Wet van den 19den Augustus 1861 betrekkelijk de Nationale Militie

Op 19 augustus 1861 werd een nieuwe wet in het Staatsblad nr. 72 geplaatst, die op 1 januari 1862 de Wet op Nationale Militie van 1817 heeft vervangen.

Inhoudsopgave:



ACHTSTE HOOFDSTUK VAN DE GRONDWET.
Van de Defensie.

Art. 177. Het dragen der wapenen tot handhaving der onafhankelijkheid van den Staat en tot beveiliging van zijn grondgebied, blijft een der eerste pligten van alle ingezetenen.

Art. 178. De Koning zorgt, dat er ten allen tijde eene toereikende zee- en landmagt onderhouden worde aangeworven uit vrijwilligers, hetzij inboorlingen of vreemdelingen, om te dienen in of buiten Europa, naar de omstandigheden.

Art. 179. Vreemde troepen worden niet dan met gemeen overleg des Konings en der Staten-Generaal in dienst genomen.

Art. 180. Er is steeds eene nationale militie, zooveel mogelijk zamen te stellen uit vrijwilligers, om te dienen, op de wijze in de wet bepaald.

Art. 181. Bij gebrek aan genoegzame vrijwilligers, wordt de militie voltallig gemaakt door loting uit de ingezetenen, die op den eersten Januarij van elk jaar hun twintigste jaar zijn ingetreden. De inschrijving geschiedt een jaar te voren.

Art. 182. Zij, die aldus in de militie te land zijn ingelijfd, worden in vredestijd, na eene vijfjarige dienst ontslagen.

Is de Staat in oorlog of in andere buitengewone omstandigheden, zoo kan eene wet, jaarlijks te vernieuwen, hen tot langere dienst verpligten.

Art. 185. De militie te land komt, in gewone tijden, jaarlijks eenmaal te zamen, om, gedurende niet langer dan zes weken, in den wapenhandel te worden geoefend, tenzij de Koning het raadzaam mogt oordeelen, dat zamenkomen geheel of gedeeltelijk achterwege te laten.

De Koning kan een deel der militie, door de wet te bepalen, doen zamenblijven.'

De ligting van het loopende jaar kan tot eerste oefening hoogstens twaalfmaanden onder de wapenen gehouden worden.

Art. 184. Ingeval van oorlog of andere buitengewone omstandigheden. kan de Koning de militie te land, hetzij geheel hetzij ten deele, buitengewoon bijeenroepen.

Tenzelfden tijd roept de Koning de Staten-Generaal bijeen, opdat eene wet het zamenblijven der militie. zooveel noodig. bepale.

Art. 185. De lotelingen bij de militie te land mogen niet dan met hunne toestemming naar de koloniën en bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen worden gezonden.

Art 186. Een gedeelte der militie kan voor de dienst ter zee worden bestemd op de wijze door de wet te bepalen.

Voor dat gedeelte wordt, behalve andere door de wet toe te kennen voordeelen, een korter diensttijd bepaald.

Het voorgaande artikel is op deze zeemilitie niet van toepassing.

Art. 187. Alle kosten voor de legers van het Rijk worden uit 's Lands kas voldaan.

De inkwartieringen en het onderhoud van het krijgsvolk, de transporten en leverantiën, van welken aard ook, voor 's Konings legers of vestingen gevorderd, kunnen niet dan tegen schadeloosstelling, op den voet in de reglementen bepaald. ten laste van één of meer inwoners of gemeenten worden gebragt.

De uitzondering voor tijden van oorlog regelt de wet.

Art. 188. In de gemeenten worden schutterijen opgerigt.

Zij dienen in tijd van gevaar en oorlog tot verdediging des vaderlands. en ten allen tijde tot behoud der inwendige rust.

Art. 189. De sterkte en inrigting der militie en der schutterijen worden geregeld door de wet.

WET van den 19den Augustus 1861,
(Staatsblad N°. 72) betrekkelijk
de Nationale Militie.

