Reglement B behorend bij Koninklijk Besluit 1883-151

Het hieronder vermelde reglement en de bijbehorende staat, behorend bij Koninklijk Besluit 1883-151, bevat de uitsluitingsgronden voor de militaire dienst van de militieplichtigen en de vrijwilligers, plaatsvervangers of nummerverwisselaars bij de Nationale Militie.



B.

REGLEMENT op het geneeskundig onderzoek omtrent de geschiktheid voor den krijgsdienst van militieplichtigen en van hen, die als vrijwilliger, plaatsvervanger of nummerverwisselaar bij de Militie wenschen te worden toegelaten of als zoodanig zijn ingelijfd.

Artikel 1.

De geschiktheid voor den krijgsdienst van militieplichtigen en van hen die als vrijwilliger, plaatsvervanger of nummerverwisselaar bij de militie wenschen ten worden toegelaten of als zoodanig zijn ingelijfd, wordt onderzocht en beoordeeld overeenkomstig dit reglement.

Artikel 2.

Voor den krijgsdienst zijn ongeschikt de in het voorgaande artikel bedoelde personen, die ziekten of gebreken hebben, in art. 7 vermeld.

Artikel 3.

Ingelijfden bij de militie, van wie de geschiktheid voor den dienst onzeker is, kunnen tot onderzoek in eene maritieme of militaire ziekeninrichting worden opgenomen.

Ingelijfden bij de militie, die bevonden worden ziekten of gebreken te hebben, waarvan herstel binnen korten tijd mogelijk wordt geacht, kunnen ter beproeving van de genezing in eene maritieme of militaire ziekeninrichting worden verpleegd.

Voor hen, die ingelijfd zijn voor de lichting van het jaar waarin de inlijving plaats had, moeten het onderzoek in de eerste, en het beproeven van de genezing in de tweede zinsnede van dit artikel bedoeld, afgeloopen zijn ten minste tien dagen vóór het eindigen van den termijn, bij de wet betrekkelijk de nationale militie voor het bij Gedeputeerde Staten aanvragen van herkeuring bepaald.

Ingelijfden bij de militie, die ziekten of gebreken hebben in art. 7 vermeld, en op wie de vorige zinsnede niet van toepassing is, kunnen, wanneer geen verergering van de ziekten of gebreken te wachten is en deze zóó geringe misvorming of stoornis in de verrichtingen veroorzaken dat de deinst, waarvoor de ingelijfden bestemd zijn, in alle opzichten behoorlijk kan worden waargenomen, in dienst worden gehouden, tenzij zij wegens die ziekten of gebreken uit den dienst verlangen te worden ontslagen.

Het bepaalde bij de tweede en vierde zinsnede van dit artikel is, gedurende den tijd der wettelijke aansprakelijkheid van de vervangenen, niet van toepassing op de plaatsvervangers.

Het bepaalde bij de derde zinsnede geldt niet voor hen, die als vrijwilliger of als plaatsvervanger bij de militie zijn ingelijfd.

Artikel 4.

Indien het verrichten van eene heelkundige kunstbewerking uitzicht geeft op het terugkeeren van de geschiktheid voor den dienst, maar de ingelijfde er niet in toestemt die kunstbewerking te ondergaan, verliest hij hierdoor niet de aanspraak op ontslag uit den dienst of op pensioen welke hij hebben mocht.

Artikel 5.

In de verklaringen van ongeschiktheid voor of tot verdere waarneming van den militairen dienst worden vermeld de oorzaak, de aard, de gevolgen en de tijd van ontstaan der ziekten of gebreken, alsmede het nummer, waaronder zij in art. 7 omschreven zijn.

Bij de waardeering der oorzaak van het ontstaan en der gevolgen van de ziekten of gebreken wordt het volgende in acht genomen:

Buiten den dienst ontstaan zijn alle slepende ziekten en gebreken, welke binnen twaalf maanden na de indiensttreding tevoorschijn komen, zonder dat eene bepaalde oorzaak door den dienst daarvoor is aan te wijzen.

Hiertoe behooren derhalve aan de waarneming ontsnapte en verzwegen ziekten en gebreken, onder anderen enuresis, epilepsia, strictura urethrae.

