Nationale Militie - Reglementen Geneeskundig onderzoek 1904

Reglement B behorend bij Koninklijk Besluit 1904-113

Het hieronder vermelde reglement en de bijbehorende staat, behorend bij Koninklijk Besluit 1904-113, bevat de uitsluitingsgronden voor de militaire dienst van de militieplichtigen en de landweer. En van de vrijwilligers van het Reserve-personeel van de landmacht.

Deze staat kan gebruikt worden voor hen die hun dienstplicht bij de Nationale Militie dienden te vervullen en daarvoor tijdelijk of permanent afgekeurd werden.



B.

REGLEMENT op het geneeskundig onderzoek omtrent de geschiktheid voor den krijgsdienst van militieplichtigen en van hen, die bij de militie zijn ingelijfd of die krachtens wettelijke verplichtingen tot de landweer behooren, alsmede van hen, die tot vrijwilligen dienst bij het Reserve-personeel der landmacht, al of niet met bestemming voor den dienst bij de landweer, wenschen te worden toegelaten en van hen, die bij het Reserver-personeel der landmacht dienen.

Artikel 1.

De geschiktheid voor den krijgsdienst van militieplichtigen en van hen, die bij de militie zijn ingelijfd, wordt onderzocht en beoordeeld overeenkomstig dit reglement.

Artikel 2.

Voor den dienst worden ongeschikt geacht de in het vorig artikel bedoelde personen, te wier aanzien genoegzame zekerheid bestaat, dat zij ziekten of gebreken hebben in artikel 3 vermeld, voor zoover geen herstel binnen korten tijd mogelijk geacht wordt.

Ten opzichte van hen, die in geval van ontslag uit den dienst door andere militieplichtigen kunnen worden vervangen, zal de zekerheid of het herstel, in de vorige zinsnede van dit artikel bedoeld, moeten verkregen worden binnen den tijd, waarin volgens de wet na hunne aflevering herkeuring bij Gedeputeerde Staten kan worden aangevraagd.

Voor den dienst wordt mede ongeschikt geacht de ingelijfde bij de militie, die voor het geval eene heelkundige kunstbewerking uitzicht geeft op het verkrijgen of herkrijgen van de geschiktheid voor den dienst, er niet in toestemt deze kunstbewerking te ondergaan.

Artikel 3.

De ziekten en gebreken, in artikel 2 bedoeld, zijn:

ZIEKTEN EN GEBREKEN,
Welke militieplichtigen ongeschikt maken voor den dienst bij zee- of landmacht, met inachtneming van het bepaalde bij het eerste lid van artikel 2.

§ 1. ZIEKTEN EN GEBREKEN WELKE NIET ALTIJD TOT BIJZONDERE LICHAAMSSTREKEN BEPERKT ZIJN.
a. Afwijkingen in de algemeene lichaamsgesteldheid.

1. Te groote omvang van het lichaam vooral van den buik, door vetvorming.

2. Te groote gestalte met eene zwakke lichaamsgesteldheid (het zoogenaamd uit de krachten gegroeid zijn).

3. Te geringe algemeene lichaamsontwikkeling.

4. Algemeene vermagering.

5. Algemeene lichaamszwakte.

6. Vervroegde ouderdomsgebreken (versleten lichaamsgestel).

7. Werkelijke ouderdomsgebreken.

8. Belangrijke misvorming van het lichaam.

9. Belangrijke verwondingen.

b. Ziekelijke gesteldheid van zachte deelen en algemeene bekleedselen.

10. Blijven ziekelijke verkleuring en ontkleuring der huid in belangrijken graad.

11. Hardnekkige huidziekten.

12. Hardnekkige droge kloven.

13. Hardnekkige zweren.

14. Uitgebreide versterving.

15. Diepe vastzittende litteekens.

16. Uitgebreide oppervlakkige litteekens met neiging tot wederopenbreken.

17. Uitgebreide verouderde verharding en verdikking van de huid of van het onderhuidsbindweefsel.

18. Hardnekkige en belangrijke vergrooting en verharding van watervaatsklieren.

19. Slepende zuchtige zwelling in belangrijken graad van een of ander lichaamsdeel.

20. Volkomen of onvolkomen verlamming van spieren.

21. Hardnekkige periodieke spierkrampen (tetanie).

22. Slepende ontsteking, blijven samentrekking of verkorting van een of meer spieren, pezen, peesscheden of peesvliezen.

23. Belangrijke voedingsstoornissen van een of meer spieren.

24. Scheuring of verplaatsing van spieren, pezen of banden.

25. Hardnekkige bindweefselfistel.

c. Ziekelijke veranderingen in de beenderen en gewrichten.

