Militieregisters - Keuringseisen 1883 aangepast in 1883

In 1896 is een kleine wijziging doorgevoerd in de keuringseisen voor de vrijwillers bij de zee- of landmacht, zoals deze is vermeld in Reglement A van het Koninklijk Besluit van 1883.



(No. 256.) BESLUIT van den 30den December 1883, betreffende de toepassing van de reglementen omtrent het geneeskundig onderzoek nopens de geschiktheid voor den dienst bij de Zee- en Landmacht, op vrijwilligers voor den kolonialen militairen dienst.

WIJ WILLEM III, BIJ DE GRATIE GODS, KONING DER NEDERLANDEN, PRINS VAN ORANJE-NASSAU, GROOT-HERTOG VAN LUXEMBURG, ENZ., ENZ., ENZ.

Op de voordracht van Onzen Minister van Oorlog, van 27 December 1883, Kabinet, Litt. G64, Ons in overleg met Onzen Minister van Koloniën aangeboden;

Gezien Art 1 van Ons besluit van 2 November 1883 (Staatsblad no. 151);

Willende, in verband met den inhoud van dat artikel, o.a. bepalen, in hoeverre de bij Ons bovengenoemd besluit vastgestelde reglementen omtrent het geneeskundig onderzoek nopens de geschiktheid voor den dienst bij de Zee- en Landmacht, toepasselijk zijn ten opzichte van het geneeskundig onderzoek van vrijwilligers voor den kolonialen militairen dienst;

Hebben goedgevonden en verstaan, te bepalen:

Artikel 1.

Het geneeskundig onderzoek nopens de geschiktheid voor den kolonialen militairen dienst zal, behoudens het bepaalde bij het tweede lid van dit artikel, ten opzichte van vrijwilligers, die zich hier te lande voor genoemden dienst aanbieden of bij het Koloniaal Werfdepot ter uitzending voor dien dienst beschikbaar zijn, geschieden:

1o. naar de beginselen en voorschriften van de artt. 2 en 3 van het bij Ons hooger genoemd besluit, onder A vastgesteld reglement op het geneeskundig onderzoek omtrent de geschiktheid voor den krijgsdienst van hen, die tot vrijwilligen dienst bij de Zee- of Landmacht wenschen te worden toegelaten, en van hen, die daarbij vrijwillig dienen; en

2o. met inachtneming van het bepaalde bij Onze besluiten van 30 November 1883 (Staatsblad no. 162) en van 21 December 1883 (Staatsblad no. 247).

Bij dat onderzoek zullen echter de nommers 12, 16 en 17 van kolom A en de nommers 153, 186, 187 en 188 van kolom B van den bij artikel 2 van gemeld reglement bedoelden staat worden gelezen, als aangewezen is voor de drie eerstbedoelde nommers in bijlage 1 en voor de overige in bijlage 2 van Ons tegenwoordig besluit; terwijl daarbij voorts zal worden aangenomen, dat de in genoemde kolom A onder nommer 7 en 27 vermelde ziekten den zich ter dienstneming aanbiedenden vrijwilliger voor den kolonialen militairen dienst ongeschikt maken.

Artikel 2.

Ten aanzien van militairen bestemd voor den kolonialen militairen dienst, op wie toepasselijk is het bepaalde bij het tweede lid van art. 1 van Ons besluit van 1 December 1879, no. 36, geldt tevens, met inachtneming van het bepaalde bij het voorgaand artikel, artikel 4 van het hiervoren genoemd reglement.

Onze Ministers van Oorlog en Koloniën zijn, ieder voor zooveel hem aangaat, belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst en in werking zal treden met den dag, waarop in werking treedt Ons besluit van 2 November 1883 (Staatsblad no. 15.).

's- Gravenhage, den 30sten December 1883.

WILLEM

De Minister van Oorlog,
WEITZEL.
De Ministers van Koloniën, a.i.
WEITZEL.

Uitgegeven den een en dertigsten December 1883.
De Minister van Justitie,
DU TOUR VAN BELLINCHAVE

BIJLAGE 1.

Behoort bij Koninklijk besluit
Van den 30sten December 1883 (Staatsblad no. 256.)

