Militieregisters - Keuringseisen van 1836

De Nationale Militie bestond vanaf 1817 deels uit vrijwilligers en deels uit dienstplichtige lotelingen. Er zijn diverse Wetten en Koninklijke Besluiten omtrent de Nationale Militie geweest. De basis was de "Wet van den 8sten Januarij 1817, omtrent de inrigting der Nationale Militie".

De rekruten voor de Nationale Militie werden medisch gekeurd om te zien of zij geschikt waren voor de militaire dienst. In de wet van 1817 staat vermeld dat manschappen in het algemeen een lengte van minimaal 5 Rijnlandse Voeten (één meter vijfhonderd vijf-en-zestig milimeters = 1,565 meter) dienden te hebben. De lijst van ziekten en gebreken van 1821 is in 1836 met het Koninklijk Besluit, nr 78, van 16 februari 1836 op diverse kleine punten aangepast. Onderstaande lijst is gepubliceerd in het (Bijvoegsel van het) Staatsblad van 1836.
De grootste wijziging is de verplaatsing en aanpassing van het artikel 2 ("Verlies van het regteroog") van de Tweede Afdeling naar de Eerste Afdeling en de aanpassing van de nummering daardoor. Verdere wijzigingen zijn aanvullingen op tekstueel vlak en taalkundige zaken.



Schutblad staatsblad 1836

Koninklijk Besluit van den 16den Februarij 1836, no. 78, vaststellende het reglement op het visiteren van manschappen, of zij al dan niet tot de militaire dienst geschikt zijn.

Wij WILLEM, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje Nassau, Groot Hertog van Luxemburg, enz. enz. enz.

Op de gemeenschappelijke voordragt van de Departementen van Binnenlandsche Zaken en Oorlog, van den 6/13 dezer, No 103/2;

Overwegende de noodzakelijkheid, om het thans bestaande reglement op het visiteren der manschappen of zij al dan niet voor de militie dienst geschikt zijn, hetwelk, door de ondervinding, bevonden is niet aan alle gevorderde vereischten te voldoen, door eenige gepaste veranderingen te wijzigen;

Gezien Onze besluiten van den 30 November 1817, no 8, en van den 15 Januarij 1821, no. 59.;

Hebben goedgevonden en verstaan, het bij Ons besluit van den 15 Januarij 1821, no. 59, vastgestelde reglement op het visiteren der manschappen of zij al dan niet tot de dienst bij de Nationale Militie, de Schutterijen of de staande Armee geschikt zijn, in te trekken en te doen vervangen door het reglement, aan dit besluit gehecht.

Onze Minister van Binnenlandsche Zaken en Onze Directeur-Generaal van Oorlog ad interim zijn, voor zoo veel ieder aangaat, belast met de uitvoering dezes.

's Gravenhage den 16 Februarij 1836.

(Get.) WILLEM
Van wege den Koning
G. SCHIMMELPENNINCK,
Accordeert met deszelfs origineel,
de Griffier ter Staats-Secretarie,
(Get.) L.H. ELIAS SCHOVEL.
Voor eensluidend afschrift,
De Secretaris Generaal bij het Minis-
terie van Binnenlandsche Zaken
,
(Get.) C. VOLLENHOVEN.

Bijlage A.

REGLEMENT op het visiteren van man-
schappen, of zij al dan niet tot de militaire
dienst geschikt zijn.

Alle de personen, welke bij hun engagement voorloopig gevisiteerd zijn, zullen andermaal, met de meest naauwkeurigheid, bij de korpsen worden onderzocht, aan welke zij worden toegewezen; dit onderzoek zal geschieden door den eerst aanwezenden Officier van gezondheid, bij het corps, of in het garnizoen aanwezig.
De gebreken, welke de genen, die er mede behebt zijn, voor de militaire dienst ongeschikt te maken, zijn de navolgende:

EERSTE AFDELING
Gebreken, door welke men voor de dienst volstrekt buiten staat is:

1. Ontbering van het gezigt

Men zal het toeval behooren op te geven, hetwelk dit gebrek heeft veroorzaakt, of de ziekte, welke hetzelve onderhoudt, als oog-ontsteking, verwonding enz. Bij zwarte staar (amourosis) moet de persoon in een der militaire hospitalen, tot onderzoek der echtheid van het gebrek, gezonden worden.

2°. Verlies van het regter of linker oog, of van het gebruik van hetzelve.

3°. Het geheel verlies van den neus, vooral wanneer dit een zeer afschuwelijk aanzien geeft, en de ademhaling daardoor moeijelijk is.

4°. Ontbering van de stem en het spraak-vermogen en volslagen doofheid.