26. Slecht genezen beenbreuken.

27. Slepende ontsteking van het beenvlies of van het beenmerg of de gevolgen dezer ziekten.

28. Belangrijke voedingsstoornissen van één of van meer beenderen.

29. Misvorming van beenderen of van gewrichtsuiteinden.

30. Verouderde ontwrichtingen.

31. Zich telkens herhalende ontwrichtingen.

32. Slepende gewrichtsontsteking en hare gevolgen.

33. Gewrichtsverstijving.

34. Loslating of verplaatsing van gewrichtskraakbeenderen.

35. Gewrichtsmuizen met belangrijke stoornis in de verrichtingen.

36. Valsche gewrichten.

d. Gezwellen, voortbrengselen van ziekelijken groei, vreemde lichamen en concrementen.

37. Vet-, vezel-, slijm-, beurs-, kraakbeen- en zenuwgezwellen in belangrijken graad.

38. Gezwellen door dierlijke of plantaardige parasieten veroorzaakt (cysticercus, echinococcus, actinomyces, botryomyces, etc.).

39. Belangrijke hoornuitwassen.

40. Belangrijke peesknoopen.

41. Belangrijke beenuitwassen, verbeening en kraakbeenvorming van het bind- of van het spierweefsel.

42. Kwaadaardige gezwellen.

43. Algemeene of plaatselijke knobbelzucht (tuberculosis).

44. Belangrijke koude of verzakkingsabscessen.

45. Poliepen in een of andere lichaamsholte.

46. Vreemde lichamen of concrementen in een of ander lichaamsdeel of lichaamsholte.

e. Ziekten der bloed- en watervaten.

47. Ware of valsche slagaderuitzetting.

48. Belangrijke ontaarding der slagaderwanden.

49. Ziekelijke verwijding der haarvaten, met belangrijke ontaarding of wanstaltigheid.

50. Groote of uitgebreide aderspatten.

51. Watervaatsfistel.

f. Ziekten van het zenuwstelsel.

52. Slepende ziekten der hersenen of van het ruggemerg.

53. Volkomen en onvolkomen verlamming van zenuwen.

54. Slepende zenuwpijn in belangrijken graad.

55. Hardnekkige telkens terugkeerende hik.

56. Aanhoudend beven van een of van meer ledematen.

57. St. Vitusdans.

58. Vallende ziekte (epilepsia).

59. Schrijfkramp in belangrijken graad.

60. Duizelingen, wanneer zij aanhoudend zijn of telkens terugkeeren.

61. Hardnekkige zeeziekte.

62. Slaapwandelen.

63. Ziekelijke prikkelbaarheid met spoedige uitputting van het zenuwstelsel (neurasthenia).

64. Belangrijke nerveuze stoornissen van overwegend functioneelen aard (hysteria, neurosis traumatica).

65. Duidelijk uitgedrukt heimwee, indien het zich herhaalt na verlof of na overplaatsing.

66. Overprikkeling van het zenuwstelsel en ziekelijk veranderde gemoedsstemming.

67. Krankzinnigheid.

68. Na krankzinnigheid overgebleven bijzondere voorbeschiktheid tot wederinstorting.

69. Onnoozelheid (idiotismus).

70. Stompzinnigheid in belangrijken graad.

71. Domheid in dien graad, dat de persoon ongeschikt blijkt te zijn om in den dienst geoefend te worden.

g. Algemene ziekten.

