Militieregisters - Keuringseisen van 1871

In 1871 is het Koninklijk Besluit van 1862 ingetrokken en vervangen door een nieuw reglement. Dit is vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 3 maart 1871 en is ingegaan op 1 mei 1871.

Hieronder het volledige Koninklijk Besluit, zoals dat in 1871 in het Staatsblad is gepubliceerd:



BESLUIT van den 3den Maart 1871, houdende vaststelling van het reglement op het geneeskundig onderzoek omtrent de geschiktheid voor de dienst bij de zee- en landmagt, en zulks met intrekking van het reglement, vastgesteld bij Koninklijk besluit van 25 Maart 1862 (Staatsblad n°. 34).

WIJ WILLEM III, BIJ DE GRATIE GODS, KONING DER NEDERLANDEN, PRINS VAN ORANJE-NASSAU, GROOT-HERTOG VAN LUXEMBURG, enz., enz, enz.,

Op de gemeenschappelijke voordragt van Onze Ministers van Oorlog, van Marine en van Binnenlandsche Zaken, van 29 November 1870, n°. 60 P, van 5 December daaraanvolgende, n°. 47, lit. B, en van 22 dier maand, n°. 122, 4de afdeeling;

Gezien Ons beluit van 25 Maart 1862 (Staatsblad n°. 34), houdende vaststelling van een nieuw reglement op het geneeskundig onderzoek omtrent de geschiktheid voor de krijgsdienst te land en te water;

Overwegende, dat het noodig is omtrent het voorschreven onderzoek nadere voorschriften te geven;

Den Raad van State gehoord (advies van 24 Januarij 1871, n°. 37);

Gelet op het nader gemeenschappelijk rapport van Onze Ministers van Oorlog, van Marine en van Binnenlandsche Zaken, van 24 Februarij 1871, n°. 41 P, van 25 daaraanvolgende, n. 27, lit. B, en van 27 dier maand, n°. 244, 4de afdeeling;

Hebben goedgevonden en verstaan:

1°. met intrekking van het reglement, vastgesteld bij Ons besluit van 25 Maart 1862 (Staatsblad no. 34) vast te stellen het reglement op het geneeskundig onderzoek omtrent de geschiktheid voor de krijgsdienst, bij de zee- en landmagt, gelijk het bij Ons tegenwoordig besluit is toegevoegd;

2°. te bepalen dat het thans vastgestelde reglement zal in werking treden op 1 Mei 1871.

Onze Ministers van Oorlog, van Marine en van Binnenlandsche zaken zijn, ieder voor zoo veel hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad en gelijktijdig in de Staatscourant zal worden geplaatst.

's Gravenhage, den 3den Maart 1871.

WILLEM
De Minister van Oorlog,
A. ENGELVAART
De Minister van Marine,
BROCX
De Minister van Staat en van Binnenlandsche Zaken, THORBECKE

Uitgegeven den zes en twintig Maart 1871.
De Minister van Justitie,
J.A. JOLLES.

REGLEMENT op het geneeskundig onderzoek omtrent de geschiktheid voor de dienst bij de zee- en landmagt.

Art. 1.

De geschiktheid voor de dienst bij de zee- en landmagt wordt onderzocht en beoordeeld overeenkomstig dit reglement.

Art. 2.

De ziekten of gebreken, in dit reglement vermeld, maken ongeschikt voor de dienst bij de zee- en landmagt, behoudens de in artt. 3, 4 en 8 van dit reglement omschreven uitzonderingen.

Art. 3.

Lotelingen der nationale militie en militiepligtigen, wier aangifte ter inschrijving is verzuimd, van wie het moeijelijk terstond is te beslissen of en in welken graad er ziekten of gebreken bij hen bestaan, kunnen voor de krijgsdienst geschikt verklaard en na hunne inlijving tot nader onderzoek in eene maritieme of militaire zieken-inrigting opgenomen worden.

Lotelingen en andere militiepligtigen, lijdende aan ziekten of gebreken, waarvan de genezing binnen korten tijd mogelijk wordt geacht, kunnen in eene maritieme of militaire zieken-inrigting ter verpleging worden opgenomen.

Het beproeven der genezing moet binnen 4 maanden afgeloopen zijn;

heelkundige kunstbewerkingen zullen daarbij niet verrigt mogen worden zonder toestemming van den belanghebbende.

Lotelingen en andere militiepligtigen kunnen voor de krijgsdienst geschikt verklaard worden met ziekten of gebreken, waarvan geene verergering te verwachten is, en die geacht worden zoo geringe misvorming of stoornis in de verrigtingen te veroorzaken, dat de dienst, waarvoor die personen zijn bestemd, in alle opzigten behoorlijk kan worden waargenomen.

Art. 4.

Vrijwilligers voor de landmagt en voor de krijgsdienst in 's Rijks overzeesche bezittingen en kolonien, alsmede de vrijwilligers voor de militie, kunnen worden aangenomen, wanneer de ziekte of het gebrek van hem, die verlangt te worden toegelaten, van zoo voorbijgaanden en onbeduidenden aard is, dat aan de genezing binnen korten tijd niet kan worden getwijfeld.

Gelijke toelating kan geschieden ook bij de zeemagt, wanneer de ziekte of het gebrek ten volle valt in de termen der slotbepaling van art. 3 van dit reglement.

Art. 5.

In de gevallen, vermeld in het voorgaand artikel, geschiedt mededeeling van de toelating aan de maritieme of militaire autoriteit en loco.

De ontdekte ligte ziekten of gebreken worden in den engagementsstaat vermeld en in het stamboek aangeteekend.

Art. 6.

Op reeds vroeger gediend hebbende (gepasporteerde), of op vroeger voor de dienst afgekeurde militairen, die sedert blijkbaar geheel hersteld zijn, en vooral op nog dienende militaire personen bij de zee- of landmagt, die eene nieuwe verbindtenis (reëngagement) verlangen aan te gaan, moeten bij het geneeskundig onderzoek de bepalingen van art. 3 worden toegepast.

Hunne ligte ziekten of gebreken worden in den engagementsstaat vermeld en in het stamboek aangeteekend.

Art. 7.

Ingelijfden bij de militie en vrijwilligers bij de zee- of landmagt, die, ofschoon ongeschikt voor de dienst bij het wapen waartoe zij behooren, echter in staat worden geoordeeld tot de dienst bij een ander wapen, kunnen daarbij overgeplaatst worden.

Art. 8.

Voor de krijgsdienst moeten ongeschikt verklaard worden militaire personen van alle rangen, die ziekten of gebreken hebben, in dit reglement vermeld, voor zooverre deze ongeneeslijk zijn of de genezing daarvan vruchteloos is beproefd, en de dienst daarmede niet meer naar behooren waargenomen kan worden.

