Wet van 27 Februari 1815 betrekkelijk de Nationale Militie

Op 27 febuari 1815 werd de eerste wet op de Nationale Militie van kracht. Deze werd bekend als "Wet tot het in Werking brengen van Art. 123, 124 en 126 der Grond-Wet met opzigt tot de Nationale Militie"

Inhoudsopgave:

Bij deze wet waren diverse modellen van formulieren, staten en andere documenten gevoegd, welke door de diverse partijen (militieraden, gemeenten, enz.) gebruikt diensten te worden. Vanuit de tekst wordt naar deze modellen verwezen. Zij zijn alle op één pagina bijeen geplaatst.



Schutblad van Wet 1815

Wy WILLEM, by de gratie GODS, prinse van Oranje-Nassau, Souverein Vorst der Vereenigde Nederlanden, enz., enz., enz.

Aan alle degenen, die zullen zien of hooren lezen: salut! doen te weeten:

Alzoo Wy in overweging genomen hebben de bepalingen, welke behooren te worden gemaakt tot het in werking brengen van de artikelen 123, 124 en 126 der Grondwet voor de Vereenigde Nederlanden, houdende artikel art 123: ,, behalve de vaste Zee- en Landmagt, zal er steeds zyn eene Nationale Militie, waarvan, in vredestyd, jaarlyks een vyfde gedeelte wordt ontslagen en door anderen ten gelyken getalle vervangen, zoo veel mogelyk te nem en uit Vrywilligers, en anders by Loting, uit de ongetrouwde ingezetenen van 18 tot 22 jaren. Die, welke hun ontslag zullen bekomen, kunnen, onder geen voorwendsel, tot eenigen anderen dienst, dan voor de Schutteryen worden opgeroepen."

Art. 124. ,, De militie komt, in gewone tyden, jaarlyks eenmaal te zamen, om, gedurende eene maand of daaromtrent, in den Wapenhandel geoefend te worden, blyvende het nogtans aan den Souvereinen Vorst voorbehouden, om, Wanneer Hy zulks voor 's Lands belangen mogt geraden oordeelen, één vierde van het geheel getal te doen zamen blyven. Ingevalle het, by buitengewone omstandigheden of dreigend oorlogsgevaar, noodig zyn mogt de geheel militie byeen te roepen en te doen zamen blyven, zal zulks, indien de Staten-Generaal niet vergaderd zyn, gepaard gaan met eene buitengewone byeenroeping van dezelve, ten van het verrigte opening te geven, en de verdere daartoe betrekkelyke maatregelen met de Vergadering te beramen."

Art. 126. ,, De bepalingen, welke door den Souvereinen Vorst omtrent het getal en de inrigting der Militie noodig geoordeeld worden, zullen het voorwerp eener, door Denzelven voor te dragen, wet uitmaken."

Zoo is het, dat Wy, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg van de Staten Generaal dezer Landen hebben goedgevonden en verstaan, gelyk Wy goedvinden en verstaan by deze:

Art. 1.

Behalve de staande Armee, zal, in de Vereenigde Nederlanden, ingevolge art. 123 van de Grondwet, bebestaan een korps Nationale Militie, waarvan de sterkte in evenredigheid zal zyn met de bevolking, zoodanig, dat dezelve, zoo na mogelyk; zal berekend worden op één Man van iedere honderd zielen.

Art. 2.

Dezelve zal nimmer en in geen geval naar de kolonien kunnen worden gezonden en, zonder byzonder toestemming van de Staten-Generaal, niet buiten de grenzen der Vereenigde Nederlanden worden gebruikt, ten zy in een oogenblikkelyk dringend gevaar, of ook wanneer, by garnizoens-veranderingen, de korte marschroute over vreemden bodem loopt: in beide welke gevallen de Souvereine Vorst, zoo dra mogelyk, van de door Hem deswege gestelde orders kennis geven zal aan de vergadering der Staten-Generaal.

Art. 3.

Hetzelve korps zal, zoo veel mogelyk, genomen worden uit vrywilligers en anders by loting uit de ongetrouwde ingezetenen van 18 tot 22 jaren.

Art. 4.

Ten einde dit korps met de meeste geregeldheid worde in stand gebragt en gehouden, zal het grondgebied der Vereenigde Nederlanden worden verdeeld in Militie-Distrikten, elk van omtrent 100,000 inwoners, waarvan de juiste omtrek en hoofdplaatsen door Ons nader zullen worden bepaald.

Art. 5.

Aan ieder der voorgemelde Distrikten zal geaffecteerd zyn een Bataillon Infanterie en eene afdeeling Artilleristen, te zamen berekend op 1000 Man. De afdeelingen Artilleristen zullen worden geformeerd in Kompagnien en Bataillons, uit verschillende Distrikten te zamen gebragt, en, zoo wel als de Bataillons Infanterie, kompleet gehouden op de wyze, hierna te melden.

Art. 6.

Over ieder dezer Militie Distrikten zal door Ons worden aangeileld een Militie Kommissaris, op een vast jaarlyksch traktement.

Dezelve zal zyn één der voornaamste ingezetenen van het Militie- Distrikt, hetzy Burgerlyk Persoon of Militair gepensioneerde, en in hetzelve zyne vaste woonplaats moetende hebben.

Hy zal den rang hebben van Luitenant-Kolonel, ten ware hy te voren reeds eenen hogeren rang bekleed had.

Hy zal belast zyn met het byzondere toevoorzigt over alles, wat de Nationale Militie in zyn distrikt betreft, naar aanleiding van de voorschriften dezer Wet.

Art. 7.

De Militie- Distrikten zullen ieder worden ondergedeeld in tien Militie- Kantons, elk van omtrent 10,000 zielen, welke door Ons zullen worden geregeld, ten einde de loting, waarvan straks nader zal worden melding gemaakt, op eene ordelyke wyze, zoude kunnen geschieden.

Art. 8.

Het contingent der militie-distrikten zal worden omgeslagen over de Steden en Plaatsen, binnen dezelve gelegen, in evenredigheid van de respective bevolking en volgens een algemeen rooster, deswege door ons te arresteren.

Art. 9.

Wnneer de aanloting, na verloop van vyf jaren, zal behooren te strekken tot aanvulling van alle de by ieder bataillon ontbrekende manschappen., zoo als in art. 64 wordt bepaald, zal de wyze dier aanloting by eene nadere wet geregeld worden.

Art. 10.

Het zal aan elke Stad of Plaats vrystaan dit bepaalde contingent geheel of gedeeltelyk in vrywilligers te leveren, onder de navolgende bepalingen:

Art. 11.