72. Belangrijke bloedarmoede.

73. Ziekten, veroorzaakt door veranderde samenstelling van het bloed (leukaemia, anaemi progressiva, perniciosa, etc.)

74. Bloederziekte (haemophilia).

75. Hardnekkige scheurbuik

76. Ziekte van Addison.

77. Ziekte van Basedow.

78. Myxoedeem

79. Akromegalie.

80. Beri Beri.

81. Melaatschheid (lepra).

82. Klierziekte (scrofulosus) in belangrijken graad.

83. Slepend telkens terugkeerend gewrichtsrheumatisme.

84. Slepend spierrheumatisme in belangrijken graad.

85. Hardnekkige jicht.

86. Pisvloed (diabetes insipidus).

87. Suikerziekte.

88. Slepende vergiftiging ten gevolge van langdurig of aanhoudend misbruik van bedwelmende of verdoovende middelen.

89. Slepende metaalvergiftiging.

90. Hardnekkige syphilis of hare gevolgen.

91. Slepende moeraskoorts of hare gevolgen (cachexia malaiae).

92. Slepende kwade droes.

93. Slepende trichinenziekte.

§ 2. ZIEKTEN EN GEBREKEN AAN BIJZONDEREN LICHAAMSSTREKEN.
Hoofd

94. Misvorming van het hoofd, waardoor het dragen van het hoofddeksel wordt verhinderd.

95. Opengebleven fontanellen.

96. Uitgebreide kaalhoofdigheid.

97. Hardnekkig hoofdzeer.

98. Beenverlies aan den schedel in belangrijken graad.

99. Indrukking van den schedel.

100. Hersenbreuk.

101. Misvorming van den neus, tot min of meer volkomen sluiting der neusgangen of tot wanstaltigheid aanleiding gevend.

102. Wolfszweer (lupus).

103. Stinkende inwendige neusverzwering (ozaena).

104. Hardnekkige ontsteking van het neusslijmvlies met belangrijke belemmering van de neusademhaling.

105. Hardnekkige ettering van de bijholten van den neus.

106. Gedeeltelijke sluiting of misvorming van den mond door uitgebreide litteekenvorming.

107. Verlies van een belangrijk gedeelte van de lip.

108. Belangrijk verlies van zelfstandigheid of doorboring van het gehemelte.

109. Hardnekkige speekselvloed.

110. Hardnekkige verzwering van het slijmvlies der mondholte.

111. Zeer stinkende adem.

112. Uitgebreid verlies van tanden of kiezen.

113. Uitgebreide afbrokkeling van tanden of kiezen.

114. Belangrijke misvorming van de kaak.

115. Speekselfistel.

116. Geheel of gedeeltelijk gemis van de tong.

117. Slepende ziekten van de tong.

118. Belangrijke litteekenvorming of vergroeiingen in de mondholte.

119 Stotteren of andere berlangrijke spraakstoornissen.

120. Gemis of zoodanige misvorming van de oorschelp, dat belangrijke wanstaltigheid wordt veroorzaakt.

121. Hardhoorigheid in dien graad, dat:
a. fluisterend gesproken woorden op 0.50 Meter afstand niet verstaan kunnen worden, terwijl het andere oor normaal is;
b. fluisterend gesproken woorden met het ene oor op 1 Meter afstand, met het andere oor op 4 Meter afstand niet verstaan kunnen worden;
c. fluisterend gesproken woorden met ieder oor afzonderlijk op 2 Meter afstand niet verstaan kunnen worden.

122. Sluiting, vernauwing of woekeringen van de uitwendige gehoorgang, indien de gehoorscherpte gelijk is aan eene van de in n°. 121 aangegeven waarden.

123. Slepende ontsteking van het trommelvlies, indien de gehoorscherpte gelijk is aan eene van de in n°. 121 aangegeven waarden.

124. Hardnekkige woekeringen van het trommelvlies op een der ooren.

125. Doorboring van het trommelvlies op een der ooren, indien wegens de grootte of de zitplaats van de doorboring de dienst niet zal kunnen worden verricht zonder gevaar voor wederoptreden eener oorettering of voor doofheid.

126. Slepende ontsteking, organische gebreken of zenuwstoornissen van het midden- of het binnenoor indien deze:
a. òf aanleiding geven tot hardnekkige oorsuizingen of duizelingen;
b. ògepaard gaan met hardhoorigheid in dien graad, dat de gehoorscherpte gelijk is aan eene van de in n°. 121 aangegeven waarden;
c. òf indien daaraan een ernstig progessief karakter moet worden toekend (sclerosis etc).