WIJ WILLEM III, bij de GRATIE Gods, Koning der NEDERLANDEN, Prins van ORANJE-NASSAU, Groot-Hertog van LUXEMBURG, enz., enz., enz.

Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten:

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat eene nieuwe wet betreffende de nationale militie door de Grondwet wordt gevorderd;

Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

HOOFDSTUK I.
Algemeene bepalingen.

Art. 1.

De sterkte der militie gaat het getal van 55,000 man niet te boven.

De militie wordt zooveel mogelijk uit vrijwilligers zamengesteld.

Bij gebrek aan genoegzame vrijwilligers voor de militie wordt zij voltallig gemaakt door loting uit de ingezetenen, die hun 20ste jaar zijn ingetreden.

Art. 2.

Jaarlijks geschiedt eene ligting, het getal van 11,000 man niet te boven gaande.

De hoegrootheid van elke ligting en van het daarin door elke provincie te dragen aandeel wordt jaarlijks door Ons bepaald bij een in het Staatsblad te plaatsen besluit.

Dit aandeel wordt bepaald in evenredigheid tot het getal der in de provincien in het vorig jaar voor de militie ingeschrevenen, voor zoover zij op den 31sten December van dat jaar in leven waren. Daarbij worden niet in rekening gebragt zij, die vóór hunne inschrijving bij de zeemagt, bij het leger hier te lande of bij het krijgsvolk in 's Rijks overzeesche bezittingen in dienst getreden zijn en zich nog daarin bevinden.

Art. 3.

Het door elke gemeente in het aandeel der provincie te dragen gedeelte wordt door Gedeputeerde Staten bij een in het provinciaal blad te plaatsen besluit bepaald, in evenredigheid tot het getal der in de gemeente, in het vorig jaar, voor de militie ingeschrevenen, voor zoover zij op den 31sten December van dat jaar in leven waren. Daarbj worden niet in rekening gebragt zij, die vóór hunne inschrijving bij de zeemagt, bij het leger hier te lande of bij het krijgsvolk in 's Rijks overzeesche bezittingen in dienst getreden zijn en zich nog daarin bevinden.

Ter bepaling van dat aandeel kunnen, zoo noodig, twee of meer gemeenten, voor elke ligting afzonderlijk, door Gedeputeerde Staten worden zamengevoegd.

Art. 4.

Het staat elk vrij, zijne dienst bij de militie, volgens de bepalingen dezer wet, door een ander te doen waarnemen.

Art. 5.

Een deel van elke ligting kan voor de dienst ter zee worden bestemd. Het wordt door Ons bepaald en bedraagt niet meer dan zes honderd man.

Art. 6.

Voor de ingelijfden bij de militie te land, duurt de dienst vijf, voor die bij de militie ter zee vier jaren.

Is de Staat in oorlog of in andere buitengewone omstandigheden, zoo kan eene wet, jaarlijks te vernieuwen, hen tot langere dienst verpligten.

Art. 7.

In elke provincie is een militieraad en een militie-commissaris.

In zeer bevolkte of uitgestrekte provincien kunnen twee of meer militieraden en militie-commissarissen zijn.

Art. 8.

Hij, die op den 1sten Januarij van het jaar zijn 19de jaar was ingetreden, maar zijn 40ste niet had volbragt, wordt niet tot het aangaan van een huwelijk of van eene verbindtenis tot uitoefening van de buitenlandsche zeevaart toegelaten, dan na te hebben bewezen, tot op het tijdstip van de aangifte tot het aangaan van een huwelijk of van eene verbindtenis voor de bnitenlandsche zeevaart, zijne pligten ten aanzien van de militie te hebben vervuld, of tot geene dienst bij de militie gehouden te zijn of geweest te zijn.

Op de bij de militie ingelijfden zijn bovendien de artt. 128, 129, 136, 156 en 157 toepasselijk.

Art. 9.

Elk, die voor de militie is ingeschreven, en ieder, die daarbij is ingelijfd, kan, behoudens de uitzondering in art. 74, overeenkomstig de daaromtrent bestaande voorschriften, tot eene vrijwillige verbindtenis voor den tijd van zes jaren of langer worden toegelaten bij de zeemagt, het corps mariniers hieronder begrepen, bij het leger hier te lande of bij het krijgsvolk, dienende in 's Rijks overzeesche bezittingen.