Binnen drie weken, nadat by het Stedelyk of Plaatselyk bestuur opgave van het contingent van den. Militie Commissaris zal bekomen zyn, zal hetzelve bestuur verpligt zyn aan den Militie Commissaris intezenden eene lyst der Vrywilligers, welke door hetzelve zal worden geleverd, volgens het model sub litt. A, hier nevens gevoegd.

Art. 12.

Zoodra de Lysten der Vrywilligers uit alle de Steden en Plaatsen van het Militaire District by den Militie Commissaris zullen zyn ingekomen, zal daarvan door hem worden kennis gegeven aan den Gouverneur der Provincie, welke alsdan den Militieraad, zamengesteld en geadsisteerd, zoo als by artikelen 40, 41 en 42 zal worden bepaald, tegen eenen bepaalden dag zal byeenroepen, om die Vrywilligers te onderzoeken.

Art. 13.

De uitslag van dit onderzoek zal door den Militie Commissaris, dadelyk worden gebragt ter kennis van de belanghebbende Stedelyke en Plaatselyke besturen, en, byaldien het alsdan mogt blyken, dat het getal goedgekeurde Vrywllllgers van eenige Stad of Plaats gelyk stond met het volle contingent, hetwelk door dezelve moest geleverd worden, zal er geene loting over deingeschreven van die Stad of Plaats in dat jaar behoeven te geschieden.

Art. 14.

Als Vrywilligers zullen worden toegelaten alle Nederlanders, welke op den 1 January van ieder jaar den vollen ouderdom van 18 jaren zullen hebben bereikt en het 35ste nog niet zyn ingetreden; voor het overige zullen zy de vereischten moeten hebben, welke hierna voor de plaatsvervangers zullen worden bepaald, doch zullen niet buiten het militie kanton mogen genomen worden, ten zy eene Stad meer dan één militie-kanton bevatten, in welk geval het genoegzaam zal zyn, dat die Vrywilligers tot diezelfde Stad behooren.

Art. 15.

De gelden, tot het vinden der Vrywilligers benoodigd, zullen op de jaarlyksche begrooting der plaatselyke uitgaven worden geleden, mits het beloop daarvan niet te boven ga de som, door Ons van elken vrywilliger, den eenen door den anderen gerekend, nader te bepalen; terwyl de daarvan eventueel overschietende penningen zullen blyven ten voordeele van de Plaatselyke Kas.

Art. 16.

Het Plaatselyk Bestuur zal de Vrywilligers by voorkeur zoeken uit de bedeelde en in de verschillende Godshuizen opgevoed wordende personen; zullende hetzelve hierin te werk gaan met overleg der onderscheidene Armbestuurders en Regenten der Godshuizen.

Art. 17.

Voor zoo verre het getal Vrywilligers niet genoegzaam is, zullende ontbrekende manschappen gevonden worden by loting, voor iederen Stad of Plaats in evenredigheid, waarvan by art. 8 gesproken is.

Art. 18.

Om tot eene geregelde loting te komen, zullen alle Nederlanders, die op den 1 January van elk jaar hun negentiende jaar ingetreden zullen zyn en hun drie en twintigste nog niet hebben volbragt, na daartoe by Publicatie te zyn opgeroepen, dit jaar ten spoedigste en in het vervolg voor den eersten February van ieder jaar, by het Plaatselyk Bestuur van hunnen woonplaats zich tot de loting doen inschrijven.

Art. 19.

Ten opzigte der inschryving en loting zal wel het in het byzonder in het oog moeten worden gehouden, dat, welke aanspraak op vrystelling iemand zoude vermeenen, wegens huwelyk of gebreken, enz., te hebben, desniettegenstaande de inschryving en loting door denzelven eveneens als door allee anderen zal moeten geschieden.

Art. 20.

Onder de inschryving zullen ook begrepen zyn de afwezenden. Zoodanige afwezenden, welke ouderloos en geheel hun eigen meester zyn, zullen moeten zorg dragen, dat de inschryving door gemagtigden voor hen geschiede.

De Ouders, Voogden of Regenten, wier kinderen of pupillen afwezend, onwillig of in de onmooglykheid zyn zich te laten inschryven, zullen verpligt zyn dezelve in persoon of door iemand, daartoe door hen schriftelyk gemagtigd, te doen inschryven.

In alle deze gevallen is de bevoegdheid aan de gemagtigden, Ouders, Voogden en Regenten toegekend tot het opgeven van redenen van vrystelling en het stellen van plaatsvervangers.

Art. 21.

Alle manpersonen, vallende in de jaren der NationaleMilitie. by art. 18 omschreven, welke zich niet hebben doen inschryven, zullen, wanneer zy wettige gronden van vrystelling zouden hebben kunnen aanvoeren, door den natenoemenen militie raad kunnen worden verwezen in eene boete, naar gelang der personen en omstandigheden, mits niet boven gaande de somme van ƒ 100:-:-.

Zy, welke geene voldoende redenen van vrystelling kunnen aanvoeren, zullen dadelyk en zonder loting in de Militie worden ingelyfd en daarin vyf volle jaren moeten blyven denen, zonder dat aan hen, gedurende dien tyd, eenig verlof van den dienst zal worden toegestaan.

Art. 22.

Zy, dewelke voorgeven hunnen ouderdom niet te weten, of van wie dezelve inderdaad, noch door de registers van den burgerlyken stand, noch op eenige authentieke wyze bekend is, zullen, wanneer zy door het plaatselyk bestuur ter goedertrouw worden geoordeeld tot die jaren, over welke de inschryvng geschiedt, te behooren, worden ingeschreven en verpligt zyn te loten, zoo lang zy niet duidelyk zullen hebben bewezen daartoe niet gehouden te zyn geweest.

Art. 23.

De wettige woonplaats of het domicilie van hen, die in de Nationale Militie vallen en geen eigen bestaan hebben, wordt gehouden te zyn die van hunnen vader; by ontstentenis van dezen, die van hunne moeder; ook deze niet meer bestaande, die van den eersteen in rang benoemden voogd of curator.