5°. Groote en ongeneesbare krop- en kliergezwellen, welke de ademhaling doorgaans hinderen.

6°. Verlies van een arm, been, voet of hand, ook de onherstelbare verstijving van een dezer leden.

7°. Gezwellen aan de voornaamste takken der slag-aderen.

8°. Kromgebogen lange beenderen of uitwassen, ten gevolge van Engelsche Ziekte, aan de beenderen in die mate, dat de beweging der ledematen daardoor klaarblijkelijk verhinderd wordt.

Andere ziekten van de beenderen, hoewel van belang en in het oog vallende, leveren soms eenigen twijfel op, waaromtrent dan door den Inspecteur-Generaal van de geneeskundige dienst zal worden beslist.

Bij het visiteren van remplaçanten en recruten, is eene gegronde onderstelling, dat zoodanige difformiteiten hinderlijk zijn, genoegzaam, om dezelve af te wijzen.

9°. Het mankgaan, mits ten volle consterende, van welke oorzaak ook het oorspronkelijk moge zijn; voorts ook eene aanmerkelijke en blijvende inkorting van de buig- of intrekspieren van eenig lid, gelijk ook derzelver verlamming of een onveranderlijke staat van verslapping, welke de vrije beweging der ledematen verhindert.

10°. De staat van vermagering en gedecideerde uitputting van het geheele ligchaam, of van eenig deel, gekarakteriseerd door teekenen van tering.

11°. Het verlies van het mannelijk lid of van de testikels.

TWEEDE AFDELING
Gebreken of ziekten, welke een volstrekt of betrekkelijk
Onvermogen tot de dienst daarstellen, welker karakter,
Hoewel ook tot zware belangrijke gebreken, behoo-
rende, nogtans minder tastbaar is, dan in de
voorgaande afdeeling en welker kennis en
beoordeeling eene meer grondige op-
lettendheid vereischen.

1°. Groote beleedigingen van den hoofdschedel (cranium), voortkomende uit groote wonden, door persing of indrukking der beenderen, derzelver uitbotting of verlies, alzoo hieruit somtijds de navolgende toevallen ontspruiten en meestal vele derzelve te zamen, als:

Beroering der verstandelijke vermogens, suizeling, doofheid, slaperigheid, zenuwachtige of spasmodieke toevallen, dikwijls vergezeld met hardnekkige pijn in het hoofd

2°. De ongeneeslijke tranen-fistel, chronische en menigvuldig terugkeerende oog-ontstekingen, als ook de tot eene hebbelijkheid geworden ziekte der oogleden en traanwegen en vlakken op het doorschijnend hoornvlies, wanneer zij zulk eene hoogte bereikt hebben, dat zij het zien hinderlijk zijn.

Remplaçanten, nummerverwisselaars en recruten mogen daarmede niet aangenomen worden.

3°. Zwakheid van het gezigt, aanhoudende gebreken van hetzelve, welke de voor de militaire dienst zoo noodige onderscheiding der voorwerpen, op eenen zekeren afstand, verhinderen, bij voorbeeld, het gebrek van bijziend te zijn (myopia), de schemering der oogen, (nyctalopia) enz. Het scheelzien verhindert de militaire dienst niet.

Het onderzoek van de gebreken van het gezigt is somtijds moeijelijk en twijfelachtig; vooral bij de Nationale Militie dient de Officier van gezondheid, met de visitatie belast, altijd met de meeste voorzigtigheid te werk te gaan, wanneer hij deswege uitspraak doet.

Myopes (de genen, die bijziende zijn), die zich, om eenigermate duidelijk te zien, moeten bedienen van eenen bril, bij geaccrediteerde brillenmakers onder no. 10 bekend, zijn buiten staat, gelijk ook presbytae (ver ziende), welke eenen bril moeten gebruiken van vijf duim brandpunt; doch dit gebrek stelt de lotelingen slechts voorwaardelijk voor een jaar van de dienst vrij.

4°. De mismaaktheid van den neus, vooral, als dezelve de ademhaling moeijelijk maakt, de kwaadaardige neuszweer (ozaena) en iedere hardnekkige zweer in de neusholte in het verhemelte, de beenzweer in deze deelen, en de slijmpropgezwellen (polypi), indien dezelve ongeneeslijk worden beoordeeld.

5°. Een ongeneeslijk stinkende adem, stinkende uitvloeizels uit de ooren, en eene dergelijke uitwazeming, zoodra deze gebreken ongeneeslijk zijn.

Hiertoe behoort mede een zeer sterk stinkend en hebbelijk voetzweet, kenbaar uit zekere roosachtige ontsteking der voetzool.

Soldaten, welke met deze gebreken mogten zijn aangenomen, of dezelve gedurende hunnen dienst hebben bekomen, qualificeren zich daardoor tot het paspoort.