Hij, die bij het aangaan van zoodanige verbindtenis reeds bij de militie is ingelijfd, of daartoe later wordt opgeroepen, strekt altijd in mindering van het aandeel in de ligting, te dragen door de gemeente, binnen welke bij is ingeschreven.

Art. 10.

Met uitzondering van de overeenkomsten van vervanging in de dienst, zijn alle volgens deze wet over te leggen stukken vrij van zegel-, registratie- en legalisatiekosten.

HOOFDSTUK II.
Van de Vrijwilligers bij de Militie.

Art. 11.

Om vrijwilliger bij de militie te zijn, moet men ongehuwd of kinderloos weduwenaar en ingezeten wezen, voorts ligchamelijk voor de dienst geschikt, ten minste 1,56 el lang, op den 1sten Januarij van het jaar der optreding als vrijwilliger het 20ste jaar ingetreden zijn en het 55ste jaar niet volbragt hebben, tot op het tijdstip der optreding aan zijne verpligtingen ten aanzien van de militie, zoover die te vervullen waren, voldaan en een goed zedelijk gedrag hebben geleid.

Het bezit van die vereischten, met uitzondering van de ligchamelijke geschiktheid en van de gevorderde lengte wordt bewezen door een getuigschrift van den burgemeester der woonplaats.

Dat getuigschrift is ingerigt in den door Ons te bepalen vorm.

Art. 12.

Hij, die voor de militie is ingeschreven, wordt slechts als vrijwilliger toegelaten voor de gemeente, in welke hij ingeschreven is, tenzij hij geene verpligtingen ten aanzien van de militie meer te vervullen hebbe.

Art. 13.

Hij, die bij de zeemagt, bij het leger hier te lande , of bij het krijgsvolk in 's Rijks overzeesche bezittingen heeft gediend. wordt niet als vrijwilliger bij de militie toegelaten, tenzij hij bij het verlaten van de dienst, behalve een bewijs van ontslag, van den bevelhebber, onder wien hij laatstelijk heeft gediend , een getuigschrift hebbe ontvangen. inhoudende, dat hij zich gedurende zijn diensttijd goed heeft gedragen.

Hij kan heeft hij dit ontvangen, tot dat zijn veertigste jaar volbragt is, als vrijwilliger bij de militie worden toegelaten.

Art. 14.

De vrijwilligers strekken in mindering van het aandeel in de ligting, te dragen door de gemeente, voor welke zij optreden.

HOOFDSTUK III.
Van de Inschrijving voor de Militie.

Art. 15.

Jaarlijks worden voor de militie ingeschreven alle mannelijke ingezetenen, die op den 1sten Januarij van het jaar hun 19de jaar waren ingetreden.

Voor ingezeten wordt gehouden:

1°. hij, wiens vader, of, is deze overleden, wiens moeder, of, zijn beiden overleden, wiens voogd ingezeten is volgens de wet van den 28sten Julij 1850 (Staatsblad n°. 44); 1)

2°. hij, die, geen ouders of voogd hebbende, gedurende de laatste, aan het in de eerste zinsnede van dit artikel vermelde tijdstip voorafgaande, achttien maanden in Nederland verblijf hield;

3°. hij, van wiens ouders de langstlevende ingezeten was, al is zijn voogd geen ingezeten, mits hij binnen het Rijk verblijf houdt.

Voor ingezeten wordt niet gehouden de vreemdeling, behoorende tot eenen Staat, waar de Nederlander niet aan de verpligte krijgsdienst is onderworpen, of waar ten aanzien der dienstpligtigheid het beginsel van wederkeerigheid is aangenomen.

Art. 16.