Voor de wettige woonplaats van allen, die een eigen bestaan hebben, wordt die plaats gehouden, alwaar zy, op den eersten January van elk jaar, voor het middel van het personeel en mobilair, of dat, hetwelk in de plaats daarvan zoude mogen worden geïntroduceerd, beschreven zyn, met deze verdere bepalingen:

a. Zoons van Nederlanders, in een vreemd land geboren, zyn verpligt zich te laten inschryven op de plaats, alwaar zy hunne wettige woonplaats hebben.

b. Jonge lieden, door hun vader, moeder, voogd of curator achtergelaten, zullen op de lysten van die gemeente worden gebragt, alwaar hunne ouders, eerst in rang benoemde voogd of curator het laatst hunne woonplaats hebben gehad, en wanneer deze woonplaats niet bekend mogt zyn, op de plaats alwaar zy zich bevinden.

c. Zy, die geene ouders, voogden of eigen wettig domicilie hebben, zullen worden ingeschreven op de plaats, alwaar zy zich bevinden of het laatst bevonden hebben.

d. De gealimenteerde en kinderen in Godshuizen en liefdadige gestichten zullen worden ingeschreven in de plaatsen, alwaar de Godshuizen zyn gelegen of de alimentatie geschiedt.

e. Ten opzigte van de gevangenen, welke in de jaren der loting vallen, zullen de Regenten der gevangenissen verpligt zyn, vóór den 15 January van ieder jaar, aan het Plaatselyk Bestuur van de gemeente, alwaar zy hunne vaste woonplaats hebben, eene naauwkeurige opgave te doen van alles, wat hetzelve voor de opschryving noodig heeft te weten; met byvoeging der misdaad, waarvan zy beschuldigd of om dewelke zy veroordeeld zyn geworden, en den tyd voor welken zy zyn geconfineerd.

Art. 24.

De zoodanigen, welke tot eene onteerende straffen zijn veroordeeld geweest of dezelve hebbenondergaan, zullen, ofschoon ingeschreven zynde, niet op lysten van de loting worden gebragt, ten zy alvorens uitdrukkelyk gerehabiliteerd.

Art. 25.

De Gemeente-Besturen zullen alle de inteschryven personen dadelyk, wanneer zy zich aangeven, brengen op een register, waarvan het model onder lett. B. hiernevens is gevoegd, in die orde, in dewelke zy zich zullen aanbieden. Dit register zal moeten worden gesloten dit jaar ten spoedigste, en voorts op den 31 January van ieder jaar. Uit hetzelve zullen mede ten spoedigste en met de meest mogelyke naauwkeurigheid worden geformeerd alphabetische lysten, volkomen gelyk aan het model lett. C. Deze alphabetische lysten zullen kantons gewyze worden opgemaakt in elke Gemeente, welke meer dan één kanton bevat; en een afschrift van dezelve, van wege het Plaatselyk Bestuur geteekend. zal, tien dagen na het sluiten van het register, aan den Militie-Commissaris worden ingezonden, terwijl de oorspronkelyke ter griffie van dat Bestuur zal blyven berusten.

Art. 26.

De Plaatselyke Besturen zullen naauwkeurig onderzoeken, of allen, welke tot de Nationale Militie behooren, inderdaad zich hebben doen inschryven, om wanneer zy mogten ontdekken, dat een of meer van hunne ingezetenen aan deze verpligting niet hadden voldaan, dezelve op de beide in het vorig artikel gemelde registers en lysten te brengen, even als of zy daartoe zich zelve hadden aangeboden, waartoe zy vooral de doop- en andere registers zullen behooren te raadplegen.

Art. 27.

De Militie Commissaris bepaalt vervolgens de dagen, op welke de loting successivelyk in de hoofdplaats van de verschillende kantons zal geschieden, en geeft daarvan kennis aan de Plaatselyke Besturen, dewelke daaraan, zoo door het doen aflezen in de Kerken als anderzins, de meest mogelyke publiciteit zullen geven.

Art. 28.

De Plaatselyke Besturen zullen naauwkeurig toezien, dat alle de ingeschrevenen, welke tot hunne Gemeente behooren. dan wel derzelver Ouders of Voogden, ten minste drie dagen vóór dat deloting plaats zal hebben by gedrukte of geschreven biljetten, gelyk aan het model hierachter gevoegd sub litt. D., worden opgeroepen tegen het bepaalde uur van loting.

Art. 29.

Na dat de alphabetische lysten door den Militie Commissaris zullen zyn onderzocht en, daar het noodig was, geredresseerd, zal de loting over het geheele land beginnen, in dit jaar zoodra mogelyk, en in het vervolg, op den 20 February van ieder jaar (en indien dezelve op een Zondag valt, den 21 February), onder presidie en directie van de Militie Commissaris en in tegenwoordigheid van een der leden van ieder Plaatselyk Bestuur der Gemeenten, welke tot het Militie-kanton behooren.

De loting zal plaats hebben in die Gemeente, dewelke tot hoofdplaats van elk Militie kanton. door den Militie Commissaris, onder goedkeuring van den Gouverneur der Provincie, waartoe zoodanige Gemeente behoort, zal worden bepaald. By die loting zullen alle belanghebbenden tegenwoordig zyn, zonder dat een grooter getal aanschouwers zal toegelaten worden.

Art. 30.

Alvorens tot de loting overgegaan worde, zal de alphabetische lyst der ingeschrevenen worden voorgelezen en onderzocht, of ook, na het formeren van dezelve, eenige personen of omstandigheden zyn opgekomen, welke daarop zouden behooren te worden genoteerd of daarvan geroyeerd, ten einde daaraan alsdan dadelyk te worden voldaan.

Art. 31.

Het getal der ingeschrevenen zal vervolgens naauwkeurig worden opgenomen. Daarna zullen er evenveel vierkante biljetten, waarop de nummers duidelyk en leesbaar zyn gedrukt, op eene gelyke wyze worden in ééen gerold, na dat dezelve door den Militie Commissaris zullen zyn geparapheerd en aan de Belanghebbenden met luider stemme voorgesteld zynde, in eene witte glazen flesch geworpen, dewelke op eene zigtbare plaats voor den Militie Commissaris zal worden ter neder gesteld.

Art. 32.

De loting zal daarna werkelyk een aanvang nemen. te beginnen met de plaats, welke de eerste is in den alphabetischen rang en zoo vervolgens; en zullen de op de alphabetische lysten geplaatste ingeschrevenen van elke byzondere Stad of Plaats, of van het geheele Militie-kanton, byaldien hetzelve slechts een gedeelte van de Stad of Plaats uitmaakt, opgeroepen.worden, om ieder zyn biljet te trekken, na dat de Militie Commissaris zich vooraf volkomen van de indentiteit des trekkenden, vooral door het getuigenis van den Gecommitteerden uit het Plaatselyk Bestuur hunner woonplaats, zal hebben verzekerd. Voor de zoodanigen, dewelke niet tegenwoordig zyn, en die aan hunne Ouders of voogden of aan respectable bekende personen daartoe geene byzondere volmagt hebben gegeven, zal door den Gecommitteerden uit het Bestuur der Plaats, waartoe de Opgeschrevene behoort, geloot worden.

Art. 33.

