r

Nationale Militie - Reglementen Geneeskundig onderzoek 1904

Met het Koninklijk besluit 113 van 30 mei 1904 worden de keuringseisen zoals vastgesteld in het besluit van 2 november 1883 onder de reglementen A en B volledig herzien. Het betreft hier de vrijwilligers voor de Zee- en Landmacht en de Nationale Militie. Het reglement C betreffende de dienst bij de Schutterijen is in 1904 niet herzien en daarom gehandhaafd.

Vanwege de lengte van de teksten is dat op deze website in een aantal onderdelen gesplitst:

  • de tekst van het Koninklijk besluit zelf (hieronder op deze pagina)
  • Reglement A omtrent de geschiktheid voor de vrijwillige dienst bij zee- en landmacht
  • Reglement B omtrent de geschiktheid van dienstplichtigen, vrijwilligers etc. voor de Nationale Militie
  • De bijlagen die na Reglement B in het boek zijn geplaatst. Deze bijlagen staan onderaan deze pagina.

Over het algemeen zal voor (eventuele) informatie over de geschiktheid van militaire voorouders gebruik gemaakt moeten worden van de informatie in Staat B.



(N°. 113) BESLUIT van den 30sten Mei 1904, houdende vaststelling van nieuwe reglementen op het geneeskundig onderzoek omtrent de geschiktheid voor den krijgsdienst:
A. van hen, die tot vrijwilligen dienst bij zee- of landmacht of bij de Koninklijke Nederlandsche Marine-Reserve wenschen te worden toegelaten, en van hen, die daarbij vrijwillig dienen; en
B. van militieplichtigen en van hen, die bij de militie zijn ingelijfd of die krachtens wettelijke verplichtingen tot de landweer behooren, alsmede van hen, die tot vrijwilligen dienst bij het Reserve-personeel der landmacht, al of niet met bestemming voor den dienst bij de landweer, wenschen te worden toegelaten en van hen, die bij het Reserve-personeel der landmacht dienen.

WIJ WILHELMINA, BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DER NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, ENZ., ENZ., ENZ.

Op de gemeenschappelijke voordracht van Onzen Minister van Oorlog, ad interim Minister van Marine en van Onze Ministers van Oorlog en van Binnenlandsche Zaken van 14 Februari 1903, Bureau S/B, n°. 46, van 20 Maart 1903, IIIde Afdeeling n°. 177, en van 5 Mei 1903, n°. 924 M, Afdeeling Militie en Schutterijen;

Gezien het Koninklijk besluit van 2 November 1883 (Staatsblad n°. 151), houdende vaststelling van nieuwe reglementen op het geneeskundig onderzoek omtrent de geschiktheid voor den dienst bij de zee- en landmacht, zooals dit besluit is gewijzigd bij Koninklijk besluit van 4 Januari 1897 (Staatsblad n°. 41) en bij Onze besluiten van 26 September 1898 (Staatsblad n°. 214) en van 20 Juni 1900 (Staatsblad n°. 109);

Gezien voorts het Koninklijk besluit van 30 December 1883 (Staatsblad n°. 256), betreffende de toepassing van de reglementen omtrent het geneeskundig onderzoek nopens de geschiktheid voor den dienst bij de zee- en landmacht, op vrijwilligers voor den kolonialen militairen dienst, zooals dit besluit is gewijzigd bij de Koninklijke besluiten van 20 Juli 1891 (Staatsblad n°. 150) en van 29 Juni 1894 (Staatsblad n°. 88);

Gelet op het Koninklijk besluit van 3 Augustus 1894, n°. 16, houdende vaststelling van een reglement op het geneeskundig onderzoek van het personeel der Koninklijke Nederlandsche Marine-Reserve en op het Koninklijk besluit van 31 Maart 1894 (Staatsblad n°. 52), betreffende het geneeskundig onderzoek omtrent de geschiktheid voor den krijgsdienst van vrijwilligers voor het Reservekader, zooals laatstgemeld besluit is gewijzigd bij Ons besluit van 19 December 1898 (Staatsblad n°. 268);