In, doch niet door den dienst ontstaan zijn alle ziekten en gebreken, verkregen door eigen toedoen, bijv. tengevolge van dronkenschap, vechtpartijen (wanneer de persoon niet diensthalve daarbij tegenwoordig moest zijn), syphilis, zelfverminking, poging tot zelfmoord of tot het ontvluchten uit een kazerne, hospitaal, schip, arrestkamer, huis van detentie of provoost, zoomede die ziekten en gebreken, welke, ofschoon tijdens het in dienst zijn van den militair buiten diens schuld of opzet verkregen, echter niet kunnen worden begrepen onder die, in de volgende zinsnede bedoeld.

Door den dienst ontstaan zijn alle verwondingen of verminkingen, in den strijd bekomen of veroorzaakt door gevorderde of bevolen militaire diensten, zoomede alle ziels- of lichaamsgebreken, welke het gevolg zijn van omstandigheden, verrichtingen of vermoeienissen, aan de uitoefening van den militairen dienst verbonden.

In en door den dienst toegenomen zijn die ziekten en gebreken, welke bij het in dienst treden bekend en van lichten aard waren, maar gedurende den dienst zoodanig verergerd zijn, dat afkeuring moet geschienden; bijv. varicocèle, kleine aderspatten, scoliosis.

Bij het beoordelen van den graad der geschiktheid om, na afkeuring voor den dienst, door handenarbeid in het levensonderhoud te kunnen voorzien, moet in het oog gehouden worden, dat handenarbeid op te vatten is in den zin van zwaren arbeid, als daar zijn: veldarbeid, ploegen, spitten, het dragen van zware lasten.

In plaats van voortdurende ongeschiktheid zal het in vele gevallen verkieslijk zijn, aanvankelijk eene tijdelijke ongeschiktheid aan te nemen.

Bij de beoordeling in hoever "het gemis van het gebruik van een of meer ledematen" gelijk staat met "het verlies van het deel of de deelen", behoort de waardeering in vrijgevingen zin te geschieden.

Artikel 6.

Ingelijfden bij de militie te land, wier ziels- of lichaamstoestand hen niet doet vallen in de termen van art. 7, doch hen ongeschikt maakt voor den dienst van het korps of wapen waartoe zij behooren, kunnen worden overgeplaatst bij het korps of wapen, voor den dienst waarvan zij geschikt worden geoordeeld.

Artikel 7.

De ziekten en gebreken, in art 2. bedoeld, zijn:

§ 1. ZIEKTEN EN GEBREKEN WELKE NIET ALTIJD TOT BIJZONDERE LICHAAMSSTREKEN BEPERKT ZIJN.
a. Afwijkingen in de algemeene lichaamsgesteldheid.

1. Te groote omvang van het lichaam vooral van den buik, door vetvorming, gepaard met stoornis in de verrichtingen.

2. Te groote gestalte met eene zwakke lichaamsgesteldheid (het zoogenaamd uit de krachten gegroeid zijn).

3. Te geringe algemeene lichaamsontwikkeling.

4. Algemeene vermagering en algemeene lichaamszwakte.

5. Vervroegde ouderdomsgebreken (versleten lichaamsgestel).

6. Belangrijke misvorming van het lichaam.

7. Slepende en plaatselijke volbloedigheid, gepaard met belangrijke stoornis in de verrichtingen.

b. Ziekelijke gesteldheid van zachte deelen en algemeene bekleedselen.

8. Blijven ziekelijke verkleuring en ontkleuring der huid in belangrijken graad.

9. Verouderde hardnekkige huidziekten

10. Hardnekkige droge kloven.

11. Verouderde hardnekkige zweren.

12. Uitgebreide versterving.

13. Litteekens, gepaard met stoornis in de verrichtingen of met neiging tot weder openbreken.

14. Uitgebreide verouderde verharding en verdikking van de huid of van het onderhuidsbindweefsel.

15. Hardnekkige en belangrijke vergrooting en verharding van watervaatsklieren.

16. Zeer stinkend en algemeen en plaatselijk zweet, vooral aan de voetzool, vergezeld van een roosachtigen toestand of van slepende zwelling der voeten.

17. Slepende zuchtige zwelling in belangrijken graad van een of ander lichaamsdeel.

18. Blijvende samentrekking en verkorting van spieren, pezen, peesscheeden of peesvliezen, wanneer tengevolge daarvan de dienst niet kan worden waargenomen.

19. Voedingsstoornissen van spieren met belemmering in de verrichtingen.

20. Belangrijke verwondingen.

21. Scheuring en verplaatsing van belangrijke spieren, pezen of banden, met blijvende stoornis in de verrichtingen.

22. Hardnekkige bindweefselfistel.

c. Ziekelijke veranderingen in de beenderen en gewrichten.