6°. Het verlies van de snijtanden van de opper- en onderkaak te zamen, pijpzweren, in de holten der kaakbeenderen, ongeneeslijke wangestalte, in het een of andere van deze beenderen, hetzij door verlies van zelfstandigheid of door een ander toeval veroorzaakt, waardoor het afbijten der patronen, het kaauwen der spijzen, of het gebruik van de spraak belemmerd wordt.

Het gemis van snij- en oogtanden verbiedt volstrekt, iemand tot remplaçant, nummerverwisselaar of recruut aan te nemen; personen, welke nog de bovenste of onderste snijtanden hebben, kunnen niet als onbekwaam voor de dienst als soldaar worden beschouwd.

Bij de Nationale Militie geeft het verlies van de snijtanden van de opper- en onderkaak, hetzij afzonderlijk, hetzij te zamen, geene vrijstelling van de dienst.

7°. Ongeneeslijke speeksel-fistels en onbewegelijkheid van de onderkaak en ook van het hoofd (caput obstipum).

8°. Bezwaarlijk neerslikken, vooral als hetzelve, of uit eene verlamming van den slokdarm, of van het een of ander ongeneeslijk gebrek der deelen, die functie verrigtende, ontstaat.

9°. De aanhoudende en wel bewezene gebreken van het gehoor en van de stem, zoodra dezelve van dien aard zijn, dat zij als hinderlijk tot de militaire dienst kunnen worden beschouwd; het stotteren, zoodra hetzelve zoo sterk is, dat de zekerheid van eenen post daardoor zoude kunnen worden gecompromitteerd.

10°. Scrophuleuse gezwellen of zweren, meest vindt men dezelve verbonden met opgezette klieren en cachexia.

11°. Gebogchelden, alsmede de genen, welke eene kromme ruggegraat hebben.

Ook wangestalte van het borstbeen aangeboren, of door toeval ontstaan, of groote breede likteekens op hetzelve, indien de ademhaling daardoor klaarblijkelijk moeijelijk gemaakt, of het dragen van den ransel en patroontasch gehinderd wordt, doch ramplaçanten, nommerverwisselaars en recruten worden wegens deze uiterlijke gebreken of wanstaltigheden volstrekt afgewezen.

12°. De tering (phtysis) in alle hare graden, de bewezene kortborstigheid (Atshma), alsmede het bloedspuwen (haemoptysis), verder hoogst waarschijnlijk moeijelijkheden in den omloop van het bloed, bijzonder eene zeer uitgebreide of tegennatuurlijke sterke pulsatie, te allen tijde aanhoudende of habitueel zijnde

13°. Breuken (herniae), welke niet, of zeer bezwaarlijk, door eenen band kunnen worden terug gehouden, alsmede anus artificiales.

Personen met dubbele breuken moeten volstrekt afgewezen worden, en met eene enkele liesbreuk, ofschoon door eenen band terug te houden, qualificeren zich in geenen deele tot ramplaçanten, nummerverwisselaars, noch tot recruten.

14°. De steen, het graveel, onwillekeurige afloop van de pis, of veelvuldige opstoppingen van dezelve, zoo als verder, alle zware ziekten en gebreken van de piswegen; fistels aan deze deelen, enz., hetzij dat dezelve als ongeneeslijk worden beschouwd, of dat zij de aanhoudende hulp van den genees- en heelkundige vorderen.

Bij de Nationale Militie moet vooral de onwillekeurige afloop van de pis proefondervindelijk in een hospitaal worden bevestigd.

15°. Een in den annulus abdominalis terug gehouden testikel, vooral als dezelve pijnelijk is, de vleeschbreuk (sarsocele), waterbreuk (hydrocele), aderbreuk (varicocele seu sroocele) en alle zware gebreken aan het scrotum, de testiculi en den zaadstreng (funiculus spermaticus), voor zoo verre zij bij de Nationale Militie na eene vruchteloos afloopende behandeling, in een hospitaal, voor ongeneeslijk worden gehouden.

Remplaçanten, nummerverwisselaars en recruten, met zulke gebreken, kunnen niet aangenomen worden, ofschoon men dezelve voor geneeslijk mogte houden.

16°. Ongeneeslijke aarsfistels, hevige en periodieke vloeijingen van de aambeijen, bloedontlastingen uit het darmkanaal, onwillekeurige afgang der drekstoffen, vooral uitzakking van den Endeldarm (prolapsus ani), of ook tegennatuurlijke vernaauwing van denzelven, ten gevolge van gedane operatien enz.