Indien het verrigten eener heelkundige kunstbewerking uitzigt geeft op het terugkeeren der geschiktheid, maar de operatie door den belanghebbende wordt geweigerd, verliest hij door de weigering niets van zijne aanspraak op ontslag of pensioen.

Art. 9.

In de verklaringen van ongeschiktheid tot verdere dienst moeten naauwkeurig vermeld worden de aard, de oorzaak en de tijd van het ontstaan der ziekten of gebreken, alsmede de § en het nummer, waaronder deze in het reglement omschreven zijn.

Omtrent de waardering en het ontstaan der gebreken zullen de volgende bepalingen in acht genomen behooren te woorden:

Buiten de dienst ontstaan zijn alle slepende gebreken, welk binnen 12 maanden na de indiensttreding te voorschijn komen, zonder dat daarvoor eene bepaalde oorzaak door de dienst kan worden aangetoond. Hiertoe behooren derhalve aan de waarneming ontsnapte en verzwegen ziekten, bijv. enuresis, epilepsie, strictura urethrae, enz.

In doch niet door de dienst ontstaan zijn alle gebreken, verkregen door eigen toedoen, tengevolge van dronkenschap, syphilis, vechtpartijen (wanneer de persoon niet diensthalve daarbij tegenwoordig moet zijn), zelfverminking, poging tot zelfmoord of het ontvlugten uit provoosten, kazernen, hospitalen, schepen, enz.

In en door de dienst ontstaan zijn alle gebreken, welke het gevolg zijn van bevolen militaire diensten van klimaats-invloeden, of ook in het algemeen van de verrigtingen, omstandigheden en vermoeijenissen, aan de uitoefening der militaire dienst verbonden; alsmede die, welke tijdens het in dienst zijn, buiten schuld of opzet van den schepeling of militair, hem ongeschikt maken voor de verdere uitoefening van de dienst.

In en door de dienst toegenomen zijn die gebreken welke van ligteren aard zijnde, bij het in dienst treden bekend waren, maar gedurende de dienst zoodanig verergerd zijn, dat nu afkeuring moet geschieden, bijv. varicocele, kleine aderspatten, scoliosis, enz. Bij het beoordeelen van den graad der geschiktheid, om, na afkeuring voor de dienst, door handenarbeid in het dagelijksch onderhoud te kunnen voorzien, moet in het oog gehouden worden, dat handenarbeid op te vatten is in den zin van zware arbeid, bijv. veldarbeid, ploegen, spitten, het dragen van zware lasten, enz.

In plaats van voortdurende ongeschiktheid zal het in vele gevallen verkieselijk zijn, aanvankelijk eene tijdelijke ongeschiktheid aan te nemen.

Bij de beoordeeling in hoeverre "het gemis van het gebruik" van een of meer ledematen "gelijk staat" met het verlies van het deel, behoort de waardering in vrijgevigen zin te geschieden.

Art. 10.

Voor het gezigtsvermogen worden de navolgende eischen gesteld:

A. Zij, die als vrijwilliger bij de zee- of landmagt, als adelborst of als kadet verlangen te worden toegelaten, moeten zonder aanwending van glazen eene gezigtsscherpte 1) hebben: op het regter oog, voor de nabijheid zoowel als voor de verte, van minstens ¼; op het linker oog voor de nabijheid insgelijks van minstens ¼, doch voor de verte van minstens 1/8.

Zij behooren derhalve aan de volgende drie proeven te voldoen:

a. met ieder oog afzonderlijk op een afstand van 25 centimeters duidelijk onderscheiden drukletters van 1 ½ millimeter hoogte (ongeveer gelijk aan die der tegenwoordige Nederlandsche Staatscourant) of figuren daarmede in grootte overeenkomende;

b. met het regter oog op een afstand van 3 ¼ meters duidelijk onderscheiden kapitale (liefst antieke) zwart op wit gedrukte letters, cijfers of figuren van 2 centimeters hoogten en hieraan evenredige breedte en dikte (d.i. de breedte 4/5 en de dikte 1/5 der hoogte);

c. met het linker oog op een afstand van minstens 8 meters duidelijk onderscheiden kapitale (liefst antieke) zwart op wit gedrukte letter cijfers of figuren van een decimeter hoogte en hieraan evenredige breedte en dikte.

Kunnen die personen ten gevolge van bijziendheid niet aan de proeven b en c voldoen, dan zullen zij nog aanneembaar zijn, wanneer zij door spherische glazen van minstens 18 Parijsche duimen of 48.72 centimeters negatieven brandpunts-afstand voor het regter oog eene volkomen gezigtsscherpte en voor het linker oog eene van 3/5 verkrijgen. Zij behooren dus, met behulp van genoemde glazen, met het regter oog op een afstand van 6 ¼ meters, en met het linker oog op een afstand van 4 meters letters, enz. , als boven onder b bedoeld, doch slechts van 1 centimeter hoogte, duidelijk te kunnen onderscheiden.

B. Zij, die als officieren of studenten voor de militaire geneeskundige of pharmaceutische dienst of als kweekelingen voor de veeartsenijkundige dienst als scheepsklerken, sergeant-schrijvers, schoolmeesters, botteliers of als adspirant-kwartiermeesters verlangen te worden toegelaten, moeten mede aan bovenstaande proeven voldoen, met uitzondering, dat het onverschillig is, of met het regter dan wel met het linker oog de vereischte ¼ en 1/8 gezigtsscherpte bereikt wordt.

Indien zij ten gevolge van bijziendheid niet aan de proeven b en c voldoen, zullen die personen nog aanneembaar zijn, wanneer zij, met behulp van spherische glazen van minstens 18 Parijsche duimen of 48.72 centimeters negatieven brandpunts-afstand, voldoen aan de proeven voor de personen in gelijk geval verkeerende sub A vermeld, met uitzondering dat het onverschillig is, of zij met het regter dan wel met het linker oog de vereischte volkomen en 3/5 gezigtsscherpte verkrijgen.

Scheepsklerken, officieren en studenten voor de pharmaceutische dienst zijn nog aanneembaar, indien zij aan die proeven voldoen met behulp van spherische glazen van 14 Parijsche duimen of 37.89 centimeters negatieven brandpunts-afstand. Aan de militairen, sub B vermeld, wordt het dragen van een bril in dienst toegestaan.

Zij, die met ligten graad van bijziendheid toegelaten worden, zullen nimmer dit gebrek - ook al mogt het later toegenomen zijn - kunnen doen gelden tot het verkrijgen van ontslag uit de dienst.

Bij het onderzoek van het gezigtsvermogen moet steeds beproefd worden, of de persoon in staat is de hoofdkleuren duidelijk te onderscheiden; wordt een zekere graad van onvermogen hiertoe aangetroffen, dan behoort daarvan aanteekening te geschieden in den engagementsstaat en het stamboek.