De inschrijving geschiedt:

1°. van een ongehuwde in de gemeente, waar de vader, of, is deze overleden, de moeder, of, zijn beiden overleden, de voogd woont;

2°. van een gehuwde en van een weduwenaar in de gemeente waar hij woont;

3°. van hem, die geen vader. moeder of voogd heeft of door dezen is achtergelaten, of wiens voogd buiten 's lands gevestigd is, in de gemeente, waar hij woont;

4°. van den buiten 's lands wonenden zoon van een Nederlander, die ter zake van 's lands dienst in een vreemd land woont, in de gemeente, waar zijn vader of voogd het laatst in Nederland gewoond heeft.

Art. 17.

Voor de militie wordt niet ingeschreven:

1°. de in een vreemd Rijk achtergebleven zoon van een ingezeten, die geen Nederlander is;

2°. de in een vreemd Rijk verblijf houdende ouderlooze zoon van een vreemdeling, al is zijn voogd ingezeten.

Art. 18.

Elk, die volgens art. 15 behoort te worden ingeschreven, is verpligt zich daartoe bij burgemeester en wethouders aan te geven tusschen den 1sten en den 31sten Januarij.

Bij ongesteldheid, afwezigheid of ontstentenis is zijn vader, of, is deze overleden, zijne moeder, of, zijn beiden overleden. zijn voogd tot het doen van die aangifte verpligt.

De wijze, waarop van het doen van de aangifte blijken moet, wordt door Ons bepaald.

Art. 19.

Jaarlijks, in den loop der maand December, geschiedt, ten minste twee malen, door burgemeester en wethouders eene openbare kennisgeving, waarbij de verpligting tot het doen van de aangifte in de volgende maand Januarij wordt herinnerd.

Art. 20.

Hij, die eerst na het intreden van zijn 19de jaar, doch vóór het volbrengen van zijn 20ste, ingezeten wordt, is verpligt, zich, zoodra dit plaats heeft, ter inschrijving aan te geven bij burgemeester en wethouders der gemeente, waar de inschrijving, volgens art. 16, moet geschieden.

Daarbij gelden de bepalingen der 2de en 5de zinsneden van art. 18.

Zijne inschrijving geschiedt in het register van het jaar, waartoe hij volgens zijnen leeftijd behoort.

Art. 21.

Hij, wiens aangifte ter inschrijving verzuimd is, wordt door burgemeester en wethouders, zoo zij het ontdekken, ambtshalve ingeschreven. Zij geven daarvan terstond aan hem of aan zijn vader of voogd kennis.

Art. 22.

Hij, die zich na den 31sten Januarij, doch vóór den 31sten December, ter inschrijving aangeeft, wordt alsnog ingeschreven.

Art. 23.

Hij, die te regt in eene gemeente is ingeschreven, blijft tot de voor de militie ingeschrevenen van die gemeente behooren, al verandert hij van woonplaats.

Art. 24.

Behoudens de bepalingen in art. 18, zenden bestuurders van krankzinnigen-, doofstommen, blinden- en bedelaarsgestichten, die der Kolonien van Weldadigheid en van gevangenissen jaarlijks, vóór den 10den Januarij, eene opgave van de daarin opgenomen jongelingen, die op den 1sten Januarij hun 19de jaar zijn ingetreden, aan Onzen commissaris in de provincie, in welke de inschrijving van die jongelingen voor de militie moet plaats hebben.

De opgave betreffende de gevangenen vermeldt het misdrijf, dat hun is te laste gelegd of waarvoor zij veroordeeld zijn.

Art. 25.

Het register van inschrijving wordt jaarlijks op den 31sten Januarij voorloopig en op den 31sten December voor goed gesloten, op beide dagen des namiddags ten 4 ure.

Na de sluiting, die op het register vermeld en door de onderteekening van den burgemeester en den secretaris bekrachtigd wordt, worden geene personen meer ingeschreven dan de in art. 20 bedoelde.

Art. 26.

Het register wordt met eene daaruit opgemaakte alphabetische naamlijst, vóór den 7den Januarij van het jaar, volgende op dat der inschrijving, door den burgemeester gezonden aan Onzen commissaris in de provincie, die deze stukken onderzoekt, zoo noodig verbetert en vóór den 22sten Januarij aan den burgemeester terugzendt.