23. Slecht genezen beenbreuken.

24. Slepende beenvliesontsteking, beenverzwering en beenversterving en de gevolgen dezer ziekten.

25. Belangrijke voedingsstoornissen van een of van meer beenderen met belemmering in de verrichtingen.

26. Vaneenwijking van beenderen of van gewrichtsuiteinden.

27. Verouderde en zich telkens herhalende ontwrichtingen.

28. Slepende gewrichtsontsteking en hare gevolgen.

29. Gewrichtsverstijving.

30. Gewrichtsmuizen met belangrijke stoornis in de verrichtingen.

31. Tegennatuurlijke gewrichten (pseudarthroses).

d. Gezwellen en voortbrengselen van ziekelijken groei.

32. Hoornuitwassen, die wanstaltigheid veroorzaken of hinderlijk zijn voor de uitoefening van den dienst.

33. Vet-, vezel-, slijm-, beurs-, kraakbeen- en zenuwgezwellen in belangrijken graad of in groot aantal, met stoornis in de verrichtingen.

34. Blaasworm- en echinococcusgezwellen.

35. Kwaadaardige gezwellen.

36. Belangrijke koude en verzakkingsabscessen.

37. Belangrijke peesknoopen.

38. Beenuitwassen, verbeening en kraakbeenvorming van het bind- of van het spierweefsel, die hinderlijk zijn voor de uitoefening van den dienst.

39. Poliepen in eene of andere lichaamsholte.

e. Ziekten der bloed- en watervaten..

40. Ware en valsche slagaderuitzetting.

41. Belangrijke ontaarding der slagaderwanden (atheroma).

42. Ziekelijke verwijding der haarvaten, met belangrijke ontaarding of wanstaltigheid.

43. Groote en uitgebreide aderspatten.

44. Watervaatsgezwellen en ziekelijke verwijding der watervaten.

45. Watervaatsfistel.

f. Ziekten van het zenuwstelsel.

46. Slepende ziekten der hersenen of van hare vliezen.

47. Slepende ziekten van het ruggemerg of van zijne vliezen.

48. Volkomene en onvolkomene verlamming van zenuwen of spieren, wanneer tengevolge daarvan de dienst niet kan worden waargenomen.

49. Slepende zenuwpijn in belangrijken graad.

50. Aanhoudend beven van een of van meer ledematen.

51. St. Vitusdans (chorea).

52. Hardnekkige periodieke spierkrampen.

53. Hardnekkige telkens terugkeerende hik.

54. Vallende ziekte (epilepsia).

55. Zinvang (catalepsia).

56. Slaapwandelen (somnambulismus).

57. Duizelingen en zeeziekte, wanneer zij aanhoudend zijn of telkens terugkeeren.

58. Duidelijk uitgedrukt heimwee, wanneer het zich herhaalt na verlof of na overplaatsing.

59. Belangrijke overprikkeling van het zenuwstelstel (erethismus nervosus).

60. Ziekte van Basedow.

61. Ziekelijke wijzigingen in het voorstellingsvermogen (hyponchondria)

62. Krankzinnigheid in hare verschillende vormen.

63. Na krankzinnigheid overgebleven bijzondere voorbeschiktheid tot wederinstorting.

64. Onnoozelheid (idiotismus).

65. Stompzinnigheid (stupiditas).

66. Domheid (imbecilititas) in dien graad, dat de persoon ongeschikt blijkt te zijn om in den dienst geoefend te worden.

g. Algemene ziekten.

67. Belangrijke bloedarmoede en bloedontmenging in hare verschillende vormen.

68. Bloedvlekziekte (morbus maculosus Werlhoffii).

69. Bloederziekte (haemophilia).

70. Verouderde hardnekkige scheurbuik

71. Ziekte van Addison.

72. Beri-beri.

73. Klierziekte (scrofulosus) in belangrijken graad.

74. Rheumatismus in belangrijken graad.

75. Verouderde jicht.

76. Pisvloed (diabetes insipidus) en suikerziekte (diabetes mellitus).

77. Kwaadsappigheid tengevolge van langdurig en aanhoudend misbruik van bedwelmende of verdoovende middelen.

78. Syphilis-kwaadsappigheid (syphilis inveterata).

79. Kwaadsappigheid tengevolge van slepende metaalvergiftiging.

80. Moeraskoorts-kwaadsappigheid.

81. Droes en huidworm.

h. Vreemde lichamen en concrementen.

82. Vreemde lichamen en concrementen in een of ander lichaamsdeel of lichaamsholte met belangrijke stoornis in de verrichtingen.