De proeven van letters, figuren en kleuren, tot het onderzoek benoodigd, zijn in een aanhangsel tot het regelement opgenomen.

Art. 11.

De ziekten en gebreken, bij de voorgaande bepalingen bedoeld, zijn de hierna vermelde.

§ 1. ZIEKTEN EN GEBREKEN, WELKE NIET TOT BIJZONDERE LIGCHAAMSSTREKEN BEPERKT ZIJN..

A. Afwijkingen in de algemene ligchaamsgesteldheid.

N°. 1. Te groote omvang van het ligchaam, vooral van den buik, door vetvorming gepaard met stoornis in de verrigtingen.

N°. 2. Te groote gestalte met eene zwakke lighaamsgesteldheid (het zoogenaamd uit de krachten gegroeid zijn).

N°. 3. Te geringe lichaamsontwikkeling.

N°. 4. *) a. Algemeene of plaatselijke vermagering, gepaard met ligchaamszwakte; b. algemeene ligchaamszwakte.

N°. 5. Vervroegde ouderdomstoestand (versleten ligchaamsgestel).

N°. 6. Aanmerkelijke misvormde ligchaamsgestalte tengevolge van beenverweeking en zoogenaamde Engelsche ziekte (rachitis).

N°. 7. * Algemeene of plaatselijke volbloedigheid, bijv. buikvolbloedigheid, gepaard met belangrijke stoornis in de verrigtingen.

B. Vreemde ligchamen en concrementen.

N°. 8. * Vreemde ligchamen in den gehoorgang, het oog, de gewrichten of in eenig ander ligchaamsdeel, met stoornis in de verrigtingen.

N°. 9. * Concrementen, bijv. a. speekselsteenen; b. galsteenen; c. groote voorhuids- en balzaksteenen; d. niersteen; e. blaassteen (ook graveel); f. steenen in de voorstanderklier; g. navelsteenen; h. traansteenen, enz.

C. Ziekelijke gesteldheid van zachte deelen en algemeene bekleedselen.

N°. 10. * Ziekelijke verkleuring der huid in belangrijken graad, bijv. argyria, morbus Addisonii, ook gemis van pigment (albinismus).

N°. 11. * Verouderde en hardnekkige huidziekten, bijv. baardvin (memtagra), schubuitslag (psoriasis), visschubuitslag in den hoornachtigen vorm (ichtyosis cornea), framboesia, kopervin van den neus (zoogenaamde couperose) in belangrijken graad, enz.

N°. 12. * Verouderde en hardnekkige venerische huidziekten (syphilides, condylomata).

N°. 13. Melaatschheid (lepra).

N°. 14. * Hardnekkige drooge kloven (rhagades).

N°. 15. * Verouderde hardnekkige zweren.

N°. 16. * Uitgebreide versterving

N°. 17. * Litteekens, gepaard met stoornis in de verrigtingen of met neiging tot weder opbreken.

N°. 18. * Uitgebreide verouderde verharding of verdikking van de huid of het onderhuids-bindweefsel z. a. pachydermia cruris, elephantiasis scroti, enz.

N°. 19. Hardnekkige en belangrijke vergrooting en verharding van watervaatsklieren: a. aan den hals; b. aan de oksels; c. in de liezen.

N°. 20. * Zeer stinkend algemeen of plaatselijk zweet, vooral aan den voetzool, vergezeld van een roosachtigen toestand of van hebbelijke zwelling der voeten.

N°. 21. * Plaatselijke zuchtige zwelling in belangrijken graad.

N°. 22. * Ziekelijke zamentrekking of verkorting van spieren, pezen, peesscheden of peesvliezen.

N°. 23. * Ontsteking of minder-voeding (atrophie) van spieren.

N°. 24. * Belangrijke verwondingen (vulnera).

N°. 25. * Verouderde scheuring (rhexis) van belangrijke spieren, pezen en banden, bijv. van den band der knieschijf, van de pees van Achillis, enz.

D. Ziekelijke veranderingen in de beenderen en gewrichten.

N°. 26. * Bindweefsel-pijpzweer.

N°. 27. * Beenbreuken.

N°. 28. * Beenvlies- of beenontsteking met beenverzwering en beenversterving (caries et necrosis) of daarna teruggebleven pijpzweer of cloaken-vorming.

N°. 29. a. Verminderde voeding (atrophie); b. buitengewone broosheid der beenderen.

N°. 30. Vaneenwijking van beenderen of van gedeelten daarvan (diastasis epiphysium).

N°. 31. * a. Ontwrichting; b. verslapping van spieren en banden met herhaalde (zoogenaamde atonische) ontwrichting.

N°. 32. * a. Gewrichtsontsteking, b. gewrichtswaterzucht (hydarthron), c. gewrichtsverstijving (anchylosis).

N°. 33. Uittering van een gewricht, bijv. van het heup- of schoudersgewricht (zoogenaamde morbus senilis articulorum).

N°. 34. * Tegennatuurlijke gewrichts-kraakbeenderen (zoogenaamde mures articulorum).

N°. 35. Tegennatuurlijke gewrichten na ontwrichtingen of beenbreuken (pseudarthrosis).

E. Gezwellen en voortbrengselen van ziekelijke groei.

N°. 36. * Hoornuitwassen.

N°. 37. Belangrijke of veelvuldige vet-, vezel-, slijm- of beursgezwellen.

N.B. Kleine niet hinderlijke vet- en beursgezwellen, alsmede de zoogenaamde lipknoop (nodulus) geven geene reden tot afkeuring.

N°. 38. Konde en verzakkings-ettergezwellen.

N°. 39. Kanker en andere kwaadaardige woekeringen.

N°. 40. Belangrijke peesknoopen (ganglia).

N°. 41. * Kraakbeenvorming in en verbeening van het bind- en spierweefsel, bijv. de zoogenaamde exerceerbeentjes.

N°. 42. * Gezwellen van het beenvlies, de beenderen en kraakbeenderen (hyperostosis, exostosis, enchondroma).

N°. 43. * Propgezwel (polyp): a. van de neusholte; b. van den voorhoofdsboezem; c. van den opperkaaksboezem; d. van het strottenhoofd of de luchtpijp; e. in het oor; fvan de keelholte en den slokdarm; g. van den endeldarms. enz.

N°. 44. * Zenuwgezwel (zenuwknoop, neuroma).

F. Ziekten der bloed- en watervaten.

N°. 45. * Ziekelijke verwijding der watervaten (lymphangiectasia).

N°. 46. * Watervaats-pijpzweer (fistula lymphatica).

N°. 47. * a. Slagaderbreuk (aneurysma); b. slagaderverbeening.

N°. 48. * Ziekelijke verwijding der haarvaten (teleangiectasia) met neiging tot verbloeding of ontaarding, of met belangrijke wanstaltigheid.

