Nationale Militie - Keuringseisen 1883 aangepast in 1896

In 1896 is een kleine wijziging doorgevoerd in de keuringseisen voor de vrijwillers bij de zee- of landmacht, zoals deze is vermeld in Reglement A van het Koninklijk Besluit van 1883.



(No. 41.) BESLUIT van den 4den Januari 1897, tot wijziging van het Reglement op het geneeskundig onderzoek omtrent de geschiktheid voor den krijgsdienst van hen, die tot vrijwilligen dienst bij Zee- of Landmacht wenschen te worden toegelaten, en van hen, die daarbij vrijwillig dienen.

IN NAAM VAN HARE MAJESTEIT WILHELMINA, BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DER NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, ENZ., ENZ., ENZ.

WIJ, EMMA, KONINGIN-WEDUWE, REGENTES VAN HET KONINKRIJK,

Op de gemeenschappelijke voordracht van de Ministers van Marine, van Oorlog en van Binnenlandsche Zaken van 18 November 1896, Bureau B no. 38, van 26 November 1896, IIIde afd. no. 12, en van 28 November 1896, no. 1760 M, afd. Militie en Schutterijen;

Gezien het Koninklijk besluit van 2 November 1883 (Staatsblad no. 151), houdende, onder meer, vaststelling van een Reglement op het geneeskundig onderzoek omtrent de geschiktheid voor den krijgsdienst van hen, die tot vrijwilligen dienst bij Zee- of Landmacht wenschen te worden toegelaten, en van hen, die daarbij vrijwillig dienen; Overwegende dat ten aanzien van den vrijwilligen dienst bij de Zeemacht wijziging wenschelijk is van den bij gezegd Reglement behoorenden staat;

Den Raad van State gehoord (advies van 15 December 1896 no. 2);

Gelet op het nader gemeenschappelijk rapport van voornoemde Ministers van 22 December 1896, Bureau B no. 47, 29 December 1896, IIIde afd. no. 58 en 31 December 1896, no. 1910 M, afd. Militie en Schutterijen;

Hebben goedgevonden en verstaan, te bepalen:

 

In den staat, behoorende bij voormeld Reglement, worden de navolgende wijzigingen gebracht:

1°. de beperkende bepaling, voorkomende in kolom A (ziekten en gebreken, welke de geschiktheid voor den vrijwilligen dienst bij de Zee- of Landmacht niet uitsluiten), onder volgnommer 7 (zoogenaamde huidadernetten en kleine aderspatten), wordt gelezen als volgt:

"Wanneer de ziekten, onder dit nummer vermeld, voorkomen aan de binnenzijde van het onderbeen, sluiten zij echter de geschiktheid uit voor den dienst bij de bereden korpsen."

2°. de beperkende bepaling, voorkomende in kolom A onder volgnommer 27 [lichte graden van aderbreuk van de zaadstreng (varicocèle)], luidende: "dit gebrek sluit echter de geschiktheid uit voor den dienst bij de zeemacht", vervalt.

De Ministers van Marine, van Oorlog en van Binnenlandsche Zaken zijn, ieder voor zooveel hem aangaat, belast met de uitvoering dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State.

's Gravenhage, den 4den Januari 1897.

EMMA

De Minister van Marine,
VAN DER WIJCK.
De Minister van Oorlog,
SCHNEIDER.
De Minister van Binnenlandsche Zaken,
VAN HOUTEN

Uitgegeven den een en twintigsten Januari 1897.
De Minister van Justitie,
VAN DER KAAY



Bron:

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1878, 01-01-1878. Geraadpleegd op Delpher op 15-01-2018.
Direct naar Staatsblad 16 met het betreffende Koninklijk besluit.



Deze pagina is voor het laatst gewijzigd op: 11 November 2018.