De uitslag der trekking van ieder Opgeroepene, aan de Vergadering met luider stemme bekend gemaakt zynde, zal op twee dubbelde lysten, waarvan het model sub letter E hiernevens is gevoegd, naauwkeurig en behoorlyk worden aangeteekend, vóór en aleer tot het trekken van een volgend nummer zal worden overgegaan.

Art. 34.

De loting, alzoo tot het einde toe afgeloopen zynde, zullen alle de Geloothebbenden van nieuws en volgens den alphabetischen rang worden. opgeroepen, gemeten, gesignaleerd en door den Militie-Commissaris zoo naauwkeurig mogelyk worden ondervraagd, of, en welke redenen van vrystelling zy zouden oordeelen te kunnen voorstellen, om daarvan insgelyks dadelyk door hem op de evengenoemde lysten aanteekenlng te worden gedaan.

Art. 35.

De werkzaamheden der loting alzoo afgeloopen zynde, zullen de lotings-lysten van elke Gemeente worden geverifieerd en gesloten en door den Militie Commissarissen met het tegenwoordig zynde lid van ieder Plaatselyk Bestuur geteekend, om door denzelven, binnen acht dagen na iedere loting, te worden ingezonden aan den Gouverneur, ten einde door dezen te worden ter hand gesteld aan het Lid der Staten, hetwelk den Militie Raad zal presideren.

Art. 36.

Vóór het scheiden der Vergadering zal de Militie-Commissaris openlyk kennis geven van de dagen en uren, op welke de Militie-Raad zyne zittingen in de Hoofdplaats van het Militie-District zal houden, ter beoordeeling der redenen van vrijstelling, welke door de geloot hehbenden zyn voorgesteld; en van deszelfs nadere zitting, tot het onderzoek der Plaatsvervangers en diegenen, welke van nummer zullen verlangen ze verwisselen.

Art. 37.

De Plaatselyke Besturen zullen, binnen vyf dagen na de loting, in behoorlyke orde opgemaakt, aan den Militie-Commissaris inzenden alle de papieren en bewysstukken, tot de reclamatiën om vrystelling van de ingezetenen hunner Gemeente behoorende, op den rug beschreven met den Naam, het Nummer van loting en den korten inhoud van ieder dier stukken.

Art. 38.

Van de Nationale Militie zal niemand worden vrygesteld, dan de zoodanigen, welke, volgens de bepalingen in deze Wet vervat, of ongeschikt zyn voor den dienst, of redenen van verschooning hebben; terwyl zy, die niet verlangen den dienst in persoon waar te nemen, eenen anderen in hunne plaats zullen kunnen stellen.

De beoordeeling der redenen van vrystelling, zoo wel als het onderzoek der Plaatsvervangers, zal worden toevertrouwd aan den Militie Raad. Hy, de zich by de uitspraak van den Militie Raad bezwaard acht, zal zich aan de Gedeputeerde Staten kunnen adresseren, die, na een nieuw onderzoek, finaal zullen beslissen.

Art. 39.

De eerste zitting van den Raad tot het beoordeelen der vrystellingen, zal dit jaar, zoodra mogelyk, en voorts uiterlyk op den 10 Maart van ieder jaar, worden gehouden, en die voor het onderzoek der Plaatsvervangers en van die genen, welke hunne nummers verlangen te verwisselen, acht dagen later.

Art. 40.

De Militie Raad zal bestaan uit een Lid der Staten als President, uit een Lid van een der PlaatselykeBesturen van het Militie District en uit een Hoofdofficier der Nationale Militie, doch bepaaldelyk van een ander bataillon, dan het welk aan het Distrikt is geaffecteerd. Alle de leden van den Militie Raad zullen jaarlyks door Ons worden benoemd.

Art. 41.

De Militie Commissaris zal dezen Raad bywonen en denzelven dienen van zoodanige confideratien en advies als dezelve van hem verlangen zal.

Art. 42.

De Militie Raad zal worden geadsisteerd door een Genees- en een Heelmeester, daartoe door den Raad zelven te benoemen en dagelyks te verwisselen. Zy zullen, voor elke zitting, wegens hunne moeite en tydverzuim, met zes guldens worden beloond.

Ieder hunner zal in handen van den President van den Militie Raad afleggen den volgenden Eed of Belofte:

,,Ik zweere (belove), dat ik, in het onderzoeken van den uit-en inwendigen ligchamelyken toestand der Vrywilligers, Opgeschrevenen en Plaatsvervangers voor de Nationale Militie, my stiptelyk zal gedragen naar de voorschriften der Wet op dezelve Militie, en ter goeder trouwe, zonder vriend of vyandschap, gunst of ongunst, rondelyk myn gevoelen zal openbaren, of dezelve zoodanige ziekten of gebreken heben, waardoor zy tot den persoonlyken dienst zouden ongeschikt zyn."

,,Zoo waarlyk helpe my God Almagtig!

Art. 43.

Van den dienst der Nationale Militie, zullen, of voor één jaar of definitivelyk, naar gelang der omstandigheden en den aard der gebreken, worden vrygesteld:

a. Die genen, welke kleinder zyn dan 5 voet Rhynlandsche maat.

b. Zy, die aan zoodanige ziekten of gebreken onderhevig zyn, welke hen voor altyd voor den militairen dienst ongeschikt maken.
De zoodanige, wier ziekten of gebreken zyn van eenen tydelyken aard, zullen niet vry, doch eerst na hunne volkomen herstelling, in effectiven dienst gesteld worden.
Het onderzoek der bovengenoemde ziekten of gebreken zal geschieden door den Genees- of Heelmeester, welke, volgens art. 42, den Militie Raad zullen assisteren. Zy zullen by dat onderzoek mogen regard slaan op behoorlyk geteekende Attestatien van andere ervarene en bekende Genees- of Heelmeesters, onder aanbod van Eede af te geven.

c. Dezoodanigen, welke door een paspoort zullen doen blyken, dat zy, wegens gebreken, uit den dienst der staande armée behoorlyk zyn ontslagen.

d. De geestelyken van alle gezindheden. Deze zullen eene behoorlyke verklaring van het bestuur hunner woonplaats moeten overleggen, dat zy werkelyk zoodanig zyn, volgens model F.

e. De studenten in de Godgeleerdheid. Zy zullen aan den militieraad moeten overleggen een certificaat van den rector of het hoofd van de hooge school, atheneum of seminarium, inhoudende eene verklaring, dat de opgeschrevene is student in de Godgeleerdheid en als zog zyne studien in dat vak onafgebroken voortzet, met verder oogmerk, om zich aan den geestelyken stand toe te wyden.

f. De zoodanigen, welke in s Lands dienst ter zee of te lande zich bevinden, waarvan zy een behoorlyk bewys zullen moeten overleggen.
Onder de Militairen worden ook begrepen de Kadets van de Militaire Scholen, zoo voor den land- als zeedienst.