N°. 49. Groote en uitgebreide aderspatten (varices).

N.B. Hiervan moeten uitgezonderd worden de zoogenaamde huidadernetten (varicositas) en de soms sterke ontwikkeling van overigens gezonde aderen.

N°. 50. * Uit- of inwendige bloedvloeijingen, hetzij habituële, hetzij in aanmerkelijken graad; a. bloedspuwing (haemoptoë); b. bloedbraking (haematemesis); c. neusbloeding; d. bloedloop (melaena), enz.

G. Ziekten van het zenuwstelsel.

N°. 51. * Belangrijke minder-voeding van een of meer ledematen.

N°. 52. * Slepende of hebbelijke zenuwpijn in belangrijken graad, bijv. hoofdpijn, aangezigtspijn, zitbeens-zenuwpijn, maag-, darm-, nier-, lever-zenuwpijn, enz.

N°. 53. * Hardnekkige en aanhoudende hik.

N°. 54. * Hebbelijk beven (tremor artuum).

N°. 55. * St. Vitus-dans (chorea) en andere stuip- en krampachtige aandoeningen.

N°. 56. * Hebbelijke duizelingen.

N°. 57. * Hebbelijke zeeziekte.

N°. 58. * Vallende ziekte (epilepsia).

N°. 59. * Zinvang (catalepsia).

N°. 60. * Volkomen of onvolkomen, plaatselijke of algemeene verlamming van de bewegings- of van de gevoelszenuwen (paeresis, paralysis, hemiplega, paralysis agitans, progressieve spieratrophie, ataxie locomotrice progressive, enz.).

N°. 61. * Ruggemergs-ontsteking.

N°. 62. Heimwee, met vermagering of met blijkbare stoornis in de verrigtingen.

N°. 63. * Zwaarmoedigheid (melancholia) en andere ziekelijke wijzigingen in het voorstellingsvermogen (hypochondrie) in belangrijken graad.

N°. 64. * Slaapwandelen (somnambulismus).

N°. 65. * Zich tot een enkel punt bepalende waanzinnigheid (monomania).

N°. 66. Herhaalde dronkaards-waanzinnigheid (delirium tremens sive potatorum).

N°. 67. * Krankzinnigheid (mania).

N°. 68. Na krankzinnigheid overgebleven bijzondere voorbeschiktheid tot wederinstorting.

N°. 69. * Onnoozelheid (idiotismus) en stompzinnigheid (stupiditas).

N°. 70. Domheid (imbecillitas) in dien graad, dat de persoon onbekwaam is om in de dienst geoefend te worden.

H. Bloed- en bloedsontmengings-ziekten.

N°. 71. * a. Waterige gesteldheid van het bloed (hydraemia); b. algemeene zuchtige zwelling van het ligchaam (anasarca).

N°. 72. * Bloedarmoede en bleekzucht (anaemia, chlorosis, leukaemia).

N°. 73. * Verouderde hardnekkige scheurbuik.

N°. 74. * Beriberi.

N°. 75. * Bloedvlekziekte (morbus maculosus Werlhoffii).

N°. 76. * Sterk uitgedrukte klierziekige ligchaamsgesteldheid.

N°. 77. * Algemeen of plaatselijk rheumatismus in belangrijken graad.

N°. 78. Verouderde jicht en jichtknobbels.

N°. 79. * Bloederziekte (haemorrophilia).

N°. 80. * Pis- en suikerpisvloed (polyuria et diabetes mellitus).

N°. 81. Alcohol-kwaadsappigheid.

§ 2. ZIEKTEN EN GEBREKEN AAN HET HOOFD.

N°. 82. * Misvorming van het hoofd, waardoor het dragen van het hoofddeksel verhinderd wordt.

N°. 83. Het waterhoofd (hydrocephalus).

N°. 84. Het openblijven der fontanellen.

N°. 85. * a. Geheel of gedeeltelijk gemis van hoofdhaar in zoodanigen graad, dat de schedel niet genoegzaam is beschut of het dragen van het hoofddeksel bemoeijelijkt wordt; b. de zoogenaamde Poolsche vlecht.

N°. 86. * Hoofdzeer (tinea).

N°. 87. * Beenverlies door schedelwonden of na panboring.

N°. 88. * Belangrijke indrukken aan den schedel, met stoornis in de verrigtingen.

N°. 89. Hersenbreuk (hernia cerebri).

N°. 90. Belangrijke misvorming van den mond en verdikking van de lippen met belemmering in het kaauwen of spreken.

N°. 91. Splijting van de lip (zoogenaamde hazenlip) in belangrijken graad.

N°. 92. Verlies van de lip of van een belangrijk gedeelte daarvan.

N°. 93. * Aanhoudende speekselvloed in belangrijken graad.

N°. 94. * Mondontsteking en spruw (stomacace, aphthae) in belangrijken graad.

N°. 95. * Uitgebreide verzwering van het tandvleesch.

N°. 96. * Vezelgezwel van het tandvleesch in dien graad, dat daardoor het bijten, kaauwen en spreken bemoeijelijkt wordt.

N°. 97. * Verlies of beenbederf van het meerendeel der tanden en kiezen, met belemmering in het spreken, bijten en kaauwen.

N°. 98. Aangeboren splijting of toevallige scheiding van het beenig verhemelte (palatum fissum); aanmerkelijk verlies van zelfstandigheid of doorboring daarvan.

N°. 99. * Splijting of geheel of gedeeltelijk gemis van het zachte verhemelte, met stoornis in het spreken en slikken.

N°. 100. * Vergrooting met ontaarding van de lel, verlenging of splijting daarvan (uvula fissa), gepaard met stoornis in het spreken en slikken).

N°. 101. Vergroeijing van het zachte verhemelte met het hoofd van den slokdarm, met belemmering in het ademhalen, het slikken of het hooren.

N°. 102. * Geheel of gedeeltelijk verlies of misvorming van de boven- of onderkaak, met belemmering in het kaauwen of spreken.

N°. 103. * Verstijving (anchylosis) van de onderkaak.

N°. 104. * Pijpzweer: a. van den voorhoofdsboezem; b. van den opperkaaksboezem; c. van de boven- of onderkaak, met beenverzwering.

N.B. Tandfistels en geringe kaakfistels zijn hiervan uitgezonderd.

N°. 105. * Speekselfistels.

N°. 106. Buitengewone vergrooting, verkleining of splijting van de tong.

N°. 107. Geheel gemis van de tong of van een belangrijk gedeelte daarvan.

N°. 108. Vergroeijing van de tong met de wanden der mondholte of van de wangen met het tandvleesch, zoodat het spreken of het kaauwen daardoor belemmerd wordt.

N°. 109. * Stotteren en andere belemmeringen in het spraakvermogen, wanneer deze gebreken den man in eenige dienstverrigting hinderlijk kunnen zijn, bijv. de veiligheid van een post gevaar kunnen doen loopen.