127. Sluiting of vernauwing van de Eustachiaansche buis, indien de gehoorscherpte gelijk is aan eene van de in n°. 121 aangegeven waarden.

128. Hardnekkige en telkens terugkeerende slepende oorenvloed op een der ooren.

129. Na mastroïd-operatie overgebleven fistel.

130. Doofstomheid.

131. Slepende ontsteking van den traanzak.

132. Uitzetting van den traanzak.

133. Fistel van den traanzak.

134. Slepende tranenvloed in belangrijken graad met of zonder vernauwing of sluiting van een gedeelte der traanwegen.

135. Gezwellen van de traanklier.

136. Huidplooi in den binnenooghoek (epicanthus) met belangrijke wanstaltigheid.

137. Geheel of gedeeltelijke vergroeiing der oogleden onderling of met den oogbol, indien daardoor het zien belangrijk wordt belemmerd of aanleiding geeft tot telkens terugkeerende ontsteking.

138. Splijting van het ooglid (coloboma palpebrae) in dien graad, dat het oog niet volkomen kan gesloten worden en herhaalde ontsteking hiervan het gevolg is.

139. Geheel of gedeeltelijk gemis van een der oogleden.

140. Verkorting of misvorming van één of beide oogleden in dien graad, dat het oog niet volkomen kan gesloten worden en herhaalde ontsteking hiervan het gevolg is.

141. Hardnekkige ooglidskramp.

142. Verlamming in belangrijken graad van den oplichter van het bovenooglid.

143. Buitenwaartskeering der oogleden (ectropion).

144. Binnenwaartskeering der oogleden (entropion).

145. Binnenwaartsche stand der ooghaartjes (trichiasis, distichiasis).

146. Hardnekkige slepende ontsteking van den ooglidsrand.

147. Geheel of nagenoeg geheel verlies der ooghaartjes.

148. Gemis van een oogbol.

149. Belangrijke vergrooting van één of beide oogbollen (buphthalmus).

150. Oogbolstuipen (nystagmus).

151. Volkomen of onvolkomen verlamming van één of van meer oogbolspieren.

152. Hardnekkige slepende oogbindvliesontsteking.

153. Belangrijke woekeringen op het oogbindvlies (trachoma).

154. Atrophie van het ooglidsbindvlies, al of niet gepaard met litteekenvorming.

155. Verdroging van het oogbindvlies (xerosis conjunctivae).

156. Vleugelvel (pterygium) in belangrijken graad.

157. Hardnekkige slepende hoornvliesontsteking.

158. Verduisteringen of andere weefselveranderingen van het hoornvlies, indien de gezichtsscherpte zonder aanwending van glazen:
a. van het rechteroog = 1/3 of lager, ook als het linkeroog een gezichtsscherpte bezit = 1;
b. van het rechteroog = 1/2, indien de gezichtsscherpte van het linkeroog = 1/4;
c. van het linkeroog = 1/10, indien de gezichtsscherpte van het rechteroog = 3/4;
d. van het linkeroog = 1/20 of lager, ook als het rechteroog een gezichtsscherpte bezit = 1.

159. Naar voren welving van het hoornvlies (keratectasia et keratoconus).

160. Druifgezwel (staphyloma) van het hoornvlies.

161. Fistel van het hoornvlies.

162. Slepende ontsteking van den harden oogrok.

163. Druifgezwel (staphyloma) van den harden oogrok.

164. Gemis van het regenboogvlies.

165. Aangeboren sluiting van den oogappel (atresia puppillae).

166. Hardnekkkige slepende ontsteking van het regenboogvlies.

167. Verstopping van den oogappel (occlusio pupillae).

168. Afscheuring, gedeeltelijk gemis van het regenboogvlies of verplaatsing van den oogappel (pupilla artificialis), indien een of ander gepaard gaat met verminderde gezichtsscherpte, zoals in n°. 158 is omschreven.
N.B. Aangeboren splijting van het regenboogvlies (coloboma iridis) op zich zelf maakt niet ongeschikt.