g. De zoodanigen, welke hunne professie van de buitenlandsche zeevaart maken, waarvoor zullen gehouden worden zy, die, ten minste, gedurende de twee laatste jaren voor hunne inschryving tot de Nationale Militie, dat beroep werkelyk hebben uitgeoefend en als nog uitoefenen.
De evengemelde bepaling van twee jaren zal evenwel niet eerder dan by de inschryving en loting in den jare 1817, van applicatie zyn. By de loting in de jaren 1815 en 1816 zal het voor dengenen, welke uit voorz. hoofde aanspraak op vrystelling van de Nationale Militie zoude willen maken, voldoende zyn te bewyzen, dat by tydens de promulgatie van deze wet, werkelyk zyne professie van de buitenlandsche zeevaart heeft gemaakt en dat beroep alsnog uitoefent.
De vrystelling uit hoofde van de buitenlandsche zeevaart zal in oorlogstyden geene plaats hebben.

h. Dezoodanigen, welke by het thans bestaande korps Nationale Militie plaatsvervangers hebben gesteld, en daarvan behoorlyk declaratoir van den Gouverneur der Provincie, in dewelke zy hebben geloot, zullen inleveren; ook zy, welke, in de Fransche concriptie plaatsvervangers gesteld hebbende zullen bewyzen dat dezelve nog te hunnen koste by de land- of zeemagt dienen, of wel in den dienst gesneuveld of anderszins overleden zyn; gelyk ook de zoodanigen, welke zullen kunnen aantoonen, dat zy den door hen gestelde plaatsvervanger, overeenkomstig het door hen aangegeven contract, ten volle voldaan hebben.

i. Weduwenaren, kind of kinderen hebbende, welke te dezen worden gelyk gesteld met gehuwde personen, die, volgens de Grondwet, tot de Nationale Militie niet kunnen geroepen worden. De gehuwden, zoo wel als de weduwenaren, welke kind of kinderen hebben, zullen van hun huwelyk, en de laatstgemelde ook van het aanwezen hunner kinderen, aan den militieraad moeten doen blyken, door een certificaat van de Plaatselyke Regering, volgens model lett. G.

k. Alle eenige zonen, gelyk ook by vóóroverlyden van beide ouders, alle eenige kleinzonen. Zy zullen hiervan moeten doen blyken door een behoorlyk declaratoir van het bestuur hunner woonplaats, volgens model litt. H.

l. Zoodanige der zoons, en, by vóóroverlyden der beide ouders, zoodanige der kleinzoons van de weduwen, in regten gesepareerde, gedivorceerde of sedert vier jaren door hare mans verlatene vrouwen als voor haar door zynen arbeid den kost wint, wanneer, namelyk, geen anderen zoon of kleinzoon deswege is vrygesteld.
Zy zullen daarvan door een declaratoir van het bestuur hunner woonplaats behoorlyk bewys geven, volgens model litt. I.

m. De broeder of halve broeder van ouderlooze familen, wanneer zy voor hunne zusters of broeders den kost winnen, en daarvan door een certificaat van het Plaatselyk Bestuur, volgens model Litt. I. doen blyken, en geen andere broeder deswege is vrygesteld of zoude overblyven.

n. Dezoodanigen, welke eenen broeder of halven broeder hebben, die by de Nationale Militie werkelyk dient, met deze bepaling, dat wanneer één broeder in dien dienst is geplaatst, een broeder daarvoor vrystelling zal genieten; wanneer er twee in dat geval zyn, twee broeders daarvoor kunnen worden vrygesteld en zoo vervolgens; alles met dien verstande, dat van de drie, twee, van de vyf, drie, en zoo vervolgens zullen worden vrygesteld. Van de reden van vrystelling zoo evengemeld zal een behoorlyk bewys aan den militieraad moeten worden vertoond.

Die by de Nationale Militie of vorige Fransche armee de plaats van anderen vervangen, of hunne nummers verwisseld hebben, of zulks in het vervolg zullen doen, geven geen voorregt van vrystelling aan hunne broeders, ten zy maar één ongetrouwde broeder in het huisgezin overschieten mogt.

De redenen van vrijstelling by a, b, e, k, l, m en n van dit artikel opgeteld, zullen met de daartoe betrekkelyke bewyzen door de belanghebbenden persoonlyk by den militieraad moeten worde ingebragt.

Art. 44.

Van tweelingen of in hetzelfde jaar geboren broeders, wordt diegeen, welke het hoogste nummer getrokken heeft, vrygesteld, ten zy die, welke het laagste nummer getrokken heeft, om ligchaamsgebreken reeds mogt verschoond zyn.

Art. 45.

De militieraad zal, overeenkomstig art. 39, dit jaar, zoodra mogelyk, en voorts uiterlyk op den 18 Maart van ieder jaar, zyne zittingen beginnen tot het onderzoeken en goed of afkeuren der plaatsvervangers, welke zullen worden aangeboden, en de verwisseling van nummers, welke zal worden vrygesteld; en zal, dadelyk na de goedkeuring van de plaatsvervangers en de verwisseling van nummers, daar van aanteekening worden gehouden in een register, overeenkomende met het model litt. K.

Deze zittingen zullen worden gehouden in de hoofdplaats van ieder Militie district.

Art. 46.

Als plaatsvervangers zullen niet worden toegelaten dan Nederlanders, die den vollen ouderdom van 23 jaren, op den eersten January van ieder jaar zullen hebben bereikt, en het 35 nog niet zyn ingetreden, niet kleinder dan vyf voet en twee duim Rhynlandsche maat, geboren of wonende in het Militie distrikt, waaraan het Bataillon, in hetwelk zy zouden moeten dienen, geaffecteerd is, gezond, sterk en vry van alle ligchaamsgebreken, die tot den Militairen dienst ongeschikt maken, voorzien van een attest, volgens model litt. L; afgegeven door het Plaatselyk Bestuur, op het getuigenis van twee bekende Ingezetenen, houdende, dat de voorgestelde plaatsvervanger is van een goed gedrag, en dat door hem aan de Nationale Militie is voldaan of niet heeft kunnen voldaan worden.

Gehuwden kunnen alleen als plaatsvervangers worden aangenomen, onder voorwaarde, dat zy zullen doen blyken, dat voor de behoefte van hunne Huisgezinnen, gedurende den geheelen activen dienst, is gezorgd, zoodanig, dat dezelve niet ten laste van eenige publieke kas zullen komen, terwijl hunne vrouwen en kinderen nimmer het Bataillon mogen volgen naar eene andere plaats, dan die, alwaar zy wonen, op het oogenblik, dat zy als plaatsvervangers zich verbonden hebben.