N°. 110. Kikvorsch- of speekselgezwel (ranula) in belangrijken graad.

N°. 111. * Hebbelijke ontsteking en verzwering van de keel.

N°. 112. Hebbelijke ontsteking met belangrijke vergrooting en verharding van of steenvorming in de amandelen.

N°. 113. * Misvorming of geheel of gedeeltelijk verlies van den neus, met stoornis in de verrigtingen.

N°. 114. * a. Belangrijke doorboring of b. gemis van het middenschot van den neus met verzwering.

N°. 115. Geheele of gedeeltelijke vergroeijing der neusgaten, indien daardoor de ademhaling of de spraak wordt bemoeijelijkt.

N°. 116. * De kwaadaardige en voortknagende neuszweer (lupus).

N°. 117. * Inwendige neusverzwering (ozaena).

N°. 118. * Verouderde hardnekkige ontsteking van het neus-slijmvlies; met belemmering in de ademhaling of in de spraak (coryza habitualis).

N°. 119. * Zeer stinkende adem, als gevolg van ziektetoestanden.

N°. 120. * Belangrijke misvorming en vergroeijing van de oorschelp met het hoofd.

N°. 121. Gemis van de oorschelp.

N°. 122. * Misvorming van den uitwendigen gehoorgang met belangrijke belemmering van het gehoor.

N°. 123. * Vernaauwing van den uitwendigen gehoorgang, met belemmering van het gehoor.

N°. 124. * Sluiting (atresia) van den uitwendigen gehoorgang.

N°. 125. * Woekeringen in den uitwendigen gehoorgang of op het trommelvlies.

N°. 126. * Slepende ontsteking van het trommelvlies.

N°. 127. * Gemis of doorboring van het trommelvlies (perforatio tympani), met belangrijke belemmering van het gehoor.

N°. 128. * Verstopping vernaauwing of sluiting van de Eustachiaansche buis, met belemmering van het gehoor.

N°. 129. * Hardnekkige of telkens wederkeerende oorenvloed (otorrhoea).

N°. 130. * Slepende ontsteking, organische gebreken of zenuwstoornissen of van middel- en binnenoor, hardhoorendheid doofheid, gehoorverbijstering of hardnekkige oorsuizingen te weeg brengende.

N°. 131. * Doofstomheid (surdomutitas).

N°. 132. * Ontsteking van den traanzak met slijm-ettervloed (dacryocystitis, dacryorrhoa).

N°. 133. * Uitzetting van den traanzak (hernia sacci lacrymalis).

N°. 134. * Gezwellen van den traanzak.

N°. 135. Traanpijpzweer.

N°. 136. * Hebbelijke tranenvloed (epiphora) in aanmerkelijken graad.

N°. 137. * Hypertrophie en gezwellen van de traanklier.

N°. 138. Overvloedige huid in de binnen-ooghoeken (epicanthus), met belangrijke wanstaltigheid.

N°. 139. Geheele vergroeijing der oogleden, hetzij onderling, hetzij met den oogbol (ankyloblepharon et cymblepharon).

N°. 140. * Gedeeltelijke vergroeijing der oogleden, hetzij onderling, hetzij met den oogbol, in dien graad, dat het zien daardoor belangrijk wordt belemmerd, of dat het gebrek aanleiding geeft tot telkens terugkeerende ontsteking.

N°. 141. * Splijting der oogleden (coloboma palpebarum), zoodat het oog niet volkomen kan gesloten worden.

N°. 142. * Geheel of gedeeltelijk gemis van een der oogleden, zoodat het oog niet volkomen kan gesloten worden.

N°. 143. * Verkorting van het bovenste ooglid, zoodat het oog niet volkomen kan gesloten worden (zoogenaamd hazenoog, lagophtalmos).

N°. 144. * Hardnekkige ooglidskramp.

N°. 145. * Verlamming: a. van den opligter van het bovenste ooglid (blepharoptosis); b. van een oogbolsspier; c. van meer oogbolsspieren, in belangrijken graad.

N.B. Scheelzien op zich zelf is geene reden tot afkeuring.

N°. 146. * a. Buiten- of b. binnenwaartskeering der oogleden (ectropion, entropion).

N°. 147. * Binnenwaartsche stand der ooghaartjes (trichiasis, districhiasis).

N°. 148. * Beursgezwellen en andere gezwellen in de oogleden, in dien graad, dat het zien daardoor belangrijk belemmerd wordt.

N°. 149. * Geheel verlies der oogharen (maderosis).

N°. 150. * a. Verzwering; b. hardnekkige ontsteking van den ooglidsrand.

N°. 151. * Woekeringen op het oogbindvlies (granulationes) in zeer belangrijken graad.

N.B. Bij de zeemagt zal omtrent de geschiktheid der door deze ziekte, ook zelfs in ligten graad, aangetaste personen in de maritieme directien of in de kantoren van aanneming beslist worden.

N°. 152. * Atrophie van het ooglidsbindvlies, bijv. door trachoma.

N°. 153. * Slepende bindvlies-ontsteking.

N°. 154. * Oogbolsstuipen (nystagmus).

N°. 155. Verdrooging van den oogbol (ophtalmoxerosis).

N°. 156. Gedeeltelijke uitdrijving van den oogbol (protrusio bulbi), bijv. bij de ziekte van Basedow.

N°. 157. Uittering van een oogbol (phthisis, atrophia bulbi).

N°. 158. Gemis; a. van een oogbol; b. van beide oogbollen.

N°. 159. * Etterachtige oogontsteking.

N°. 160. Ontsteking van den geheelen oogbol.

N°. 161. * Hoornvliesontsteking: a. met of b. zonder vaatvorming.

N°. 162. * Vleugelvel (pterygium) in belangrijken graad.

N°. 163. * a. Geheele of gedeeltelijke verduistering van het regter hoornvlies in dien graad, dat de gezigtsscherpte tot op 1/10 of lager gedaald is; b. geheele verduistering van het linker hoornvlies, waarbij de gezigtsscherpte zoodanig afgenomen is, dat er niet meer dan lichtontwaring is overgebleven.

N°. 164. * Hoornvlieszweer of pijpzweer.

N°. 165. * Hoornvliesuitzetting; a. op het regter oog in dien graad, dat de gezigtsscherpte, tot op 1/10 of lager gedaald is; b. op het linker oog, met zoondanige vermindering der gezigtsscherpte, dat er niet meer dan lichtontwaring overgebleven is.

N°. 166. * Druifgezwel (staphyloma) van den harden oogrok en den haarband.

N°. 167. * Inwendig etteroog (hypopion).

N°. 168. * Bloeduitstorting in de voorste oogkamer.

N°. 169. * Ontsteking van den harden oogrok (scleritis).