Gelet voorts op de eerste zinsnede van artikel 11 der Militiewet 1901 (Staatsblad n°. 212 van 1901; n°. 293 van 1903);

Overwegende dat het wenschelijk is, ten aanzien van het geneeskundig onderzoek omtrent de geschiktheid voor den krijgsdienst bij zee- en landmacht, bij de Koninklijke Nederlandsche Marine-Reserve en bij het Reserve-personeel der landmacht, alsmede van militieplichtigen en van hen, die bij de militie zijn ingelijfd, nieuwe regelen te stellen, en tevens te regelen het geneeskundig onderzoek omtrent de geschiktheid voor den krijgsdienst bij de landweer, doch de toepassing van de thans voor het geneeskundig onderzoek van vrijwilligers voor den kolonialen militairen dienst geldende regelen voorloopig te handhaven en evenzeer te handhaven het bij Koninklijk besluit van 2 November 1883 (Staatsblad n°. 151) onder letter C. vastgesteld reglement op het geneeskundig onderzoek omtrent de geschiktheid voor den dienst der Schutterijen;

Den Raad van State gehoord (advies van 14 Juli 1903, n°. 52);

Gelet op het nader gemeenschappelijk rapport van Onzen Minister van Marine, van Onzen Minister van Staat, Minister van Oorlog, en van Onze Minister van Binnenlandsche Zaken van 27 April 1904, Bureau S B, N°. 50, en van 7 Mei 1904, IIIde Afdeeling N°. 7, en van 14 Mei 1904 N°. 948 M, afdeeling Militie en Schutterijen;

Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen:

Artikel 1.

Ten aanzien van het geneeskundig onderzoek omtrent de geschiktheid voor den krijgsdienst van hen, die tot vrijwilligen dienst bij zee- of landmacht wenschen te worden toegelaten en van hen, die daarbij vrijwillig dienen, en ten aanzien van het geneeskundig onderzoek omtrent de geschiktheid voor den krijgsdienst van militieplichtigen en van hen, die bij de militie zijn ingelijfd, worden de reglementen, bij het hiervoren genoemde gewijzigde Koninklijke besluit van 2 November 1883 (Staatsblad n°. 151), onder de letters A. en B. vastgesteld, buiten werking gesteld, en vervangen onderscheidenlijk door de bij Ons tegenwoordig besluit gevoegde reglementen, als:

A. Reglement op het geneeskundig onderzoek omtrent de geschiktheid voor den krijgsdienst van hen, die tot vrijwilligen dienst bij zee- en landmacht of bij de Koninklijke Nederlandsche Marine-Reserve wenschen te worden toegelaten en van hen, die daarbij vrijwillig dienen;

B. Reglement op het geneeskundig onderzoek omtrent de geschiktheid voor den krijgsdienst van militieplichtigen en van hen, die bij de militie zijn ingelijfd, of die kranchtens wettelijke verplichtingen tot de landweer behooren, alsmede van hen, die tot vrijwilligen dienst bij het Reserve-personeel der landmacht, al of niet met bestemming voor den dienst bij de landweer, wenschen te worden toegelaten, en van hen, die bij het Reserve-personeel der landmacht dienen.

Artikel 2.

Het hiervoren vermelde Koninklijk besluit van 3 Augustus 1894, n°. 16, wordt ingetrokken.Het militair geneeskundig onderzoek van hen, die bij de Koninklijke Nederlandsche Marine-Reserve wenschen te worden toegelaten of daarbij eene nieuwe verbintenis wenschen aan te gaan, alsmede van hen, die bij genoemde reserve dienen, geschiedt volgens het bij Ons tegenwoordig besluit gevoegde Reglement A., met inachtneming van hetgeen voorkomt in bijlage I van dit besluit.

Artikel 3.

Het hiervoren genoemde Koninklijk besluit van 31 Maart 1894 (Staatsblad n°. 52), zooals dat is gewijzigd bij Ons besluit van 19 December 1898 (Staatsblad n°. 268), wordt ingetrokken.
Het militair geneeskundig onderzoek van hen, die bij het Reserve-personeel der landmacht al of niet met bestemming voor den dienst bij de landweer, wenschen te worden toegelaten of daarbij eene nieuwe verbintenis wenschen aan te gaan, als of niet met de bestemming bovenvermeld, alsmede van hen, die bij genoemd reserver-personeel dienen, geschiedt volgens het bij Ons tegenwoordig besluit gevoegde Reglement B, met inachtneming van hetgeen voorkomt in bijlage II van dit besluit.