17°. Het verlies van een van de duimen, van een kootje van een van de wijsvingers of het verlies van een of meerder vingers of teenen, alsmede de onherstelbaar verlopen beweging van een dezer deelen, verkortingen of misvorming van armen of beenen, ten gevolge van arm- of beenbreuken, welke de manschappen voor de dienst, in welke zij zouden optreden, ongeschikt maken.

Lotelingen, welke het tweede lid van een der duimen of het tweede en derde lid van der vingers verloren hebben, zijn niettemin geschikt voor de dienst.

Zoo ook geeft het verlies van slechts een toon (behalve een der groote toonen) of de onherstelbare beweging van een of twee toonen voor de lotelingen bij de Nationale Militie geene vrijstelling van de dienst.

18°. Onherstelbare wangestalte van handen of voeten of andere deelen, waardoor het marcheren of behandelen der wapens wordt bezwaarlijk of ommogelijk gemaakt.

Van hier moeten remplaçanten, nommerverwisselaars en recruten, wegens bijzondere platte voeten, of de zoodanigen, op welke zij alleen op den binnenkant gaan, afgekeurd worden; zoodanige lieden zijn altijd zeer slechte voetgangers.

Lotelingen, daarmede in eenen ligten graad behebt, zijn voor den trein of de cavallerie geschikt.

19°. Groote en uitgebreide aderspatten (varices) en habituele zwelling der voeten en beenen.

20°. Kankergezwellen, kankerzweren, verouderde zweren, van eene kwaadaardige gesteldheid, en welke als ongeneeslijk kunnen beschouwd worden.

21°. Groote en verouderde likteekens, voorals als zij door hare vasthechting de beweging van een der ledematen hinderen en met verlies van zelfstandigheid zijn vergezeld geweest.

22°. Zware beenziekten, zoo als groote beenuitwassen of beenknobbels (exostosis), complete stijvigheid der gewrichten (anchylosis), beenzweer (caries necrosis), de winddoorn (spina ventosa), gezwellen aan het beenvlies, zoodra daardoor de vrije beweging van het deel wordt belemmerd.

23°. Huidziekten, als zij besmettelijk, verouderd, erfelijk en hardnekkig te genezen zijn, zoo als (tiena capitis), zeer hoofd (herpes) en verdere kwaadaardige huidziekten.

Bij de Nationale Militie moet de ongeneeslijkheid dezer ziekten door eene regelmatige, maar vruchteloos afgeloopene behandeling, in een daartoe bestemd hospitaal, bewezen worden.

24°. Een volmaakt bleekzuchtige staat van het ligchaam (cachexia) ongeneeslijke scorbut en waterzucht.

25°. Groote zwakte en vermagering, te groote of te kleine gestalte, vooral in het eerste geval als de persoon, zoo als men zegt, buiten zijne krachten gegroeid is.

26°. Het Podegra en de heupjicht, verouderde jicht en rhumatieke pijnen, welke de vrije beweging der ledematen verhinderen.

27°. Vallende ziekten (epilepsia), wel geconstateerd, stuipen (convulsiones), onwillekeurig beven van het ligchaam of van een gedeelte van hetzelve, complete of gedeeltelijke verlamming, verstandeloosheid, razernij of onnoozelheid.

Bij de Nationale Militie moeten deze gebreken proefondervindelijk in een hospitaal bewezen worden.

ALGEMEENE AANMERKING

In het algemeen moeten bij het afgeven van certificaten de toevallen of oorzaken, welke de gebreken veroorzaakt hebben, worden opgeheven, en de teekens, welke het karakter van het gebrek duidelijk aanwijzen, en de afdeeling en §§ van dit reglement worden vermeld, op grond waarvan de verklaring van ongeschiktheid voor de militaire dienst geschiedt.

Wanneer men zich van kunsttermen bedient, moet de benaming daarvan in het Nederduitsch daar nevens gesteld worden.

Alle de gebreken en infirmiteiten, welke voor lotelingen nog geenen vrijdom van de militaire dienst geven, verbieden remplaçanten, nommerverwisselaars en recruten aan te nemen, welke in alle opzigten gezond en vrij van alle zigtbare gebreken moeten zijn.

Vastgesteld bij 's Konings besluit van den 16 Februarij 1836, no. 78.

Mij bekend,
De Secretaris van Staat
(Get.) G. SCHIMMELPENNINCK
Accordeert met deszelfs origineel,
De Griffier ter Staats-Secretaris
(Get.) L.H. ELIAS SCHOVEL.



Bron: Koninklijk Besluit van 16 februari 1836, nr 78, geplaatst in onder meer het "BIJVOEGSEL tot het STAATSBLAD van het Koningrijk der Nederlanden 1836" op pagina 81 e.v.



Deze pagina is voor het laatst gewijzigd op: 24 December 2017.