N°. 170. * Ontsteking van den haarband (kyklitis).

N°. 171. * Gemis van den regenboog (erideremia).

N°. 172. * Aangeboren sluiting van den oogappel (atresia pupillae).

N°. 173. * Ontsteking van den regenboog en woekeringen of gezwellen aan dit vlies.

N°. 174. * Ontsteking van het vaatvlies.

N°. 175. * Verstopping van den oogappel (cataracta capsularis spuria).

N°. 176. * Afscheuring en gedeeltelijk gemis van den regenboog en verplaatsing van den oogappel (pupilla artificialis), met verminderde gezigtsscherpte:

a. op het regter oog in dien graad, dat deze op 1/10 of lager gedaald is;

b. op het linker oog in zoodanigen graad, dat er niet meer dan lichtontwaring overgebleven is.

N.B. Aangeboren splijting van den regenboog (coloboma iridis), op zich zelf is geen reden tot afkeuring.

N°. 177. * Vergroeijing van den regenboog met het hoornvlies (synechia anterior).

N°. 178. * Geheele of nagenoeg geheele vergroeijing van den regenboog met het lensbeursje (synechia posterior).

N°. 179. * Gemis van de lens (aphakia).

N°. 180. * Verplaatsing van de lens in dien graad, dat de gezigtsscherpte op het regter oog beneden 1/10 of op het linker oog beneden 1/20 gedaald is.

N°. 181. * Verduistering in het lensstelsel, graauwe staar (cataracta).

N°. 182. * a. Verduistering; b. vlokken in belangrijken graad, in het glasvocht.

N°. 183. * Blaasworm (cysticerus) en andere entozoa in 't oog.

N°. 184. * Groene staar (glaucoma).

N°. 185. * Bloeduitstorting in het glasvocht of tusschen de vliezen.

N°. 186. * Ontsteking van het netvlies met hare gevolgen, zooals; a. infiltratien; b. pigment-afzetting; c. atrophie.

N°. 187. * Loslating van het netvlies (solutio retinae).

N°. 188. * Zwarte staar met gemis van lichtontwaring (amaurosis).

N°. 189. * Gezigtszwakte (amblyopia): a. op het regter oog in dien graad, dat de gezigtsscherpte tot op 1/10 of lager gedaald is; b. op het linker oog, met zoodanige vermindering der gezigtsscherpte, dat er niet meer dan lichtontwaring overgebleven is.

N°. 190. * a. Ontsteking; b. atrophie der gezigtszenuw.

N°. 191. * Vaatverstopping der centrale netvlies-slagader (embolie).

N°. 192. * Halfzigtigheid (hemiopia).

N°. 193. * Verminderde netvlies-gevoeligheid (torporretinae) in belangrijken graad, met of zonder pigment-ontwikkeling.

N°. 194. * Bijziendheid (myopia) van 1/12 of hooger op het regter oog, dat is in dien graad, dat na opheffing van het accommodatie-vermogen door een bril van 1/12 (dat is met glazen van 12 Parijsche duimen of 32.48 centimeters negatieven brandpunts-afstand) en nog eerder met glazen van geringeren brandpunts-afstand kapitale (liefst antieke) drukletters, cijfers of figuren, zwart op wit, van 1 tot 10 centimeters hoogte en daaraan evenredige breedte en dikte (zie art. 10 b) op een afstand van 6 meters beter gezien worden dan door hoogere nommers (zwakkere glazen).

N°. 195. * Overziendheid (hypermetropia totalis van 1/[6 ½] op het regter oog, d. i. in dien graad, dat na opheffing van het accommodatie-vermogen, door een bril van + 1/[6 ½] (dat is met glazen van + 6 ½ Parijsche duimen of 17.95 centimeters positieven brandpunts-afstand) en nog eerder met glazen van geringeren brandpunts-afstand) kapitale (liefst antieke) drukletters, cijfers of figuren, zwart op wit, van 1 tot 10 centimeters hoogte en daaraan evenredige breedte (zie art. 10 b), op een afstand van 6 meters beter gezien worden dan door hoogere nommers (zwakkere glazen).

N°. 196. * Verschil van breking in de verschillende meridianen van het oog (astigmatismus) in zoodanigen graad, dat de gezigtsscherpte gedaald is, zoo als in N°. 180 is opgegeven.

N°. 197. * Verlamming van de accommodatie, kenbaar door oogappelverwijding (mydriasis), wanneer hierbij het duidelijk zien, hetzij met het bloote oog, hetzij met positieve glazen, slechts op een enkele afstand mogelijk is.

§ 3. ZIEKTEN EN GEBREKEN AAN DEN HALS.

N°. 198. Kropgezwel (struma).

N°. 199. * Vergroeijing van den eersten halswervel met den tweeden of met het achterhoofdsbeen (onbeweegelijkheid van het hoofd).

N°. 200. * Aanmerkelijk verdraaide of scheve stand van het hoofd (torticollis caput obstipum).

N°. 201. * Onwilkeurige beweging van het hoofd (zoogenaamd waggelhoofd).

N°. 202. * Aanhoudende heeschheid, te zwakke stem en stemmenloosheid, alsmede de zoogenaamde aspasia.

N°. 203. * Verlies of verzwering van het strotklepje.

N°. 204. * Ontsteking van het strottenhoofd.

N°. 205. * Ontsteking en verzwering van den slokdarm.

N°. 206. * Organische vernaauwing van den slokdarm.

N°. 207. * Hevige en dikwerf terugkeerende kramp van den slokdarm (dysphagia spasmodica).

N°. 208. * Verlamming van den slokdarm (dysphagia paralytica).

N°. 209. * Pijpzweer van den slokdarm.

N°. 210. * Herkaauwing (ruminatio habitualis) tengevolge van slokdarm-verwijding, gepaard met algemeene vermagering.

§ 4. ZIEKTEN EN GEBREKEN AAN DE BORST.

N°. 211. Buitengewone ontwikkeling der borsten, waardoor het dragen van de uniform bemoeijelijkt wordt.

N°. 212. Splijting van het borstbeen (fissura sterni).

N°. 213. Misvorming der borstkas, (bijv. pectus carinatum, sternentupoma, enz.) in belangrijken graat.

N.B. Bij het beoordeelen dezer afwijking moet als grondslag worden aangenomen, dat de bovenste perimeter der borstkas (over de tepels in de ademhalings-pauze gemeten) minstens 2 centimeters grooter behoort te zijn dan de halve ligchaamslengte van den onderzochten persoon.
Eene belangrijke indrukking van het borstbeen (sternentupoma) behoeft, bij voldoende uitkomst der zoo even bedoelde meting, geene reden tot afkeuring te zijn van werklieden, die dit gebrek als een gevolg der uitoefening van hun beroep verkregen hebben.