Kolom A.

No. 12. Verduisteringen van het hoornvlies, wanneer de gezichtsscherpte, zonder aanwending van glazen, en het kleuronderscheidingsvermogen voldoen aan de bepalingen, die hieronder zijn vermeld.

Bij het onderzoek der personen, genoemd onder de hierna vermelde categorieën, zijn bedoelde bepalingen te beschouwen als minima der eischen aan het gezichtsvermogen te stellen, in verband met no. 16 en no. 17 van deze kolom.
I. voor officieren en voor vrijwilligers:
eene gezichtsscherpte van het rechteroog = 3/4 en van het linkeroog = 1/2, of wel , bij normaal rechteroog, eene gezichtsscherpte van het linkeroog = 1/3.
II. voor officieren van gezondheid, apothekers, paardenartsen, studenten voor den geneeskundigen of voor den pharmaceutischen dienst en kweekelingen voor den veterinairen dienst:
eene gezichtscherpte van het eene oog = 3/4 en van het andere oog = 1/2, of, wanneer het eene oog normaal is, eene gezichtsscherpte van het andere = 1/3.
Voorts normaal kleuronderscheidingsvermogen bij het zien met beid oogen; dit laatste te bepalen na correctie der brekingafwijking waarmede zij op grond van no. 16 en no. 17 worden toegelaten.
III. voor adspiranten naar die militaire betrekkingen in het algemeen, waarbij scherpzien in de verte en het juist onderscheiden van kleuren geen vereischten zijn:
eene gezichtsscherpte zooals die onder II is vermeld, doch bij hen is onvolkomen kleuronderscheidingsvermogen geen reden tot afkeuring.

No. 16. Bijziendheid (myopia):
1°. voor de personen in no. 12 onder I bedoeld:
a. wanneer zij den leeftijd van 20 jaren nog niet bereikt hebben, ten hoogste van 1 Dioptrie;
b. wanneer zij den leeftijd van 20 jaren bereikt of overschreden hebben, ten hoogste van 1.5 Dioptrie; mits in beide gevallen hier onder a en b genoemd, na correctie der brekingsafwijking, gezichtsscherpte van elk = 1 zij;

2°. voor der personen in no. 12 onder II en III bedoeld, aan wie het dragen van een bril in dienst wordt toegestaan: ten hoogste van 3 Dioptrieën; mits na correctie der brekingsafwijking de gezichtsscherpte van elk oog = 1 en wat de personen aangaat, onder II vermeld, bovendien het kleurenonderscheidingsvermogen bij het zien met beide oogen normaal zij.

No. 17. Oververziendheid (hypermetropia manifesta), indien de gezichtsscherpte en het kleuronderscheidingsvermogen voldoen aan het bepaalde onder no. 12, naar de onderscheiding daarbij gemaakt:
1°. ten hoogste van 1 Dioptrie voor de personen in no. 12 onder I bedoeld, indien zij den leeftijd van 20 jaren nog niet bereikt hebben;
2°. ten hoogste van 2 Dioptrieën voor de personen in no. 12 onder I bedoeld, indien zij den leeftijd van 20 jaren bereikt of overschreden hebben, benevens voor de personen onder II en III vermeld.

Ons bekend,
De Minister van Oorlog,
WEITZEL.
De Minister van Koloniën, a.i.
WEITZEL.

 

BIJLAGE 2.

Behoort bij Koninklijk besluit
Van den
30sten December 1883 (Staatsblad no. 256.)

