Militieregisters - Herziening van keuringseisen in 1881.

De gestelde keuringseisen van het reglement van 1871 en de daarop doorgevoerde wijziging van artikel 9 in 1878 maakten het noodzakelijk om in 1881 ook de artikelen 10 en 11 van het reglement aan te passen. Deze aanpassing was echter groter en omvatte een flink aantal van de nummers (61 om precies te zijn) waarop iemand afgekeurd kon worden, voornamelijk op het gebied van het zien.



(N°. 47.) BESLUIT van den 7den April 1881, tot wijziging der artt. 10 en 11 van het reglement op het geneeskundig onderzoek omtrent de geschiktheid voor de dienst bij de zee- en landmagt, vastgesteld bij Koninklijk besluit van 3 Maart 1871 (Staatsblad n°. 9).

WIJ WILLEM III, BIJ DE GRATIE GODS, KONING DER NEDERLANDEN, PRINS VAN ORANJE-NASSAU, GROOT-HERTOG VAN LUXEMBURG, ENZ., ENZ., ENZ.

Op de gemeenschappelijke voordragt van Onze Ministers van Oorlog, van Marine en van Binnenlandsche Zaken, van den 2den December 1880, Kabinet, litt. O42, van den 6den December 1880, letter B, n°. 67, en van 8 December 1880, litt. M, afdeeling M. S.;

Gezien Ons besluit van 3 Maart 1871 (Staatsblad n°. 9), houdende vaststelling van een nieuw reglement op het geneeskundig onderzoek omtrent de geschiktheid voor de dienst bij de zee- en landmagt;

Gezien Ons besluit van 10 Maart 1878 (Staatsblad n°. 16), tot wijziging van art. 9 van genoemd reglement;

Overwegende, dat het noodzakelijk is ook de artt. 10 en 11 van dat reglement te herzien;

Den Raad van State gehoord (advies van den 11den Januarij 1881, n°. 8);

Gelet op het nader gemeenschappelijke rapport van Onze Ministers voornoemd, van den 26sten Februarij 1881, litt. C7 (Kabinet), van den 28sten Februarij 1881, litt B, n°. 36, en van den 5den April 1881, n°. 371, afdeeling Militie en Schutterijen;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1.

Artikel 10 van voorschreven reglement wordt gelezen als volgt:

"Artikel 10.

Voor het gezigtsvermogen worden ten aanzien van hen, die zich voor de dienst bij de zee- of landmagt wenschen te verbinden, de navolgende eischen gesteld:

A. Hij, die als vrijwilliger bij de zee- of landmagt (onder het woord "vrijwilliger" hier niet te verstaan de vrijwilliger voor de militie) als adelborst, kadet of scheepsklerk verlangd te worden toegelaten, moet eene gezigtsscherpte bezitten van minsten 3/4 op één oog en van minstens 1/2 op het andere, te bepalen zonder aanwending van brilglazen. (1)

Wanneer door bijziendheid niet aan deze voorwaarden kan worden voldaan, is de adspirant nog geschikt te achten, indien hij, jonger dan 20 jaren zijnde, met negatieve spherische glazen van hoogstens 1 Dioptrie op beide oogen volkomen gezigtsscherpte verkrijgt, of indien hij, den leeftijd van 20 jaren bereikt of overschreden hebbende, die gezigtsscherpte met megatieve glazen van hoogstens 1.5 Dioptie erlangt.

B. Voor hem, die als officier of student voor de militaire geneeskundige of pharmaceutische dienst, als kweekeling voor de veeartsenijkundige dienst, als adspirant-kwartiermeester of in eenige andere militaire betrekking, waarbij scherpzien in de verte niet vereischt wordt, verlangt te worden toegelaten, gelden de volgende bepalingen:

1°. bij het aanwezig zijn van één normaal oog is gezigtszwakte of eene refractie-afwijking op het andere oog geene reden tot afwijzing, wanneer zonder aanwending van glazen niet minder dan 1/4 gezigtsscherpte verkregen wordt;

2°. bijziendheid van hoogstens 2 Dioptriën op beide oogen, die door een bril zoodanig gecorrigeerd wordt, dat het eene oog volkomen, het andere halve gezigtsscherpte verkrijgt, is geene reden tot afwijzing.