N°. 214. Belangrijke misvorming van het sleutelbeen, wanneer daardoor het dragen en behandelen der wapenen en van het ledergoed belemmerd wordt.

N°. 215. * Luchtpijpsbreuk (bronchocele).

N°. 216. * Ontsteking, verwijding of vernaauwing van de luchtpijp en luchtpijpstakken.

N°. 217. * Longluchtzucht (emphysema pulmonum) in belangrijken graad.

N°. 218. * Periodieke kortademigheid, met kramp der luchtpijpstakken (asthma periodicum).

N°. 219. * Etterborst (empyema).

N°. 220. * Borstvlies- en longontsteking.

N°. 221. * Borstwaterzucht (hydrothorax).

N°. 222. * Aanmerkelijke vergroeijingen van het borstvlies der ribben en der longen.

N°. 223. * a. Luchtspijps-; b. longknobbelzucht.

N°. 224. * Pijpzweer: a. van het strottenhoofd; b. van de luchtpijp; c. van de borstholte.

N°. 225. * Longbreuk (pneumocele).

N°. 226. Blaauwzucht (morbus coeruleus).

N°. 227. * Verplaatsing van het hart (ectopia cordis), met stoornis in de verrigtingen.

N°. 228. * Ontsteking: a. van het hart en b. van het hartzakje.

N°. 229. Waterzucht van het hartzakje (hydrops pericardii).

N°. 230. * Organische ziekten van het hart, met inbegrip van de zoogenaamde hartvang (angina pectoris).

N°. 231. * Dikwijls terugkeerende versnelling der hartbeweging zoogenaamde zenuwachtige hartkloppingen, met stoornis in de verrigtingen.

§ 5. ZIEKTEN EN GEBREKEN IN DE BUIKHOLTE.

N°. 232. * a. Ziekelijke eetlust, bijv. wolfshonger, hondshonger; b. onoverwinnelijke afkeer (idiosyncrasie) voor sommige spijzen, bijv. aardappelen.

N°. 233. * Ontsteking: a. van de maag; b. van de dunne darmen; c. van de dikke darmen; d. van den blinden darm.

N°. 234. * Maagverzwering, doorborende maagzweer.

N°. 235. * a. Persloop (dysenterie); b. darmverzwering (enterohelcosis); c. slepende en hardnekkige buik-, spijs- en chyloop (lienterie en fluxus coeliacus).

N°. 236. Indische spruw (aphthae tropicae).

N°. 237. * Vernaauwing: a. van den endeldarm; b. van den karteldarm.

N°. 238. * Hardnekkige etter- en slijmvloed van den endeldarm.

N°. 239. * Navelsplijting (urachus apertus).

N°. 240. * a. De tegennatuurlijke en b. de kunstmatig gevormde aars.

N°. 241. * Pijpzweer: a. van de buikholte; b. van de maag; c. van de lever; d. van de galblaas; e. van de milt; f. van de darmen.

N°. 242. * a. Liesbreuk; b. dijbreuk; c. navelbreuk; d. andere buik- en bekkenbreuken (herniae).

N.B. Bij reeds dienenden moet de bepaling van art. 8 in acht genomen worden indien de breuk door het dragen van een band goed in te houden is.
De zoogenaamde lieswands-dunheid heeft geene rede tot afkeuring.

N°. 243. * Vergroeijing van het net, de darmen of andere ingewanden, na buikwonden, beklemde breuken enz., met stoornis in de verrigtingen.

N°. 244. * a. Ontsteking; b. aanmerkelijke verkleining; c. aanmerkelijke vergrooting; d. verharding van de lever.

N°. 245. * Ettergezwel van de lever (abscessus hepatis).

N°. 246. * Ontaarding der lever.

N°. 247. * Wandelendende Milt.

N°. 248. * a. Ontsteking; b. belangrijke vergrooting: c. verharding of ontaarding van de milt.

N°. 249. * Ontsteking of belangrijke vergrooting en verharding van de alvleeschklier.

N°. 250. * a. Ontsteking; b. verettering; c. knobbelzucht der nier; d. Brigthsche ziekte (albuminuria); e. zoogenaamde wandelende nier.

N°. 251. * Verharding of ontaarding van de darmscheilsklieren.

N°. 252. * Hebbelijke buikwindzucht (tympanitis).

N°. 253. * Buikwaterzucht.

N°. 254. * Lintworm (taenia), wanneer daardoor belangrijke stoornis in de spijsvertering, de voeding, enz., te weeg gebragt wordt.

N.B. In 't bijzonder zij men hier bedacht op de bepaling van artt. 4 en 8.

§ 6. ZIEKTEN EN GEBREKEN IN DE BEKKENSTREEK.

N°. 255. * Misstand van de heup, vooral de hooge heup, in zoodanigen graad dat daardoor bij het gekleed individu nog eene belangrijke wanstaltigheid zigtbaar is.

N°. 256. * Volkomen of bijna volkomen gemis van de roede, zoodanig, dat de pisloozing niet zonder verontreiniging der kleederen geschieden kan.

N°. 257. * Zoogenaamde tweeslachtigheid (hermaphroditismus).

N°. 258. Splijting der roede (penis bifidus).

N°. 259. Aangeboren splijting van de pisblaas of gemis van den voorsten blaaswand (inversio vesicae).

N°. 260. * Vernaauwing van de voorhuid (phimosis) met zeer moeijelijke of pijnlijke pisloozing.

N°. 261. * Piswegslijting (hypo- et epispadias) in die vormen, waarbij de pisloozing niet zonder verontreiniging der kleederen geschieden kan.

N°. 262. * Slepende ontsteking van: a. de pisbuis; b. den bal of bijbal; c. de zaadstreng.

N°. 263. * Pisgezwel van : a. de roede; b. den balzak; c. den bilnaad.

N°. 264. * Vernaauwing van den pisweg.

N°. 265. * a. Terughouding van één of beide ballen in het lieskanaal, bij inspanning of ligchaamsbeweging pijnlijk zijnde; b. dwalende bal.

N°. 266. * Krampachtige optrekking van één of beide ballen tegen den uitwendigen liesring.

N°. 267. a. Verminderde voeding (atrophia); b. gemis der beide ballen.

N°. 268. Knobbelachtige ontaarding van den bal (tuberculosis testiculi).

N°. 269. * Pijpzweer van: a. den pisweg; b. den balzak; c. den bal, enz.

N°. 270. * a. Waterbreuk; b. bloedbreuk; c. aderbreuk van den balzak de zaadstreng of den bal in een zeer belangrijken graad.

N°. 271. Balzakverslapping in een zeer hoogen graad.

N°. 272. * Hebbelijke zaadvloed.

N°. 273. * Ontsteking en verzwering der pisblaas.

N°. 274. * Hebbelijk bloedwateren.