§ 2. ZIEKTEN EN GEBREKEN AAN BIJZONDEREN LICHAAMSSTREKEN.
Hoofd.

83. Misvorming van het hoofd, waardoor het dragen van het hoofddeksel verhinderd wordt.

84. Opengebleven fontanellen.

85. Uitgebreide en ongeneeslijke kaalhoofdigheid in dien graad, dat de schedel niet genoegzaam beschut of het dragen van het hoofddeksel bemoeilijkt wordt.

86. Poolsche vlecht.

87. Ongeneeslijk hoofdzeer.

88. Beenverlies aan den schedel in belangrijken graad.

89. Indrukking van den schedel met stoornis in de verrichtingen.

90. Hersenbreuk.

91. Geheel en gedeeltelijk verlies en misvorming van den neus met stoornis in de verrichtingen.

92. Verlies van een aanmerkelijk gedeelte van het neusmiddelschot.

93. Wolfszweer (lupus).

94. Stinkende inwendige neusverzwering (ozaena).

95. Verouderde hardnekkige ontsteking van het neusslijmvlies.

96. Gedeeltelijke sluiting en misvorming van den mond door uitgebreide vergroeiing van de lippen of van de wangen.

97. Verlies van een belangrijk gedeelte van de lip.

98. Eenvoudige en samengestelde splijting van de lip met of zonder splijting van het harde gehemelte.

99. Verlies van zelfstandigheid en doorboring van het harde of van het zachte gehemelte, met stoornis in het spreken of in het slikken.

100. Vergrooting, ontaarding en verlies van de lel, gepaard met stoornis in het spreken of in het slikken.

101. Ongeneeslijke speekselvloed in belangrijken graad.

102. Uitgebreide hardnekkige verzwering van het slijmvlies der mondholte.

103. Zeer stinkende adem.

104. Verlies van het meerendeel der tanden en kiezen, met belemmering in het spreken, in het bijten of in het kauwen.

105. Geheel en gedeeltelijk verlies en misvorming van de boven- of van de onderkaak, met belemmering in het kauwen of in het spreken.

106. Verouderde fistel van den voorhoofds- of van den onderkaaksboezem.

107. Ongeneeslijke speekselfistel.

108. Vergrooting, verkleining en gedeeltelijk gemis van de tong, wanneer door die gebreken het spreken of het slikken bemoeilijkt wordt.

109. Hardnekkige slepende ziekten van de tong.

110. Vergroeiing van de tong met het slijmvlies der mondholte of van de wangen met het tandvleesch, zoodat daardoor het spreken of het kauwen belemmerd wordt.

111. Stotteren en andere belemmeringen in het spraakvermogen, wanneer deze gebreken hinderlijk zijn voor de uitoefening van den dienst.

112. Kikvorsch- en speekselgezwel (ranula) in belangrijken graad.

113. Hardnekkige ontsteking en slepende verzwering van de keel.

114. Slepende ontsteking der amandelen met belangrijke vergrooting en verharding.

115. Belangrijke misvorming van de oorschelp en vergroeiing van deze met de huid van het hoofd.

116. Gemis van de oorschelp.

117. Doofheid en hardhoorigheid op beide ooren in dien graad, dat fluisterend gesproken woorden op één meter afstand niet verstaan kunnen worden.

118. Sluiting, vernauwing en woekeringen van den uitwendigen gehoorgang met belemmering in het hooren, zooals in no. 117 is omschreven.

119. Slepende ontsteking en woekeringen van het trommelvlies.

120. Gemis en doorboring van het trommelvlies met belemmering in het hooren, zooals in no. 117 is omschreven.

121. Sluiting en vernauwing van de Eustachiaansche buis met belemmering in het hooren, zoals in no. 117 is omschreven.

122. Hardnekkige en telkens terugkeerende oorenvloed.

123. Slepende ontsteking, organische gebreken en zenuwstoornissen van het middel- of van het binnenoor met hardnekkige oorsuisingen of met belemmering in het hooren, zoals in no. 117 is omschreven.

124. Doofstomheid.

125. Slepende ontsteking van den traanzak (dacryocystitis chronica)

126. Uitzetting van den traanzak (hernia sacci lacrymalis).

127. Gezwellen van den traanzak.

128. Fistel van den traanzak.

129. Slepende tranenvloed (epiphora) in belangrijken graad, met of zonder vernauwing of sluiting van een gedeelte der traanwegen.