Artikel 4.

Ter bepaling van de gezichtsscherpte en van het kleuronderscheidingsvermogen bij het in vorenstaande artikelen bedoelde geneeskundig onderzoek zullen door Ons nadere voorschriften worden gegeven.

Artikel 5.

Dit besluit treedt in werking:
1°. op 1 September 1904, voorveel hen betreft, die volgens het daarbij gevoegde Reglement A, moeten worden onderzocht;
2°. op 1 November 1904, voor zoveel hen aangaat, die volgens het bij dit besluit gevoegde Reglement B moeten worden onderzocht.

Onze Ministers van Marine, van Oorlog en van Binnenlandsche Zaken zijn, ieder voor zooveel hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behoorende reglementen en bijlagen in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan Onzen Minister van Koloniën en aan den Raad van State.

Het Loo, den 30sten Mei 1904

WILHELMINA

De Minister van Marine,
ELLIS.
De Minister van Staat,
Minister van Oorlog,
J. W. BERGANSIUS
De Minister van Binnenlandsche Zaken,
KUYPER

Uitgegeven den drie en twintigsten Juli 1904
De Minister van Justitie,
J. A. LOEFF



Bijlagen

Bijlage I.

Bij het geneeskundig onderzoek van hen, die bij de Koninklijke Nederlandsche Marine-Reserver wenschen te worden aangenomen, zal de beoordeleling der ziekten en gebreken, welke, ingevolge het 2e en 3e lid van artikel 2 van het "Reglement A op het geneeskundig onderzoek omtrent de geschiktheid voor den krijgsdienst van hen, die tot vrijwilligen dienst bij zee- of landmacht of bij de Koninklijke Nederlandsche Marine-Reserve wenschen te worden toegelaten, en van hen, die daarbij vrijwillig dienen", de geschiktheid voor den vrijwilligen dienst niet uitsluiten, in ruimen zin dienen te geschieden, terwijl bij de toepassing van kolom II van bedoeld Reglement, met inachtneming van het bepaalde bij het eerste lid van artikel 3, met nauwgezetheid, doch met het oog op de bestemming der Marine-Reserve geoordeeld moet worden.

Ten aanzien van de eischen, aan het gezichtsvermogen van het personeel der Koninklijke Nederlandsche Marine-Reserve te stellen geldt:
Voor Luitenants ter zee der 1ste en der 2de klasse, Adelborsten der 1ste klasse en Buitengewone Adelborsten (categorie I):
De toepassing van nummer 14, kolom I van Reglement A zal niet minder streng mogen zijn, dan in dat nummer voor de categorie A is aangegeven. Zij moeten volkomen kleuronderscheidingsvermogen hebben bij het zien met beide oogen.

Voor machinisten en stokers (categorie II) en voor matrozen en torpedisten (categorie III): Te hunnen aanzien moet worden toegepast de bepaling van nummer 14, kolom I van Reglement A, als daarbij voor de categorie C is aangegeven.
Bijziendheid mag alleen in zoo geringen graad worden toegelaten, dat de gezichtsscherpte, zonder glazen bepaald, nog voldoet aan de eischen, in het vorige lid bedoeld.

Behalve voor korporaal-torpedisten en torpedisten, die volkomen kleuronderscheidingsvermogen moeten hebben, is voor reservisten, behoorende tot de IIde en IIIde categorie, onvolkomen kleuronderscheidingsvermogen geen reden tot ongeschiktheid voor den dienst.

Behoort bij het Koninklijk besluit van 30 Mei 1904 (Staatsblad n°. 113).

Ons bekend,
De Minister van Marine,
ELLIS
De Minister van Staat,
De Minister van Oorlog,
J. W. BERGANSIUS.
De Minister van Binnenlandsche Zaken,
KUYPER.

 

 

Bijlage II.