Aan de militairen sub B vermeld, wier gebrek onder de laatste alinea valt, wordt het dragen van een bril in dienst toegestaan.

Bij het onderzoek van het gezigtsvermogen moet steeds beproefd worden, of de persoon in staat is de hoofdkleuren duidelijk te onderscheiden; wordt een zekere graad van onvermogen hiertoe aangetroffen, dan behoort daarvan aanteekening te geschieden in den engagementsstaat en het stamboek, en bij de zeemagt óók op de eerste bladzijde van het conduiteboekje.

Wat de zeemagt betreft, dient te worden in acht genomen, dat zij, die als student voor de militaire geneeskundige of pharmaceutische dienst wenschen te worden toegelaten, - zij, die als officier van gezondheid of apotheker in dienst wenschen te treden, als ook adspirant-adelborsten, adspirant-scheepsklerken, adspirant-stuurmansleerlingen en adspirant-bootmansleerlingen (behoudens de hierboven bepaalde eischen) in het bezit moeten zijn van een volkomen kleuronderscheidingsvermogen op één oog en van minstens half-kleuronderscheidingsvermogen op het andere oog."

Artikel 2.

In art. 11 van genoemd reglement worden de nos. 133*, 136*, 137*, 141*, 142*, 143*, 144*, 145*, 146*, 147*, 148*, 149*, 150*, 151*, 152*, 153*, 154, 155, 156, 157, 158*, 159, 160*, 161*, 162*, 163*, 164*, 165*, 166*, 167*, 168*, 169, 170*, 171*, 172*, 173*, 174*, 175*, 176*, 177*, 178*, 179*, 180*, 181*, 182*, 183*, 184*, 185*, 186*, 187*, 188*, 189*, 189*, 190*, 191*, 192*, 193*, 194*, 195*, 196* en 197* gelezen als volgt:

n°. 133*. Uitzetting van den traanzak (hernia sacci (lacrymalis).

n°. 136*. Slepende tranenvloed (epiphora) in aanmerkelijken graad, hetzij met of zonder vernaauwing of sluiting in het gebied der traanwegen.

n°. 137*. a. Gezwellen van de traanklier;
b. fistel van de traanklier.

n°. 141*. Splijting der oogleden (coloboma palpebrarum), zoodat het oog niet volkomen kan gesloten worden en herhaalde ontsteking hiervan het gevolg is.

n°. 142*. a. Geheel of gedeeltelijk gemis van een der oogleden; b. verkorting van het bovenooglid (zoogenaamd hazenoog, lagophthalmos), zoodat het oog niet volkomen kan gesloten worden en herhaalde ontsteking hiervan het gevolg is.

n°. 143*. Hardnekkige ooglidskramp.

n°. 144*. Verlamming in belangrijken graad: a. van den opligter van het bovenooglid (blephartoptosis); b. van één oogbolspier of van meer oogbolspieren.
NB. Scheelzien op zich zelf is geene reden tot afkeuring.

n°. 145*. a. Buiten- of b. binnenwaartskeering der oogleden (ectropion, entropion);

n°. 146*. Binnenwaartsche stand der ooghaartjes (trichiasis, dis-trichiasis).

147*. Beursgezwellen in de oogleden in dien graad, dat het zien daardoor belangrijk belemmerd wordt.

148*. Geheel verlies der oogharen (maderosis).

149*. a. Verzwering; b. hardnekkige ontsteking van den ooglidsrand.