130. Gezwellen van de traanklier.

131. Fistel van de traanklier.

132. Overvloedige huid in den binnenooghoek (epicanthus) met belangrijke wanstaltigheid.

133. Geheele vergroeiing der oogleden, onderling of met den oogbol.

134. Gedeeltelijke vergroeiing der oogleden, onderling of met den oogbol, in dien graad dat daardoor het zien belangrijk wordt belemmerd, of dat het gebrek aanleiding geeft tot telkens terugkeerende ontsteking.

135. Splijting van het ooglid (coloboma palpebrae), zoodat het oog niet volkomen kan gesloten worden en herhaalde ontsteking hiervan het gevolg is.

136. Geheel en gedeeltelijk gemis van een der oogleden.

137. Verkorting van het bovenooglid en die toestand, waarbij het oog niet volkomen gesloten worden en herhaalde ontsteking het gevolg is van deze gebreken.

138. Hardnekkige ooglidskramp.

139. Verlamming in belangrijken graad van den oplichter van het bovenooglid.

140. Volkomene verlamming van een of van meer oogbolspieren.

141. Oogbolstuipen (nystagmus).

142. Buiten- en binnenwaartskeering der oogleden (ectropion, entropion).

143. Binnenwaartsche stand der ooghaartjes (trichiasis, distichiasis).

144. Beurs- en andere gezwellen in de oogleden in dien graad, dat daardoor het zien belangrijk belemmerd wordt.

145. Geheel verlies der ooghaartjes (maderosis).

146. Verzwering en hardnekkige ontsteking van den ooglidsrand (blepharitis chronica).

147. Woekeringen op het oogbindvlies in belangrijken graad (de verschillende vormen van trachoma).

148. Hardnekkige slepende oogbindvliesontsteking.

149. Etterachtige oogontsteking.

150. Atrophie van het ooglidsbindvlies.

151. Verdroging van den oogbal (ophthalmoxerosis).

152. Uittering (phthisis) en atrhopie van een oogbol.

153. Gemis van een oogbol.

154. Slepende en telkens terugkeerende hoornvliesontsteking.

155. Vleugelvel (pterygium) in belangrijken graad.

156. Verduisteringen en andere weefselveranderingen van het hoornvlies met vermindering van de gezichtsscherpte:
a. van het rechteroog tot 1/3 of lager, ook indien het linkeroog normaal is;
b. van het rechteroog tot tot 1/2, als de gezichtsscherpte van het linkeroog tot 1/4 is verminderd;
c. van het linkeroog tot 1/10, als de gezichtsscherpte van het rechteroog minder dan 1 is.
d. van het linkeroog tot 1/20, ook indien het rechteroog normaal is.
De gezichtsscherpte te bepalen zonder aanwending van glazen.

157. Hardnekkige en telkens terugkeerende hoornvlieszweer.

158. Fistel van het hoornvlies.

159. Slepende ontsteking van den harden oogrok.

160. Druifgezwel (staphyloma) van den harden oogrok.

161. Gemis van den regenboog.

162. Aangeboren sluiting van den oogappel (atresia puppillae).

163. Slepende ontsteking, woekeringen en gezwellen van den regenboog.

164. Verstopping van den oogappel (cataracta capsularis spuria).

165. Afscheuring en gedeeltelijk gemis van den regenboog en verplaatsing van den oogappel (pupilla artificialis), indien zij gepaard gaan met verminderde gezichtsscherpte, zoals in no. 156 is omschreven.
Aangeboren splijting van den regenboog (coloboma iridis) op zich zelf maakt niet ongeschikt.