169. Belangrijke vergroeiiing van het regenboogvlies met het hoornvlies (synechia anterior, leucoma adhaerens).

170. Belangrijke vergroeiing van het regenboogvlies met de lenskapsel (synechia posterior, seclusio pupillae).

171. Slepende ontsteking van den haarband (cyclitis chronica).

172. Atrophie van een oogbol.

173. Slepende ontsteking van het vaatvlies of hare gevolgen.

174. Ontsteking van den geheelen oogbol (panophthalmitis).

175. Uittering (phthisis) van den oogbol.

176. Slepende ontsteking van het glasvocht (hyalitis).

177. Troebelheid van het glasvocht in belangrijken graad.

178. Blaaswordm (cysticercus) of andere entozoan in het oog.

179. Gezwellen in het oog.

180. Groene staar (glaucoma).

181. Gemis van de lens (aphakia).

182. Verduistering van de lens met verminderde gezichtsscherpte, zooals in n°. 158 is omschreven.

183. Verplaatsing van de lens (luxatio lentis) met verminderde gezichtsscherpte, zooals in n°. 158 is omschreven.

184. Slepende ontsteking van het netvlies of hare gevolgen.

185. Ontaarding van het netvlies, al of niet met pigmentafzetting (retinitis pigmentosa).

186. Loslating van het netvlies (solutio retinae).

187. Belangrijke beperking van het gezichtsveld.

188. Blijvend verminderde netvliesgevoeligheid (hemeralopia chronica).

189. Gezichtszwakte (amblyopia) indien de gezichtsscherpte gedaald is tot eene van de in n°. 158 aangegeven waarden.
N.B. In die gevallen, waarin de gezichtszwakte gepaard gaat met brekingsafwijkingen van het oog, welker graad op zich zelf niet ongeschikt, maakt, wordt de gezichtsscherpte zonder aanwending van glazen vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in de bij n°. 194 van dit reglement behoorende noot, zoodat in gevallen van bijziendheid van het linkeroog van deze regel moet worden afgeweken, indien na correctie van de brekingsafwijking de gezichtsscherpte van dit oog = 1/2 of meer bedraagt en de gezichtsscherpte van het rechteroog = 1.

190. Gemis van lichtontwaring (zwarte staar, amaurosis).

191. Slepende ontsteking van de gezichtszenuw.

192. Ontaarding (atrophia) van de gezichtszenuw.

193. Vaatverstopping der centrale netvliesslagader.

194. Bijziendheid (myopia):
a. van meer dan 2 Dioptrieën van het rechteroog;
b. van meer dan 5 Dioptrieën van het linkeroog.
N.B. Mindere graden van bijziendheid, bij welke na correctie der brekingsafwijking de gezichtsscherpte van het rechteroog minder is dan 1 en die van het linkeroog minder van 1/2 maken ook ongeschikt, tenzij de gezichtsscherpte zonder aanwending van glazen grooter is dan in n°. 158 is aangegeven.

195. Oververziendheid (hypermetropia totalis). a. van 6 of meer Dioptrieën van het rechteroog;
b. van 9 of meer Dioptrieën van het linkeroog.

196. Spoedig intredende vermoeidheid bij het zien of afstand, indien zonder aanwending van glazen, een grootere gezichtsscherpte dan eene van de in n°. 158 vastgestelde waarden slechts gedurende korten tijd kan worden aangegeven en de gezichtsscherpte weldra in die mate afneemt, dat eene van de in dit nummer aangegeven waarden wordt bereikt.

197. Verschil van breking in twee tegenovergestelde meridianen van het oog (enkelvoudig, samengesteld of gemengd astigmatisme), indien de gezichtsscherpte zonder aanwending van glazen gelijk is aan eene van de in n°. 158 aangegeven waarden.

198. Blijvende verlamming der accommodatie van beide oogen.

Hals.

199. Slepende ontsteking van halswervels of van hunne gewrichten.

200. Vergroeiing van halswervels.

201. Belangrijk verdraaide of scheeve stand van het hoofd.

202. Onwillekeurige bewegingen van het hoofd.

203. Kropgezwel in belangrijken graad.

204. Aangeboren halscyste van dien omvang, dat het dragen der uniform bemoeilijkt wordt.

205. Fistel van het strottenhoofd of van de luchtpijp.

206. Hardnekkige ontsteking van het keelslijmvlies.

207. Belangrijke vergrooting en verharding der amandelen.

208. Belangrijke misvorming van het strottenklepje.

209. Slepende ontsteking van het strottenhoofd.

210. Blijvende heeschheid, stemmeloosheid of te zwakke stem.

211. Slepende ontsteking van den slokdarm.

212. Organische vernauwing van den slokdarm.

213. Plaatselijke verwijding van den slokdarm met stoornis in de spijsvertering of met algemeene lichaamsvermagering.

214. Slokdarmfistel.

Borst.

