bloedspuwen (hiemstpthisis); verder hoogstwaarschijnlijke moeijelijkheden in den omloop van het bloed, bijzonder eene zeer uitgebreide of tegennatuurlijke sterke pulsatie ten allen tijde, aanhoudende of habitueel zijnde.
Bij de nationale militie eischen deze gebreken, indien dezelve niet zoo door het gestel der lijders als anderszins, duidelijk in de oogen vallen, het getuigenis van de doctoren, welke den lijder behandeld hebben.

14°. Breuken (herniae) welke niet of zeer bezwaarlijk door een band kunnen worden terug gehouden, alsmede anus artificialis.
Personen met dubbelde breuken, moeten volstrekt afgewezen worden, en met een enkele liesbreuk, ofschoon door een band terug gehouden, kwalificeeren zich in geenen deele tot remplaçanten, noch tot rekruten.

15°. De steen, het graveel, onwillekeurige afloop van de pis, of veelvoudige opstoppingen van dezelve, zoo als verder alle zware ziekten en gebreken van de piswegen, fistels aan deze deelen enz., hetzij dat dezelve als ongeneeslijk worden beschouwd, of dat zij de aanhoudende hulp van den genees- en heelkundige vorderen.
Bij de nationale militie moet vooral de onwillekeurige afloop van de pis, proefondervindelijk in een hospitaal of door een medicus, die den lijder sedert jaren behandeld heeft, worden bevestigd.

16°. Een in den annulus abdominalis terug gehouden testikel, vooral als dezelve pijnlijk is, de vleesbreuk (sarcocele), waterbreuk (hydrocele), aderbreuk (varicocele seu arcocele), en alle zware gebreken aan het scrotum, de testiculi, en den zaadstreng (funiculus spermaticis) voor zoo verre zij voor ongeneeslijk worden gehouden.
Remplaçanten en rekruten met zulke gebreken kunnen niet aangenomen worden, ofschoon men dezelve voor geneeslijk mogt houden.

17°. Zwerende aanbeijen of takken, ongeneeslijke aarsfistels, hevige en periodique vloeijingen van de aanbeijen, bloed ontlastingen uit het darm-kanaal, onwillekeurige afgang der drekstoffen en vooral uitzakking van den endeldarm, (prolapsus arii) of ook tegennatuurlijke vernaauwingen van denzelven, ten gevolge van gedane operatie etc.
Bij de nationale militie moeten deze gebreken door behoorlijke certificaten van genees- en heelkundigen, die de lijders hebben behandeld, worden gestaafd.

18°. Het verlies van een van de duimen, van een kootje van een van de wijsvingers, of het verlies van een of meerdere vingers of teenen, alsmede de onherstelbaar verlorene beweging van een dezer deelen, verkortingen of misforming van armen of beenen, ten gevolge van arm- of been-breuken, welke de manschappen voor den dienst, in welken zij zouden optreden, ongeschikt maken.
Hoewel de voorschreve infirmiteiten en verminkingen bij de nationale militie voor den infanterie-dienst kunnen vrijstellen, kunnen echter die gene welke dezelve hebben, somwijlen bij de kavalerie of trein geëmploijeerd worden.

19°. Onherstelbare wangestalte van handen of voeten of andere deelen, waardoor het marcheren of behandelen der wapens wordt bezwaarlijk of onmogelijk gemaakt.
Van hier moeten remplaçanten en rekruten wegens bijzonder platte voeten, of de zoodanige op welke zij alleen op den binnenkant gaan, afgekeurd worden; zoodanige lieden zijn altijd zeer slechte voetgangers; lotelingen daarmede behebt zijn somtijds voor den trein of kavallerie geschikt.

20°. Groote en uitgebreide aderspatten (varices) en habituële zwelling der voeten en beenen.

21°. Kankergezwellen, kankerzweren, verouderde zweren van eene kwaadaardige gesteldheid en welke als ongeneeslijk kunnen beschouwd worden.

22°. Groote en verouderde lidteekens, vooral als zij door hare vasthechting de beweging van een der ledematen hinderen, en met verlies van zelfstandigheid zijn vergezeld geweest.

23°. Zware beenziekten, zoo als groote beenuitwassen of beenknobbels (exostoses), komplete stijvigheid der gewrichten (anchylons), beenzweer (caries necrosis), de winddoorn (spina ventosa), gezwellen van het beenvlies, zoodra daar door de vrije beweging van het deel wordt belemmerd.

24°. Huidziekten als zij besmettelijk, verouderd, erfelijk en hardnekkig te genezen zijn, zoo als (tinea capitis) zeer hoofd, (herpes) en verdere kwaadaardige huidziekten.
Bij de nationale militie moet de ongeneeslijkheid dezer ziekten, door eene regelmatige, maar vruchteloos afgeloopene behandeling in een daartoe bestemd hospitaal bewezen worden.

25°. Een volmaakte bleekzuchtige staat van het ligchaam (cachexia) ongeneeslijke schorbut en waterzucht.

26°. Groote zwakte en vermagering, te groote of te kleine gestalte, vooral in het eerste geval, als de persoon, zoo als men zegt, buiten zijne krachten gegroeid is.

27°. Het podegra en de heupjigt, verouderde jigt en rhumatieke pijnen, welke de vrije bewegingen der ledematen verhinderen.

28°. Vallende zieke (epilepsia) welgeconstateerde stuipen (convulsiones) onwillekeurig beven van het ligchaam, of van een gedeelte van hetzelve, komplete of gedeeltelijke verlamming, verstandeloosheid, razerzij of onnoozelheid.

Bij de nationale militie moeten deze gebreken door volledige certificaten of proefondervindelijk in een hospitaal, bewezen worden.

In het algemeen moeten, bij het afgeven van certificaten, de toevallen of oorzaken, welke de gebreken veroorzaakt hebben, worden opgegeven, en de teekens welke het karakter van het gebrek duidelijk aanwijzen.

Wanneer men zicht van kunsttermen bedient, moet de benaming daarvan in het nederduitsch daarnevens gesteld worden.

Alle de gebreken en infirmiteiten, welke voor de lotelingen nog geen vrijdom van den militairen dienst geven, verbieden remplaçanten en rekruten aan te nemen, welke in allen opzigte, gezond en vrij van alle zigtbare gebreken moeten zijn.

Aldus garresteerd bij Koninklijke resolutie van 30 November 1817, n°. 8.

Mij bekend,
Bij afwezendheid van den Secretaris van Staat,
De eerste Secretaris van het Kabinet,
(geteekend) J. G. DE MEY VAN STREEFKERK.
Accordeert met deszelfs origineel
De griffier ter Staats-Secretarij,
(geteekend) L. H. ELIAS SCHOVEL, I. G.
Accordeert met deszelfs origineel, voor zoo veel het geëxtraheerde aangaat,
De Secretaris bij het Departement van Oorlog,
(geteekend) J. P. SCHEFFER



Bron:
"Bijvoegsel tot het Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden", 1817, Volume 2.
Google books, pagina 831 en verder.



Deze pagina is voor het laatst gewijzigd op: 31 December 2017.