166. Vergroeiiing van den regenboog met het hoornvlies (synechia anterior).

167. Geheele en nagenoeg geheele vergroeiing van den regenboog met het lensbeursje (synechia posterior).

168. Verduistering in het lensstelsel met verminderde gezichtsscherpte, zooals in no. 156 is omschreven.

169. Verplaatsing van de lens (luxatio lentis) met verminderde gezichtsscherpte, zooals in no. 156 is omschreven.

170. Gemis van de lens (aphakia).

171. Slepende ontsteking van den haarband (kyklitis chronica).

172. Druifgezwel van den haarband (staphyloma corporis ciliaris).

173. Ontsteking van het vaatvlies (chorioiditis) en hare gevolgen.

174. Ontsteking van den geheelen oogbol (panophthalmitis).

175. Groene staar (glaucoma).

176. Troebelheid van en vlokken in het glasvocht in belangrijken graad.

177. Blaasworm (cystericercus) en andere entozoa in het oog.

178. Gezwellen in het oog.

179. Bloeduitstorting in het glasvocht of tusschen de vliezen van het oog.

180. Ontsteking van het netvlies en hare gevolgen.

181. Ontaarding van het netvlies, al of niet met pigmentafzetting (retinitis pigmentosa).

182. Beperking van het gezichtsveld.

183. Verminderde netvliesgevoeligheid (torpor retinae).

184. Loslating van het netvlies (solutio retinae).

185. Bloedarmoede van het netvlies (ischaemia retinae).

186. Gezichtszwakte (amblyopia), wanneer de gezichtsscherpte is gedaald, zooals in no. 156 is omschreven.

187. Gemis van lichtontwaring (zwarte staar, amaurosis).

188. Ontsteking en atrophie van de gezichtszenuw.

189. Vaatverstopping der centrale netvliesslagader.

190. Bijziendheid (myopia), te bepalen na opheffing van het accomodatievermogen of met een refractie-oogspiegel:
a. van 2.5 en meer Dioptrieën van het rechteroog, ook wanneer het linkeroog normaal is;
b. van 7 of meer Dioptrieën van het linkeroog, ook wanneer het rechteroog normaal is.

191. Oververziendheid (hypermetropia), te bepalen zooals bij no. 190 is aangegeven:
a. van 6 of meer Dioptrieën van het rechteroog, ook wanneer het linkeroog normaal is;
b. van 9 of meer Dioptrieën van het linkeroog, ook wanneer het rechteroog normaal is.

192. Verschil van breking in twee tegenovergestelde meridianen van het oog (astigmatismus),
a. van het rechteroog, wanneer de gezichtsscherpte tot 1/3 of lager is verminderd, ook wanneer deze van het linkeroog = 1 is;
b. van het linkeroog, wanneer de gezichtsscherpte minder dan 1/20 bedraagt, ook wanneer deze van het rechteroog =1 is.

193. Blijvende verlamming der accommodatie van beide oogen.

Hals.

194. Vergroeiing van een of van meer halswervels, met belemmering in de beweging van het hoofd.

195. Belangrijk verdraaide en scheeve stand van het hoofd.

196. Onwillekeurige bewegingen van het hoofd (waggelhoofd).

197. Kropgezwel en zwelling aan den hals, waardoor het ademhalen of het dragen der uniform bemoeilijkt wordt.

198. Aangeboren halscyste.

199. Fistel van het strottenhoofd of van de luchtpijp.

200. Verlies en belangrijke misvorming van het strottenklepje.

201. Slepende ontsteking van het strottenhoofd.

202. Blijvende heeschheid, stemmeloosheid en te zwakke stem.

203. Slepende ontsteking van den slokdarm.

204. Organische vernauwing van den slokdarm.

205. Hevige en dikwerf terugkeerende kramp van den slokdarm.

206. Verlamming van den slokdarm.

207. Plaatselijke verwijding van den slokdarm, met stoornis in de spijsvertering of met algemeen vermagering.

208. Slokdarmfistel.

Borst.

209. Buitengewone ontwikkeling der borstklier, waardoor het dragen van de uniform bemoeilijkt wordt.

210. Splijting van het borstbeen.

211. Misvorming der borstkas in belangrijken graad.

212. Onvoldoend ontwikkelde borstkas.

213. Belangrijke misvorming van het sleutelbeen, wanneer daardoor het dragen van het ledergoed en het behandelen of dragen der wapenen belemmerd worden.

214. Slepende ontsteking van de luchtpijp of van de luchtpijptakken.

215. Vernauwing van de luchtpijp.

216. Verwijding van de luchtpijpstakken (bronchiectasis).

217. Slepende longontsteking.

218. Slepende borstvliesontsteking.

219. Emphysema der longen met belangrijke stoornissen in de ademhaling of in den bloedsomloop.

220. Etterborst (empyema).

221. Borstwaterzucht (hydrothorax).

222. Belangrijke vergroeiingen van het borstvlies der ribben en der longen.

223. Dikwijls terugkeerende asthmatische aanvallen, ook zonder herkenbare organische afwijkingen der borstorganen.

224. Telkens terugkeerende bloedspuwing (haemoptoë).

225. Luchtpijps- en longknobbelzucht (tuberculosis).

226. Fistel van de borstholte.

227. Longbreuk (pneumocèle).

228. Verplaatsing van het hart (ectopia cordis) met stoornis in de verrichtingen.

229. Slepende ontsteking van het hart of van zijne vliezen (myo-, peri- et endocarditis).

230. Klapvliesgebreken van het hart of van de groote vaten.

231. Vergrooting en vetontaarding van het hart met stoornis in de verrichtingen.

232. Hartvang (angina pectoris).

233. Dikwijls terugkeerende versnelde hartkloppingen, wanneer tengevolge daarvan de dienst niet kan worden waargenomen.

Buik.