Voor den vrijwilligen dienst bij het Reserver-personeel der landmacht zijn ongeschikt personen, die ziekten en gebreken hebben, vermeld in artikel 3 van het "Reglement B op het geneeskundig onderzoek omtrent de geschiktheid voor den krijgdienst van militieplichtigen en van hen, die bij de militie zijn ingelijfd of die krachtens wettelijke verplichtingen tot de landweer behooren, alsmede van hen, die tot vrijwilligen dienst bij het Reserve-personeel der landmacht, al of niet met bestemming voor den dienst bij de landweer wenschen te worden toegelaten, en van hen, die bij het Reserve-personeel der landmacht dienenspan", met dien verstande dat bij het onderzoek de nummers 158, 189, 194 195 en 197, bij artikel 3 van gemeld Reglement bedoeld, worden gelezen als volgt:

Nummer 158. Verduisteringen of andere weefselveranderingen van het hoornvlies, indien de gezichtsscherpte:
a. van het rechteroog = 1/3 of lager, ook als het linkeroog een gezichtsscherpte bezit = 1;
b. van het rechteroog = 1/2, indien de gezichtsscherpte van het linkeroog = 1/4;
c. van het linkeroog = 1/10, indien de gezichtsscherpte van het rechteroog = 3/4;
d. van het linkeroog = 1/20 of lager, ook als het rechteroog een gezichtsscherpte bezit = 1.
N.B. De gezichtsscherpte in dit geval te bepalen met aanwending van sferische glazen van zoodanige breking, dat hun gebruik zonder nadeelige gevolgen op den duur kan worden toegestaan en onder inachtneming van het bepaalde aangaande de graden van bijziendheid en oververziendheid in n°. 194 en n°. 195 vermeld.

Nummer 189. Gezichtszwakte (amblyopia) indien de gezichtsscherpte gedaald is tot eene van de in n°. 158 aangegeven waarden.
N.B. In die gevallen, waarin de gezichtszwakte gepaard gaat met brekingsafwijkingen van het oog, welker graad op zich zelf niet ongeschikt, maakt, wordt de gezichtsscherpte bepaald met aanwending van sferische en cylindrische glazen van zoodanige breking, dat hun gebruik zonder nadeelige gevolgen op den duur kan worden toegestaan.

Nummer 194. Bijziendheid (myopia):
a. van 3.5 of meer Dioptrieën van het rechteroog;
b. van 6 of meer Dioptrieën van het linkeroog.
N.B. Mindere graden van bijziendheid, bij welke geen volkomen correctie van de brekingsafwijking mogelijk is, maken ook ongeschikt indien zij vallen in de termen van n°. 189 met inachtneming van het bepaalde in de bij dit nummer behoorende noot.

Nummer 195. Oververziendheid (hypermetropia totalis).
a. van 6 of meer Dioptrieën van het rechteroog;
b. van 9 of meer Dioptrieën van het linkeroog.

Nummer 197. Verschil van breking in twee tegenovergestelde meridianen van het oog (enkelvoudig, samengesteld of gemengd astigmatisme), indien de gezichtsscherpte gelijk is aan eene van de in n°. 158 aangegeven waarden.
N.B. De gezichtsscherpte in dit geval te bepalen met aanwending van sferische en cylindrische glazen van zoodanige breking, dat hun gebruik zonder nadeelige gevolgen op den duur kan worden toegestaan, en voor zooveel betreft de eerstgenoemde soort van glazen, onder inachtneming van het bepaalde aangaande den graad van bijziendheid en oververziendheid in n°. 194 en n°. 195 vermeld.

Behoort bij het Koninklijk besluit van 30 Mei 1904 (Staatsblad n°. 113).

Ons bekend,
De Minister van Marine,
ELLIS
De Minister van Staat,
De Minister van Oorlog,
J. W. BERGANSIUS.
De Minister van Binnenlandsche Zaken,
KUYPER.



Bron:

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1904, 01-01-1904. Geraadpleegd op Delpher op 11-10-2018.
Direct naar Staatsblad 113 met het betreffende Koninklijk besluit.



Deze pagina is voor het laatst gewijzigd op: 11 November 2018.