150*. Woekeringen op het oogbindvlies (granulationes) in belangrijken graad.
NB. Bij de zeemagt zal, behoudens het bepaalde bij art. 116 der wet van 19 Augustus 1861 (Staatsblad n°. 72), betrekkelijk de nationale militie, omtrent de geschiktheid der door deze ziekte, ook zelfs in ligten graad, aangetaste personen in de maritieme directien of in de kantoren van aanneming beslist worden.

n°. 151*. Atrophie van het ooglidsbindvlies, b.v. door trachomateuse ontsteking.

n°. 152*. Slepende bindvliesontsteking.

n°. 153*. Oogbolstuipen (nystagmus).

n°. 154. Verdrooging van den oogbol (ophthalmoxerosis).

n°. 155. Ziekte van Basedow.

n°. 156. Uittering (phthisis, atrophia bulbi): a. van een oogbol; b. van beide oogbollen.

n°. 157. Gemis: a. van een oogbol; b. van beide oogbollen.

n°. 158*. Etterachtige oogontsteking.

n°. 159. Ontsteking van den geheelen oogbol.

n°. 160*. Hoornvliesontsteking (keratitis).

n°. 161*. Vleugelvel (pterygium) in belangrijken graad.

n°. 162*. Verduisteringen of andere weefselveranderingen (b.v. staphyloma) van het hoornvlies:
a. van één oog, wanneer de gezigtsscherpte, zonder aanwending van glazen, tot 1/10 of lager is gedaald, en deze op het andere oog minder dan normaal is;
b. wanneer de gezigtscherpte van het verduisterde oog, zonder aanwending van glazen, meer dan 1/10, doch minder van 1/3 is, terwijl deze van het tweede oog, onverschillig door welke oorzaak, zonder aanwending van glazen, minder dan 2/3 bedraagt;
c. wanneer de gezigtsscherpte van één oog, zonder aanwending van glazen, minder bedraagt dan 1/20, ook wanneer het tweede oog normaal is.

n°. 163*. Hoornvlieszweer of fistel.

n°. 164*. Druifgezwel (staphyloma) van den harden oogrok.

n°. 165*. Inwendig etteroog (hypopyon).

n°. 166*. Bloeduitstorting in de voorste kamer.

n°. 167*. Ontsteking van den harden oogrok (scleritis).

n°. 168*. a. Ontsteking van den haarband (kyklitis); b. druifgezwel van den haarband (staphyloma corporis ciliaris).

n°. 169*. Gemis van den regenboog (irideremia).

n°. 170*. Aangeboren sluiting van den oogappel (atresia puppillae).

n°. 171*. Ontsteking van den regenboog en woekeringen of gezwellen aan dit vlies.

n°. 172*. Ontsteking van het vaatvlies.

n°. 173*. Verstopping van den oogappel (cataracta capsularis spuria).

n°. 174*. Afscheuring en gedeeltelijk gemis van den regenboog en verplaatsing van den oogappel (pupilla artficialis), met verminderde gezigtsscherpte, zoals in n°. 162* onder a, b en c is opgegeven. NB. Aangeboren splijting van den regenboog (coloboma iridis) op zich zelf is geene reden tot afkeuring.

n°. 175*. Vergroeijing van den regenboog met het hoornvlies (synechia anterior).

n°. 176*. Geheele of nagenoeg geheele vergroeijing van den regenboog met het lensbeursje (synechia posterior).

n°. 177*. Gemis van de lens (aphakia).

n°. 178*. Verplaatsing van de lens (luxatis lentis), met verminderde gezigtsscherpte, zooals in n°. 162* onder a, b en c is opgegeven.

n°. 179*. Verduistering in het lensstelsel, graauwe staar (cataracta).

n°. 180*. a. Troebelheid van het glasvocht; b. vlokken in belangrijken graad in het glasvocht.

n°. 181*. Blaasworm (cysticercus) en andere entozoa in het oog.

n°. 182*. Groene staar (glaucoma).

n°. 183*. Bloeduitstorting in het glasvocht of tusschen de vliezen.

n°. 184* Ontsteking van het netvlies met hare gevolgen, zooals: a. infiltratien; b. pigment-afzetting; c. atrophie.

n°. 185*. Loslating van het netvlies (solutio retinae).

n°. 186*. Bloedarmoede van het netvlies (ischaemia retinae).

n°. 187*. Gezwel van het netvlies (tumor retinae).