Geene andere gedimitteerde militairen zullen als plaatsvervangers worden aangenomen, dan die van een paspoort zyn voorzien, waaruit duidelyk blykt, dat zy geenszins wegens slecht gedrag uit den dienst zyn ontslagen.

Art. 47.

Aan alle geloothebbende personen van dezelfde Stad of, in Steden meer dan een kanton bevattende, van hetzelfde Militiekanton, en aan geene anderen is het geoorloofd het door hem getrokken nummer voor die loting onderling te verwisselen, mits dat hy, die in de plaats van een ander treedt, niet door den Militieraad worde afgekeurd.

Geene der by art. 43 sub litt. k, l, m en n vrygestelde personen mogen van nummer verwisselen, dan met schriftelyke toestemming van hunne ouders of voogden, door het Plaatselyk Bestuur gecertificeerd, en volgens model litt. M opgemaakt, dewelke aan den Militieraad zal moeten worden vertoond.

Art. 48.

Dadelyk na de goedkeuring van den plaatsvervanger, zal hy, in wiens plaats dezelve zal dienen, ten Kantore van den Ontvanger-Generaal van de Provincie, in de hoofdplaats van dewelke de Raad zyne zittingen houdt, moeten storten eene somme, waarvan het maximum wordt bepaald op f 50:-, en het minimum op f 25:-, en waarvan de juiste regeling, in elk byzonder geval, aan de beslissing van den Militieraad wordt overgelaten. Vervolgens zal hy, by eene publieke akte, na dat de minute derzelve alvorens aan den Militieraad zal zyn vertoond en door denzelven goedgekeurd, finaal doen opmaken het contrakt, tusschen hen en zynen plaatsvervanger aangegaan, met overlegging van de kwitantie der betaling van de hierbovengemelde sommen.

De voorschreven contrakten zullen, volgens het model litt. N, worden; opgemaakt, terwyl daarvoor met het dubbeld, boven de onkosten van het zegel, niet meer dan drie guldens zal worden betaald.

Voor zoo veel de contrakten met een plaatsvervanger aangaat, zal de som, waarvan de betaling in eens, als handgeld of anderzins by het in dienst treden, door hem mogt zyn bedongen, slechts voor een vyfde gedeelte door hem ontvangen worden, en zullen de overige vier vyfde gedeelten dier som door den geremplaceerden moeten worden gestort in de kas van het Bataillon, waarin de plaatsvervanger zal dienen. Van het gezegde restant zal aan hem, by ommekomst van ieder dienstjaar, een vierde worden uitbetaald.

Art. 49.

Wanneer een broeder zich laat welgevallen voor zynen ouderen broeder in dienst te treden, als had hy ook slechts den ouderdom van 18 jaren, en niet dien, voor een plaatsvervanger vereischt, bereikt, zal hem dit vrystaan, zonder dat in dat geval eenige betaling, op den voet van art. 48, zal behoeven te geschieden.

Art. 50.

Hy, die een goedgekeurden plaatsvervanger in dienst heeft, zal, gedurende den tyd van 18 maanden, te rekenen van het oogenblik, dat hy in dienst is getreden, voor denzelven moeten instaan. Het ontslag aan plaatsvervangers toegestaan, ten gevolge van ongemakken in den dienst bekomen of hun overlyden, door welke oorzaak dan ook, stelt den geremplaceerden van alle verpligting tot den dienst vry.

Art. 51.

De defertie zal door den Kommanderenden Officier van het Bataillon, zonder verwyl, gebragt worden ter kennis van den Gouverneur der Provincie, waartoe degeen, wiens plaatsvervanger gedeferteerd is, behoort.

Art. 52.

De Gouverneur zal daarop dadelyk hiervan kennis geven aan het Plaatselyk Bestuur der laatste woonplaats van den geremplaceerden, ten einde denzelven te onderrigten, dat, wanneer de gedeferteerde niet, binnen ééne maand na de kennisgeving, ontdekt en weder in dienst is geplaatst, degeen, voor wien dezelve diende, dadelyk zorge zal moeten dragen, om of zelf in den dienst te treden of eene anderen plaatsvervanger te stellen.

Art. 53.

Ten gevolge dezer oproeping, zal hy moeten zorgen, dat, uiterlyk na verloop van ééne maand, een ander behoorlyk door den Militieraad goedgekeurde plaatsvervanger te zynen koste aan het Bataillon, van hetwelk de eerstee gedeserteerd is, geleverd worde, ten zy hy mogt verkiezen, om zelf den dienst te presteren, in welk geval hy, na kennisgeving van zyne intentie aan den Militie-Commissaris van zyn distrikt, zich ingelyks te zynen koste naar zoodanig Bataillon zal moeten begeven.

Zoodra hy zelf of zyn nieuwe plaatsvervanger in het Bataillon zal zyn ingelyfd, zal de som, welke van het handgeld van zynen vorigen plaatsvervanger, ingevolg art. 48, nog in de Bataillonskasse overig, of aan hem terug gegeven of tegen hetgene hy, wegens zyne nieuwen plaatsvervanger storten moet, verrekend worden.

Art. 54.

De desertie doet alle verpligting, uit het contrakt van plaatsvervanging spruitende, dadelyk vervallen, en geen plaatsvervanger heeft, na eens gedeserteerd te zyn, eenig regt of aanspraak op den genen, met wien hy zich, ter zake van zyne dienstneming, heeft verbonden.

Art. 55.

Alle reclamatien afgedaan, de plaatsvervangers en zy die van nummers gewisseld hebben, aangenomen zynde, zullen alle de manschappen, welke tot conpletering van het Bataillon dienen moeten, op door den militieraad te bepalen dagen, welke, in volgende jaren, niet later mogen worden gesteld, dan uiterlyk, op den 26 Maart, worden opgeroepen en in de hoofdplaats van ieder Militie Distrikt verzameld, waar van aan den Gouverneur der belanghebbende provincie zal moeten worden kennis gegeven. De verzamelde manschappen zullen als dan, na door den militieraad te zyn geïnspecteerd, worden overgeleverd aan een officier van het Bataillon van het Militie-Distrikt, by hetwelk de nieuwe manschappen manschappen moeten worden ingelyfd, daartoe door den chefvan het korps gedespicieerd, met een nominativen staat van dezelve, geformeerd, volgens model sub. litt. O, door den President van den militieraad getekend en aan den voornoemden officier overgegeven; terwyl daarvan twee dubbelde, ten blyke vanontvangst der manfchappen, door den officier zullen worden geteekend, waarvan de eene zal blyven berusten by den Militie Commissaris van het distrikt en de andere aan het departement van binnenlandsche zaken moet worden overgelegd.