234. Belangrijke ziekelijke wijzigingen in den eetlust of in de spijsvertering.

235. Slepende ontsteking van het spijsverteringskanaal of van een gedeelte daarvan.

236. Maagzweer en hare gevolgen.

237. Zweren in het darmkanaal en hare gevolgen.

238. Slepende buikloop.

239. Slepende persloop (dysenteria chronica).

240. Indische spruw (aphthae tropicae).

241. Vernauwing van een gedeelte van het darmkanaal.

242. Hardnekkige etter- en slijmvloed van den endeldarm.

243. Ontaarding en gezwellen van de darmscheilklieren.

244. Slepende darmwindzucht (tympanitis).

245. Voortdurende hardnekkige stoelverstopping, als gevolg van ziekte of van langdurig verblijf in het tropisch klimaat.

246. Slepende ontsteking, vergroeiing en gezwellen van het net- of van het buikvlies.

247. Navelsplijting (urachus apertus).

248. Fistel van een der organen van den spijsverteringstoestel.

249. Tegennatuurlijke en kunstmatig gevormde aars.

250. Ingewandsbreuken.

251. Slepende ziekten van de lever.

252. Telkens terugkeerende galsteenkoliek en andere slepende ziekten van de galblaas of van de galwegen.

253. Wandelende milt.

254. Belangrijke vergrooting en andere slepende ziekten van de milt met stoornis in de verrichtingen.

255. Slepende ziekten van de alvleeschklier.

256. Wandelende nier.

257. Slepende nierziekten.

258. Telkens terugkeerende niersteenkoliek.

Bekkenstreek en geslachtsdeelen.

259. Geheel gedeeltelijk gemis en misvorming van de roede, zoodat de pisloozing niet zonder verontreiniging der kleederen kan geschieden.

260. Uitwendige tweeslachtigheid (hermaphroditismus).

261. Gemis van den voorsten blaaswand (ectopia vesicae).

262. Vernauwing van de voorhuid met belangrijke stoornis in de pisloozing.

263. Aangeboren gebreken van de pisbuis (hypo-et epispadia), waarbij de pisloozing niet zonder verontreiniging der kleederen kan geschieden.

264. Slepende ontsteking met vernauwing van den pisweg.

265. Piswegfistel.

266. Slepende ontsteking en zwelling van den bal, van den bijbal, van de zaadstreng of van hunne vliezen.

267. Terughouding van een of van beide ballen in het lieskanaal, wanneer tengevolge daarvan de dienst niet kan worden waargenomen.

268. Dwalende bal.

268. Gemis van de ballen en terugblijven van beide in de buikholte.

270. Belangrijke ontaarding van den bal.

271. Fistel van den bal, van den bijbal of van den zaadstreng.

272. Waterbreuk in belangrijken graad van den bal of van de zaadstreng.

273. Aderbreuk van de zaadstreng (varicocèle) in belangrijken graad.

274. Balzakverslapping in belangrijken graad.

275. Slepende zaadvloed met algemeene vermagering.

276. Onwillekeurige afvloed van de pis (incontinentia urinae).

277. Dikwijls terugkeerende belemmering in de pisloozing (retentio urinae).

278. Slepende ontsteking, vergrooting en ontaarding der voorstanderklier.

279. Slepende ontsteking van de pisblaas en hare gevolgen.

280. Aanhoudend en telkens terugkeerend bloedwateren (haematuria).

281. Blaassteen.

282. Nieuwvormingen in de pisblaas.

283. Splijting en verlamming der sluitspier van den aars met onvermogen om de drekstoffen terug te houden.

284. Blijvende en telkens terugkeerende uitzakking van den endeldarm.

285. Hardnekkige aarskloven met belangrijke stoornis in den stoelgang.

286. Vernauwing van de aarsopening.

287. Fistel van den endeldarm.

288. Groote speenadergezwellen (haemorrhoides) met belangrijke stoornis in de verrichtingen.

Rug.