n°. 188*. Zwarte staar, met gemis van lichtontzwaring (amaurosis).

n°. 189*. Gezigtszwakte (amblyopia), wanneer de gezigtsscherpte is gedaald, zooals in n°. 162* onder a, b en c is opgegeven.

n°. 190* a. Ontsteking, b. atrophie der gezigtszenuw.

n°. 191*. Vaatverstopping der centrale netvliesslagader (embolie).

n°. 192*. Beperking van het gezigtsveld.

n°. 193*. Verminderde netvlies-gevoeligheid (torpor retinae).

n°. 194*. Bijziendheid (myopia):
a. van 3 tot 5 Dioptriën op één oog (te bepalen na opheffing van het accomodatievermogen), wanneer de gezigtsscherpte van het andere oog, zonder aanwending van glazen, minder bedraagt dan 1/3;
b. van 6 Dioptriën op één oog (te bepalen als boven), wanneeer de gezigtsscherpte van het andere oog, zonder aanwending van glazen, minder dan normaal is;
c. van 7 of meer Dioptriën op één oog, ook wanneer het andere oog normaal is.
Personen, die met bijziendheid op één oog in dienst zijn getreden, kunnen dit gebrek, ook al mogt dit later toegenomen zijn, nimmer doen gelden als reden tot afkeuring, zoolang het andere oog normaal is. Wanneer echter bijziendheid in dienst is toegenomen tot minstens 4 Dioptriën op beide oogen, dan is de bedoelde persoon hierdoor ongeschikt voor de dienst.

n°. 195*. Oververziend (hypermetropia totalis):
a. van 6 tot 7 Dioptriën op één oog, wanneer de gezigtsscherpte van het andere oog, zonder aanwending van glazen, minder bedraagt dan 1/3;
b. van 8 Dioptriën op één oog, wanneer de gezigtsscherpte van het andere oog, zonder aanwending van glazen, minder dan normaal is;
c. van 9 of meer Dioptriën op één oog, ook bij normalen toestand van het andere.
Personen, die met oververziendheid op één oog in dienst zijn getreden, kunnen dit gebrek nimmer als reden van afkeuring doen gelden, zoolang het tweede oog normaal is.

n°. 196*. Verschil van breking in twee tegenovergestelde meridianen van het oog (astigmatisme): a. van één oog met verminderde gezigtsscherpte, zonder aanwending van glazen, tot 1/10, indien de gezigtsschperte van het andere oog minder van 1/3 bedraagt; b. van één oog met verminderde gezigtsscherpte, zonder aanwending van glazen, tot benenden 1/20, ook wanneer het andere oog normaal is.

n°. 197*. Verlamming der accomodatie van beide oogen.

Artikel 3.

Dit besluit treedt in werking op den vijfden dag na de dagteekening van het Staatsblad en de Staatscourant, waarin het geplaatst is.

Onze Ministers van Oorlog, van Marine en van Binnenlandsche Zaken zijn, ieder voor zooveel hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad en gelijktijdig in de Staatscourant zal worden geplaatst, en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State.

's Gravenhage, den 7den April 1881.

WILLEM.

De Minister van Oorlog,
REUTHER.
De Minister van Marine,
TAALMAN KIP.
De Minister van Binnenlandsche Zaken,
SIX.

Uitgegeven den zes en twintigsten April 1881.
De Minister van Justitie
A. E. J. MODDERMAN

Voetnoten:

(1) Het oog is in het bezit van normale of volkomen gezigtsscherpte (s=1), wanneer het zwarte letters of figuren op een witten grond, onder een hoek van 5 minuten, duidelijk kan onderscheiden. De proeven worden genomen op een afstand niet minder dan 5 meter.



Bron:

Staatsblad 47 van het Koningrijk der Nederlanden, 1881, 01-01-1881. Geraadpleegd op Delpher op 19-12-2017.
Direct naar Staatsblad 47 met het betreffende besluit.



Deze pagina is voor het laatst gewijzigd op: 24 December 2017.