215. Buitengewone ontwikkeling der borstklier.

216. Aangeboren splijting van het borstbeen.

217. Belangrijke misvorming der borstkas.

218. Onvoldoend ontwikkelde borstkas.

219. Belangrijke misvorming van het sleutelbeen.

220. Slepende ontsteking van de luchtpijptakken.

221. Plaatselijke verwijding van de luchtpijpstakken (bronchiectasis).

222. Slepende longontsteking.

223. Slepende borstvliesontsteking.

224. Emphyseem der longen in belangrijken graad.

225. Belangrijke vergroeiing van het borstvlies van long en ribben.

226. Telkens terugkeerende asthmatische aanvallen.

227. Telkens terugkeerende bloedspuwing.

228. Fistel van de borstholte.

229. Longbreuk (pneumocele).

230. Belangrijke verplaatsing van het hart.

231. Slepende ontsteking van het hart of van zijne vliezen.

232. Klapvliesgebreken van het hart of van de groote vaten.

233. Belangrijke vergrooting, verwijding of vetontaarding van het hart.

234. Hartvang (angina pectoris).

235. Ziekelijk gewijzigde hartswerking in belangrijken graad.

Buik- en bekkenstreek.

236. Belangrijke spijsverteringsstoornissen.

237. Slepende ontsteking van het maagslijmvlies.

238. Belangrijke verwijding van de maag.

239. Slepende maagzweer.

240. Verzakking der buiksingewanden (enteroptosis).

241. Slepende ontsteking van het darmslijmvlies.

242. Slepende darmzweer.

243. Slepende of tekens terugkeerende ontsteking van het wormvormig aanhangsel (appendicitis).

244. Slepende persloop (dysenteria chronica).

245. Indische spruw (aphthae tropicae).

246. Slepende darmwindzucht in belangrijken graad (meteorismus).

247. Hardnekkige stoelverstopping in belangrijken graad.

248. Plaatselijke vernauwing van het darmkanaal.

249. Fistel van een der spijsverteringsorganen.

250. Navelsplijting (urachus apertus).

251. Tegennatuurlijke en kunstmatig gevormde aars.

252. Verlamming der sluitspier van den aars.

253. Telkens terugkeerende uitzakking van den endeldarm.

254. Hardnekkige aarskloven.

255. Aarsfistel.

256. Belangrijke aambeien.

257. Slepende buikvliesontsteking.

258. Slepende ziekten van de lever.

259. Slepende ziekten van de galblaas of van de galwegen.

260. Telkens terugkeerende galsteenkoliek.

261. Dwalende milt.

262. Belangrijke vergrooting of andere slepende ziekten van de milt.

263. Slepende ziekten van de alvleeschklier.

264. Ingewandsbreuken.

265. Dwalende nier.

266. Slepende ziekten van de nier of van het nierbekken.

267. Telkens terugkeerende niersteenkoliek.

268. Aangeboren splijting van den blaaswand (ectopia vesicae).

269. Slepende ziekkten van de pisblaas.

270. Aanhoudend of telkens terugkeerend bloedwateren.

271. Blaassteen.

272. Belangrijke vernauwing van den pisweg.

273. Piswegfistel.

274. Slepende ontsteking, vergrooting of ontaarding der voorstanderklier.

275. Belangrijke stoornis in de pisloozing.

276. Onwillekeurige afvloed van de pis.

277. Aangeboren piswegsplijtingen (hypo-et epispadia), in dien graad, dat de pisloozing niet zonder hindernis of verontreiniging der kleederen kan plaats hebben.