N°. 275. * a. Ontsteking; b. verharding en ontaarding van de voorstanderklier.

N°. 276. * Dikwerf terugkeerende pisopstopping (retentio urinae).

N°. 277. * Onwilkeurige afvloed der pis (incontinentia urinae).

N°. 278. * Splijting of verlamming der sluitspier van den aars, met onvermogen om de drekstoffen terug te houden.

N°. 279. * Voorvalling van den endeldarm.

N°. 280. * Hardnekkige aarskloven, met moeijelijken en pijnlijken stoelgang.

N°. 281. * Organische vernaauwing der aarsopening.

N°. 282. * Pijpzweer van den endeldarm.

N°. 283. * Groote speenadergezwellen (haemorrhoides), met stoornis in de verrigtingen.

§ 7. ZIEKTEN EN GEBREKEN AAN DEN RUG.

N°. 284. * Misstand van den schouder in zoodanigen graad, dat daardoor bij het gekleed individu nog eene belangrijke wanstaltigheid zigtbaar is.

N°. 285. Belangrijke misvorming van het schouderblad.

N°. 286. * Vleugelvormige afwijking van het schouderblad ten gevolg van spierverlamming (paralysis musculi serrati antici majoris).

N°. 287. * Verstijving van wervelgewrichten ( anchylosis spinae), met blijkbare belemmering in de beweging.

N°. 288. * Buitengewone blijvende kromming van de ruggegraat: a. zijdelingsche (scoliosis); b. achterwaartsche (kyphosis); c. voorwaartsche (lordosis).

N°. 289. Gespleten ruggegraat (hydrorachis).

N°. 290. Wervelgewrichts-ontsteking of ontaarding (spondylarthrocace).

§ 8. ZIEKTEN EN GEBREKEN AAN DE LEDEMATEN.

N°. 291. Te groote of te geringe omvang of lengte der ledematen, hetzij in hun geheel, hetzij gedeeltelijk.

N°. 292. Belangrijke verkromming der ledematen.

N°. 293. * Kwaardaardige nagelzweer.

N°. 294. * Splijting, misvorming en ontaarding der nagels, met pijn of belemmering in de beweging.

N°. 295. Gemis van alle of van de meeste nagels aan handen of voeten.

N°. 296. * Verplaatsingen van: a. de kniegewrichtskraakbeenderen; b. de ellepijpszenuw; c. het lange hoofd der pees van de tweehoofdige armspier, enz.

N°. 297. * Slijmbeurs-weigezwel (hygroma cysticunm): a. aan de knie; b. aan den elleboog, enz.

N°. 298. Aanmerkelijke vergroeijing van ledematen, onderling met den tronk, bijv. na verbranding.

N°. 299. * Vergroeijing van twee of meer beenderen onderling, bijv. van ellepijp en spaakbeen.

N°. 300. Gemis van het bovenste lid, geheel in het schoudergewricht of gedeeltelijk: a. in de lengte van het opperarmbeen; b. in het elleboogsgewricht; c. in de lengte van den voorarm; d. in het handgewricht of e. in de hand.

N°. 301. a. Geheel gemis van een der duimen of van een of meer der vingers; b.* gedeeltelijk gemis van een der duimen of van een of meer der overige vingers.

N°. 302. * Misvorming der hand met belemmering in de beweging.

N°. 303. Overtollige of gespleten vingers.

N°. 304. * Aaneengroeijing van twee of meer vingers.

N°. 305. * a. Verstijving; b. blijvende regte, gebogen of scheeve stand van een der duimen, van een of meer der overige vingers of vingerleden, in een graad dat daardoor de dienstverrigtingen bemoeijelijkt worden.

N°. 306. * Verlamming: a. van een der duimen; b. van een of meer vingers.

N°. 307. Gemis van het onderste lid, geheel in het heupgewricht, gedeeltelijk: a. in de lengte van het dijbeen; b. in het kniegewricht; c. in de lengte van het scheen- en kuitbeen; d. in het voetgewricht en e. in den voet.

N°. 308. * Mankgaan (claudicatio).

N°. 309. Verdraaijing of overkruising der onderste ledematen, bijv. na niet herstelde of aangeborene ontwrichting (zoogenaamde cladicatio spontanea).

N°. 310. * Buiten- of binnenwaartsche, voor- of achterwaartsche kromming van eene of beide knieën, waardoor het gaan zeer bemoeijelijkt wordt of militaire houding niet kan worden aangenomen.

N°. 311. * Misvorming of verkromming van den voet (zoogenaamde horrel- en platvoeten), waardoor het marcheren bemoeijelijkt wordt.

N.B. De vol- of breedvoet moet hieronder niet begrepen worden.

N°. 312. * Verzwering van de voetzool in belangrijken graad (mal de pied perforant).

N°. 313. Aaneengroeijing van al de teenen van een der voeten, wanneer het marcheren daardoor bemoeijelijkt wordt.

N°. 314. Buitenwaartsche stand van den grooten teen met misvorming van het navoets-gewricht, wanneer daardoor het marcheren bemoeijelijkt wordt.

N°. 315. * a. Verstijving (anchylosis); b. verkromming; c. over elkander ligging der teenen, waneer daardoor het marcheren of het dragen van het schoeisel bemoeijelijkt wordt.

N°. 316. a. Gemis van den grooten teen; b. gemis van den kleinen teen, met het navoetsbeen; c. gemis van twee of meer teenen aan een der voeten; d. gemis of verminking van het nagellid der meeste teenen aan een der voeten.

N°. 317. * Overtollige teenen, wanneer daardoor het marcheren of het dragen van het schoeisel belemmerd wordt.

Behoort bij het Koninklijk besluit van 3 Maart 1871, n°. 13 (Staatsblad, n°. 9.)

Ons Bekend,
De Minister van Oorlog,
A. ENGELVAART.
De Minister van Marine,
BROCX.
De Minister van Staat en van Binnenlandsche Zaken,
THORBECKE.

Voetnoot

1) Als maatstaf van volkomen gezigtsscherpte wordt ook in dit reglement aangenomen het vermogen om zwarte letters of daarmede overeenkomstige figuren op een witten grond onder een hoek van vijf minuten duidelijk te onderscheiden.

* Dit teeken wijst de ziekten en gebreken aan;
1°. welke meer dan andere aanleiding kunnen geven tot bedrog;
2°. waarvan de herkenning moeijelijk of niet altijd terstond mogelijk is;
3°. die door den ligten graad waarin zij bestaan of de geringe stoornis, die zij in de verrigtingen veroorzaken, geene afkeuring toelate;
4°. wier genezing binnen korten tijd verwacht kan worden.



Bron: Koninklijk Besluit N°. 13, opgenomen in de "Lijst der Wetten en besluiten vervat in het Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden" van 1871.



Deze pagina is voor het laatst gewijzigd op: 24 December 2017.