Art. 56.

Wanneer de manschappen eenmaal door den militieraad zyn onderzocht goedgekeurd en alzoo aan het battaillon, waartoe zy behooren, overgegeven, zal men dezelve vervolgens, om geene gebleken of redenen.van verschooning, van welken aard ook, uit den dienst mogen ontslaan, maar alleen. in het geval, wanneer de kommanderende officier van het bataillon, of, wanneer het bataillon zich buiten deszelfs distrikt bevindt, de kommandant van het depot mogt oordeelen, dat eenige zeer aanmerkelyke gebreken naderhand opgekomen of de opmerkzaamheid van den militieraad ontsnapt mogten zyn, zal hy daarvan een omstandig en schriftelyk berigt aan den Gouverneur der Provincie inzenden, dewelke order stellen zal dat zoodanige manschappen op nieuw door den militieraad worden onderzocht.

Art. 57.

De manschappen by de Nationale Militie ingelyfd, dewelke zich, in de staande armee, vóór dat de vyf jaren van hunnen dienst zyn geëxpireerd, zullen hebben geëngageerd, zullen beschoud en gestraft worden even als de soldaten der armee, die zonder permissie, uit het ene korps tot het andere overgaan.

De bepaling van dit artikel zal zich uitstrekken tot de zoodanigen, welke gedesigneerd zyn om te marscheren, als welke van het oogenblik hunner designatie, in dezen beschouwd worden met de reeds werkelyk dienstdoenden gelyk te staan.

Art. 58.

Door de Plaatselyke Besturen zullen aan alle Personen, welke dezelve zullen verlangen, bewyzen, volgens model litt. P, afgegeven worden van derzelver inschryving voor de Nationale Militie, van byvoeging der redenen hunner vrystelling, indien zy dezelve mogten bekomen hebben.

De voorgeschrevene bewyzen zullen worden afgegeven ongezegeld en kosteloos; zullende, wegens dezelve, onder welk voorwendsel of onder welke benaming ook zoude mogen zyn, geene betaling hoegenaamd mogen worden afgevorderd of gedaan.

Art. 59.

Hy, die zich ten huwelyk wil laten aanteekenen, is gehouden een bewys over te leveren, dat hy voldaan heeft aan de verpligtingen, die ten aanzien der Nationale Militie, tot op dat tydstip, op hem gerust hebben; zoodanig bewys producerende, wil hy ten huwelyk worden toegelaten, doch hetzelve niet kunnen vertoonen, zal, te zynen opzigte, gehandeld worden, op de wyze by art. 21 dezer wet bepaald. Niemand zal tot eenig ambt of bediening worden toegelaten, ten zy hy een gelyk bewys hebbe ingeleverd. By onstentenis zal met hem insgelyks gehandeld worden, zoo als by het boven aangehaalde artikel is voorgeschreven.

Art. 60.

In vredestyd zullen jaarlyks, op den eersten April, de manschappen van elk bataillon, welke hunnen tyd van vyf jaren by de Nationale Militie hebben uitgediend, alsmede zy, die door ligchaamsgebreken, overlyden van broeders, enz., in de termen van vrystelling gekomen zyn, uit den dienst worden ontslagen.

Art. 61.

Dit ontslag zal, met betrekking tot de Landmilitie, opgerigt by Ons besluit van den 20 December 1813, (zie Staatsblad d'Ao. 1813, No. 14) voor de eerste reize plaats hebben, na dat de staat van vrede, waarin zich deze landen thans bevinden, door den afloop der plaatshebbende onderhandelingen tusschen de Mogendheden, tot vastheid zal zyn gekomen.

Art. 62.

Te dien tyd zal by het lot, kompagnies of bataillons gewyze, bepaald worden, welke manschappen in het loopende jaar zullen ontslagen worden.

Art. 63.

Gelyke loting zal in de volgende jaren worden herhaald; met dien verstande, dat onder het jaarlyks ontslagen wordende vyfde gedeelte, allereerst begrepen zullen zyn degenen, die, volgens de in art. 43 opgetelde redenen van vrystelling, aanspraak op zoodanig ontslag maken kunnen.

Art. 64.

Jaarlyks, te beginnen met 1815, zal worden aangeloot een vyfde gedeelte der manschappen, waarop de Nationale Militie, volgens art. 1, berekend is. En zal eerst, na vyf dergelyke aanlotingen, de aanvulling der ontbrekende manschappen by ieder bataillon, jaarlyks op de wyze by art. 9 dezer wet voorgeschreven, geschieden.

Art. 65.

De manschappen in 1815 en vervolgens in de Nationale Militie tot derzelver sucessive completering ingelyfd, zullen, na vyf jaren gediend te hebben, hun ontslag bekomen, zonder dat daartoe een verdere loting noodig zal zyn.

Art. 66.

In tyd van oorlog, wanneer één of meer bataillons op den veldvoet gebracht zyn, zal de verpligting der kompletering, zoo de gewoone jaarlyksche, als die, welke door buitengewone omstandigheden zouden kunnen noodig zyn, niet eenig en alleen het Militie Distrikt incumberen, waartoe ieder van dezelve behoort, maar de ontbrekende manschappen zullen overal de Militie-Distrikten van het geheele land, en vervolgens in ieder Militie-Distrikt over het geheel of gedeelte der Stad of over de Steden en Plaatsen, binnen dat distrikt gelegen, naar evenredigheid der respective bevolking, worden verdeeld.

Art. 67.

Dadelyk na de gedane inlyving der nieuwe manschappen, zullen zy, dewelke hunnen tyd hebben uitgediend, ontslagen en van paspoorten worden voorzien.

Art 68.

De nieuw aangekomene manschappen zullen, van den 1 April af aan, in de hoofdplaats van het distrikt of alwaar het depot van het battaillon zich bevindt, byeen moeten blyven, om in den wapenhandel te worden bekwaam gemaakt, tot dat de jaarlyksche exercitien van het geheele korps, waarvan in het 69ste artikel wordt gesproken, zullen zyn geëindigd.

Art. 69.

In gewone tyden, zal, jaarlyks op den 15 Mei, ieder bataillon van Nationale Militie byeen komen, om, van dien tyd af tot en met den 15 Juny, in den wapenhandel en militaire evolutien te worden geoefend.

Art. 70.

Na het afloopen dezer jaarlyksche wapenoefeningen zullen, in vredestyd, ten minste drie vierde gedeelten van de geheele Nationale Militie naar hunne haardsteden terug keeren, en ten hoogste een vierde in gestadigen dienst verblyven.