289. Misstand van den schouder in dien graad, dat daardoor bij den gekleeden man wanstaltigheid duidelijk zichtbaar is.

290. Belangrijke misvorming van het schouderblad.

291. Belangrijke vleugelvormige afwijking van het schouderblad.

292. Verstijving van wervelgewrichten, wanneer tengevolge daarvan de dienst niet kan worden waargenomen.

293. Buitengewone blijven kromming van de wervelkolom (scoliosis, kyphosis, lordosis).

294. Gespleten ruggegraat (hydrorachis, spina bifida).

295. Slepende ontsteking en ontaarding der wervelgewrichten.

296. Misstand van de heup in dien graad, dat daardoor bij den gekleeden man wanstaltigheid duidelijk zichtbaar is.

Ledematen.

297. Te groote of te geringe omvang of lengte der ledematen in hun geheel of voor een gedeelte.

298. Belangrijke verkromming der ledematen.

299. Belangrijke vergroeiing van gedeelten van ledematen met elkaar of met de huid van den romp.

300. Aaneengroeiing van beenderen, wanneer tengevolge daarvan de dienst niet kan worden waargenomen.

301. Geheel en gedeeltelijk gemis van een der bovenste ledematen.

302. Misvorming van de hand, wanneer tengevolge daarvan de dienst niet kan worden waargenomen.

303. Geheel gemis van een duim of van een vinger, wanneer tengevolge daarvan de dienst niet kan worden waargenomen.

304. Gedeeltelijk gemis van een duim of van een vinger, wanner tengevolge daarvan de dienst niet kan worden waargenomen.

305. Blijvende rechte, gebogen of scheeve stand en verstijving van een duim, van een vinger of van vingerleden, wanneer tengevolge daarvan de dienst niet kan worden waargenomen.

306. Verlamming van een duim of van een vinger, wanneer tengevolge daarvan de dienst niet kan worden waargenomen.

307. Een of meer overtollige en gespleten duimen en vingers.

308. Aaneengroeiing van vingers of van een vinger met den duim.

309. Geheel en gedeeltelijk gemis van een der onderste ledematen.

310. Mankgaan (claudicatio).

311. Verdraaiing en overkruising der onderste ledematen.

312. Buiten- en binnenwaartsche, vóór- en achterwaartsche kromming van eene of van beide knieën, waardoor het gaan bemoeilijkt wordt of de militaire houding niet kan worden aangenomen.

313. Verplaatsing en tegennatuurlijke beweeglijkheid van de kniegewrichts-kraakbeenderen of van de knieschijf.

314. Slijmbeursgezwel van de knieschijf (hygroma praepatellare) in belangrijken graad.

315. Misvorming en verkromming van den voet, waardoor het marcheeren of het dragen van het schoeisel bemoeilijkt wordt.

316. Aaneengroeiing van teenen, wanneer daardoor het marcheeren of het dragen van het schoeisel bemoeilijkt wordt.

317. Buiten- en binnenwaartsche stand van den grooten teen, wanneer daardoor het marcheeren of het dragen van het schoeisel bemoeilijkt wordt.

318. Verstijving, verkromming en misstand van teenen, wanneer daardoor het marcheeren of het dragen van het schoeisel bemoeilijkt wordt.

319. Gemis aan een der voeten van ten minste twee teenen of van den grooten teen.

320. Gemis van een kleinen teen met het navoetsbeen.

321. Geheel en gedeeltelijk verlies van het nagellid van de meeste teenen aan een der voeten.

322. Een of meer overtollige teenen, wanneer daardoor het marcheeren of het dragen van het schoeisel bemoeilijkt wordt.

323. Doorborende voetzweer (malum perforans pedis).

324. Ongeneeslijke eeltvorming in dien graad dat daardoor het marcheeren bemoeilijkt wordt.

325. Blijvend gemis van nagels aan eene hand of aan een voet, wanneer tengevolge daarvan de dienst niet kan worden waargenomen.

326. Splijting, misvorming en ontaarding van een of van meer nagels, wanneer tengevolge daarvan de dienst niet kan worden waargenomen.

327. Kwaadaardige nagelzweer.

Behoort bij het Koninklijk besluit van 2 November 1883 (Staatsblad no. 151).

Ons bekend,

De Minister van Oorlog,
WEITZEL.
De Minister van Marine,
F. L. GEERLING
De Minister van Binnenlandsche Zaken,
HEEMSKERK



Bron:

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1883, 01-01-1883. Geraadpleegd op Delpher op 19-12-2017.
Direct naar Staatsblad 151 met het betreffende Koninklijk besluit.
Direct naar de eerste pagina van bovenstaand Reglement.



Deze pagina is voor het laatst gewijzigd op: 30 April 2018.