278. Uitwendige tweeslachtigheid (hermaphroditismus).

279. Belangrijke misvorming van de roede.

280. Slepende ontsteking van den bal, van den bijbal of van de zaadstreng.

281. Terughouding in het lieskanaal van één of van beide ballen.

282. Gemis of teruggebleven zijn van beide ballen in de buikholte.

283. Dwalende bal.

284. Belangrijke ontaarding van den bal.

285. Waterbreuk (hydrocele) van den bal of van de zaadstreng in belangrijken graad.

286. Aderbreuk van de zaadstreng (varicocele), in belangrijken graad.

287. Balzakverslapping in belangrijken graad.

288. Slepende zaadvloed in belangrijken graad.

Rug- en ledematen.

289. Misstand van den schouder in dien graad, dat daardoor bij den gekleeden man wanstaltigheid duidelijk zichtbaar is.

290. Belangrijke misvorming van het schouderblad.

291. Belangrijke vleugelvormige afwijking van het schouderblad.

292. Aangeboren splijting van ruggewervels (hydrorrhachis, spina bifida).

293. Slepende ontsteking van borst of lendenwervels of van hunne gewrichten.

294. Vergroeiing van borst- of lendenwervels.

295. Blijvende buitengewone kromming van de wervelkolom (scoliosis, kyphosis, lordosis).

296. Misstand van de heup in dien graad, dat daardoor bij den gekleeden man wanstaltigheid duidelijk zichtbaar is.

297. Geheel of gedeeltelijk gemis van een der ledematen.

298. Belangrijke verkromming van een der ledematen.

299. Misvorming van eene hand met belangrijke stoornis in de verrichtingen.

300. Een of meer overtollige of gespleten duimen of vingers.

301. Aaneengroeiing van vingers of van een vinger met een duim.

302. Gemis van een duim.

303. Gedeeltelijk gemis van een duim met belangrijke stoornis in de verrichtingen.

304. Gemis van een vinger of van meerdere vingerleden aan één hand met belangrijke stoornis in de verrichtingen.

305. Misstand of verstijving van een duim, van een vinger of van vingerleden met belangrijke stoornis in de verrichtingen.

306. Mankgaan.

307. Belangrijke afwijking in den normalen stand van één of van beide knieën (o.a. genu valgum adolescentium).

308. Verplaatsing of tegennatuurlijke beweeglijkheid van de knieschijf.

309. Misstand of misvorming van den voet, indien daardoor het gaan of het dragen van het schoeisel bemoeilijkt wordt.

310. Een of meer overtollige teenen, indien daardoor het gaan of het dragen van het schoeisel bemoeilijkt wordt.

311. Aaneengroeiing van teenen, indien daardoor het gaan of het dragen van het schoeisel bemoeilijkt wordt.

312. Gemis van een grooten teen.

313. Gedeeltelijk gemis van een grooten teen, indien daardoor het gaan bemoeilijkt wordt.

314. Verstijving of belangrijke misstand van een grooten teen, indien daardoor het gaan of het dragen van het schoeisel bemoeilijkt wordt.

315. Gemis aan één der voeten van twee of meer teenen, indien daardoor het gaan bemoeilijkt wordt.

316. Gemis van een kleinen teen met het middenvoetsbeen.

317. Geheel of gedeeltelijk gemis van het nagellid van de meeste teenen aan één der voeten, indien daardoor het gaan bemoeilijkt wordt.

318. Belangrijke misstand van één of meer teenen, indien daardoor het gaan of het dragen van het schoeisel bemoeilijkt wordt.

319. Doorborende voetzweer (malum perforans pedis).

320. Hardnekkige eeltvorming, indien daardoor het gaan bemoeilijkt wordt.

321. Hardnekkig stinkend zweet.

322. Aangeboren gemis van de nagels aan een hand of voet.

323. Belangrijke misvorming of ontaarding van één of meer nagels.

324. Kwaadaardige nagelzweer.

Behoort bij het Koninklijk besluit van 30 Mei 1904 (Staatsblad n°. 113).

Ons bekend,
De Minister van Marine,
ELLIS.
De Minister van Staat,
De Minister van Oorlog,
J. W. BERGANSIUS
De Minister van Binnenlandsche Zaken,
KUYPER



Bron:

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1904, 01-01-1904. Geraadpleegd op Delpher op 11-10-2018.
Direct naar Staatsblad 113 met het betreffende Koninklijk besluit.



Deze pagina is voor het laatst gewijzigd op: 11 November 2018.