In gewone tyden zal het verlof over elk bataillon worden gegeven; maar wanneer 's Lands belang in enkele gevallen mogt vereischen, dat één op meer bataillons geheel by elkander blyven, zal zulks kunnen plaats hebben, doch zal alsdan aan een des te grooter getal manschappen van de overige bataillons verlof worden verleend; terwyl in volgende jaren de evenredigheid van het verlof over alle de bataillons zal worden hersteld.

Art. 71.

Om het een vierde gedeelte, het geen overeenkomstig art. 70, in gestadigen dienst zal overblyven, te vinden, zullen in de eerste plaats woren gedesigneerd de zoodanigen, welke zich aan den dienst hebben willen onttrekken en zonder loting in de bataillons zyn ingelyfd, daarna de Plaatsvervangers of die van nummers hebben gewisseld, vervolgens die genen, welke verlangen in dienst te blyven.

Het een vierde dan nog niet voltallig zynde, zal uit de overige manschappen, onder het toezigt van den Raad van Administratie van het korps, by loting worden aangevuld met deze bepaling, dat hy, die tot den blyvenden dienst, by loting, is ingevallen, in het volgende jaar, van zelve zal behooren tot de zoodanigen, aan wie verlof zal worden gegeven, ten zy hy mogt verkiezen te blyven dienen.

Art. 72.

Ten aanzien der soldyen, vivres, wapening, kleeding, kazerneringen en discipline, zal de Nationale Militie, welke zich in activen dienst bevindt, volkomen gelyk staan aan de staande Armée; en de omtrent de kleeding en equipements-gelden, ingevoerde reglementen zullen worden gewyzigd naar de langdurigheid van den dienst en het gebruik der objecten.

Art. 73.

De traktementen der Officieren van den grooten en kleinen Staf zullen altyd blyven voortduren, op gelyken voet, als die by de staande Armée plaats heeft. Eveneens zullen die Officieren, welke by het één vierde active gedeelte en voor de Administratie, in permanenten dienst blyven, altyd het volle traktement genieten; doch aan die Officieren en Onderofficieren, aan dewelke by de Nationale Militie verlof wordt gegeven, zal, gedurende den tyd van zy niet dienen, slechts de helft van hun traktement worden betaald.

Art. 74.

De Korporaals, Soldaten, Tamboers en Pypers zullen, wanneer zy in actieven dien zyn geplaatst, dezelve soldy en vivres genieten, dewelke voor de staande Armée is bepaald; doch wanneer zy met verlof afwezend zyn, zullen zy geene soldy of vivres ontvangen, gelyk hun mede niet zal worden toegelegd de stuiver per dag, als reserve, voor de met verlof zynde Soldaten der staande Armée geaccordeerd.

Art. 75.

De manschappen zullen, van het oogenblik af dat zy door den Militie-Commissaris aan het bataillon zyn overgegeven, dezelfde voorregte van soldy, vivres, inkwartiering en wat dies meer is, genieten, welke aan de staande Armée zyn toegestaan. Zy zullen ook op inkwartiering aanspraak hebben van het oogenblik af aan, dat zy zich van hunne woonplaatsen begeven, om zich by hunne korpsen te vervoegen, en voorts, jaarlyks, gedurende den tyd, dewelke zy voor den heen- en terug-marsch naar huis noodig hebben.

Art. 76.

De Plaatselyke Besturen, aan dewelke zich de terugkeerende manschappen, dadelyk na hunnen t'huiskomst, zullen moeten adresseren, zullen te allen tyde behoorlyke lysten, volgens model litt. Q, in het gereede houden van alle de manschappen, welke van hunne Gemeente tot de Nationale Militie behooren en bepaaldelyk daarop aanteekenen de zoodanige, welke met verlof naar huis zyn gezonden; zy zullen vóór den 10den van iedere maand, aan den Militie Commissaris daarvan een naauwkeurig uittreksel inzenden, waarop behooren te worden genoteerd de ziekte, het overlyden of het doorgaande gedrag van ieder deze manschappen, met alle zoodanige byzonderheden, dewelke hun betreffen en van eenig belang kunnen worden geoordeeld te zyn.

Art. 77.

Ten einde men met naauwkeurigheid te allen tyde zal kunnen weten, tot welk Kanton en Gemeente ieder dienstdoende by de Nationale Militie behoort, zullen de chefs der bataillons Nationale Militie zorg dragen, dat er in de Stamboeken altyd by den naam van den Soldaat worde gesteld deszelfs geboorteplaats, laatste woonplaats, de naam der plaats, tot welk contingent hy behoort en het nummer, het welk hy heeft getrokken, gelyk ook de naam van hem, voor wien hy plaatsvervanger is, of met wien hy van nummer heeft verwisseld.

Art. 78.

De officieren en onder-officieren der Nationale Militie zullen dezelfde voordeelen, ten aanzien van de pensioenen, gagementen, weduwen-fondsen, enz., genieten, welke aan de staande armee toekend zyn. Met opzigt tot de de korporaals en manschappen, zal zulks alleen plaats hebben voor zoo verre zy in den dienst mogten zyn geblesseerd of gesneuveld.

Art. 79.

De Militie Commissaris zal, in tyd van vrede, wanneer drie vierde gedeelten der respective Bataillons met verlof afwezend zyn, zich telken drie maanden naar de hoofdplaats van ieder kanton begeven en aldaar de met verlof zynde manschappen byeen verzamelen, om door hem te worden geïnspecteerd.

Art. 80.

Alle de kosten van traktementen, soldyen, kleeding, vivres, enz., door de Nationale Militie veroorzaakt wordende, zullen uit 's Lands schatkist worden betaald.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geïnsereerd, en dat een genoegzaam getal exemplaren gedrukt en naar alle steden en plaatsen zal worden verzonden, om [onleesbaar] te worden afgekondigd en aangeplakt.

Lasten en bevelen voorts, dat Onze ministeriële departementen en andere autoriteiten, justicieren en officieren, wien zulks aangaat, aan de naauwkeurige uitvoering de hand zullen houden, zonder eenige conniventie of dissimulatie.

Gegeven in 's Gravenhage, den 27 February des jaars 1815, het tweede van Onze Regering.

(geteekend) W I L L E M.
Ter ordonnantie van Zyne Koninklyke Hoogheid.
(geteekend) A. R. F a l c k.



Bronnen:

  1. "Wet tot het in werking brengen van Art. 123, 124 en 126 der Grond-Wet met opzigt tot de Nationale Militie, gearresteerd den 27 Febuary 1815". Gedrukt bij het Bureau der 's Gravenhaagsche Courant. Digitaal exemplaar op books.google.com.


Deze pagina is voor het laatst gewijzigd op: 24 December 2017.