No. 153. Verduisteringen en andere weefselveranderingen van het hoornvlies,
1°. voor de officieren en voor die categorieën van militairen, welke in kolom A, No. 12, onder II en III zijn bedoed, wanneer de gezichtsscherpte verminderd is als volgt:
a. van een der oogen beneden 1/3, als de gezichtsscherpte van het andere oog beneden 1/2 is verminderd;
b. van een der oogen, beneden 1/6, als de gezichtsscherpte van het andere oog tot 1/2 is verminderd;
c. van een der oogen beneden 1/20, ook als het andere oog normaal is;
2°. voor de onderofficieren en minderen, niet behoorende tot de categorie, welke in kolom A, no. 12, onder III zijn bedoeld, wanneer de gezichtsscherpte verminderd is als volgt:
a. van het rechteroog beneden 1/3, ook als het linkeroog normaal is;
b. van het rechteroog beneden 1/2, als de gezichtsscherpte van het linkeroog beneden 1/3 is verminderd;
c. van het linkeroog beneden 1/6, als de gezichtsscherpte van het rechteroog tot 1/2 is verminderd;
d. van het linkeroog beneden 1/20, ook als het rechteroog normaal is.
Voor hen, aan wie het dragen van een bril in dienst niet vergund is, de gezichtsscherpte te bepalen zonder aanwending van glazen, doch voor de overige militairen zoo noodig met aanwending der meest verbeterende sferische glazen. No. 186. Bijziendheid (myopia),
A. voor hen, aan wie het dragen van een bril in dienst niet is toegestaan:
1°. voor de officieren,
a. van 4 of meer Dioptrieën van beide oogen;
b. van 4 of meer Dioptrieën van een der oogen, als de gezichtsscherpte van het andere oog door verduistering, gezichtszwakte of astigmatisme, zonder aanwending van glazen, minder dan 1/3 bedraagt. 2°. voor de onderofficieren en minderen,
van 3 of meer Dioptrieën van het rechteroog;
B voor hen, aan wie het dragen van een bril in dienst is toegestaan, in kolom A, n°. 12, onder II en III bedoeld,
a. van 7 of meer Dioptrieën van beide oogen;
b. van mindere graden, wanneer door tevens aanwezige verduistering, gezichtszwakte of astigmatisme, met de meest verbeterende sferische glazen, de gezichtsscherpte zoveel bedraagt als in n°. 153 onder 1°. is bepaald.
De bepaling van den graad der bijziendheid te verrichten na opheffing van het accommodatie-vermogen of met een refractie-oogspiegel.

No. 187. Oververziendheid (hypermetropia),
A. voor hen, aan wie het dragen van een bril in dienst niet is toegestaan:
1°. voor de officieren:
a. van 6 of meer Dioptrieën van beide oogen;
b. van 6 of meer Dioptrieën van een der oogen, als de gezichtsscherpte van het andere door verduistering, gezichtszwakte of astigmatisme minder dan 1/3 bedraagt;
2°. voor de onderofficieren en minderen:
van 6 of meer Dioptrieën van het rechteroog;
B. voor hen, aan wie het dragen van een bril in dienst is toegestaan, in kolom A, n°. 12, onder II en III bedoeld, wanneer na correctie van den manifesten graad dezer brekingsafwijking, door tevens aanwezige verduistering, gezichtszwakte of astigmatisme, de gezichtsscherpte zooveel bedraagt als in n°. 153 onder n°. 1 is bepaald. De bepaling van den graad der oververzienheid te verrichten na opheffing vanhet accommodatie-vermogen of met een refractie-oogspiegel.

No. 188. Verschil van breking in twee tegenovergestelde meridianen van het oog (astigmatismus):
A. voor hen, aan wie het dragen van een bril in dienst niet is toegestaan:
1°. voor de officieren:
wanneer de gezichtsscherpte, zonder aanwending van glazen, van het bestziende oog minder dan 1/3 bedraagt;
2°. voor de onderofficieren en minderen:
wanneer de gezichtsscherpte van het rechteroog, zonder aanwending van glazen, tot 1/4 of lager is verminderd, ook als het linkeroog normaal is;
B. voor hen, aan wie het dragen van een bril in dienst is toegestaan, in kolom A, n°. 12, onder II en III bedoeld, wanneer, ook na aanwending der meest verbeterde sferische glazen, de gezichtsscherpte zooveel bedraagt als in n°. 153 onder 1°. is bepaald.

Ons bekend,
De Minister van Oorlog,
WEITZEL.
De Minister van Koloniën, a.i.
WEITZEL.



Bron:

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1883, 01-01-1883. Geraadpleegd op Delpher op 15-01-2018.
Direct naar Staatsblad 256 met het betreffende Koninklijk besluit.



Deze pagina is voor het laatst gewijzigd op: 15 January 2018.