Register en lijst worden daarna, uiterlijk den 27sten Januarij, gedurende ten minste acht dagen, op de secretarie der gemeente voor elk ter lezing nedergelegd.

Van die nederlegging geschiedt openbare kennisgeving.

Tegen register en lijst kan binnen den tijd der nederlegging op de wijze, in art. 99 vermeld, bezwaar worden ingebragt bij Onzen commissaris in de provincie, die daaromtrent ten spoedigste eene uitspraak doet.

HOOFDSTUK IV.
Van de Lotelingen.
§ 1. Van de loting.

Art. 27.

De loting der in het vorige jaar voor de militie ingeschrevenen geschiedt jaarlijks tusschen den 7den Februarij en den 7den Maart.

Art. 28.

Onze commissaris in de provincie bepaalt de plaatsen. dagen en uren voor de loting.

Hiervan geschiedt in elke gemeente door burgemeester en wethouders, twee malen vóór den bepaalden dag, openbare kennisgeving.

Tusschen de eerste en tweede openbare kennisgeving moeten ten minste drie dagen verloopen en de tweede ten minste drie dagen vóór den dag der loting plaats hebben.

Art. 29.

Van wege de gemeente, waar de loting plaats heeft, wordt zorg gedragen voor een daartoe geschikt vertrek.

Art. 30.

De loting geschiedt ten overstaan van den militie-commissaris of van een van de militie-commissarissen in de provincie, voor elke gemeente afzonderlijk.

Gemeenten, krachtens de slotbepaling van art. 5 zamengevoegd, worden voor ééne gemeente gehouden.

De burgemeester of een lid van den raad van elke gemeente is tegenwoordig, wanneer er voor zijne gemeente wordt geloot.

De burgemeesters of raadsleden, die zich tot het bijwonen van de loting buiten hunne woonplaats begeven, genieten reis- en verblijfkosten uit 's Rijks kas, volgens het door Ons te bepalen bedrag.

De secretaris van den militieraad is tot bijstand van den militie-commissaris bij de loting tegenwoordig.

De militie-commissaris is bevoegd, tot handhaving der orde bij de loting, de sterke hand in te roepen.

Art. 31.

Bij de loting zijn voorhanden de inschrijvingsregisters en alphabetische naamlijsten van al de gemeenten. waarvoor wordt geloot.

Art. 32.

De militie-commissaris telt in het openbaar zoo veel nummers of loten voor, als het getal der ingeschrevenen bedraagt.

Hij doet die nummers vervolgens in eene bus, waarvan de vorm en de wijze van plaatsing door Ons worden voorgeschreven.

Art. 33.

De ingeschrevenen, in alphabetische orde op te roepen, trekken zelve hunne nummers.

Voor den ingeschrevene, die niet is opgekomen, kan het nummer getrokken worden door zijn vader, moeder of voogd.

Is ook deze niet opgekomen, dan geschiedt het trekken door den burgemeester of het lid van den raad der gemeente, waar de loteling is ingeschreven.

Nadat het getrokken nummer door den militie-commissaris overluid is voorgelezen, wordt het den loteling teruggegeven.

Art. 34.

De opgekomen ingeschrevene wordt dadelijk na het trekken van zijn nummer gemeten en geeft de redenen van vrijstelling op, die hij meent te hebben.

Het opgeven van deze redenen kan door zijn vader, moeder of voogd geschieden, zoo deze tegenwoordig en de ingeschrevene niet opgekomen is.

De geslachts- en voornamen van iederen loteling, de dag, de maand, het jaar en de plaats zijner geboorte, zijn beroep, de namen zijner ouders of, zoo zijne ouders overleden zijn, die van zijnen voogd, de uitslag der loting, de lengte van den loteling en de opgegeven redenen van vrijstelling, worden in een daartoe bestemd lotingsregister vermeld. Elk getrokken nummer wordt onmiddellijk bij den naam van den loteling, wien het geldt, op de alphabetische lijst ingevuld.

Art. 35.

Gedurende vijf dagen, te rekenen van den dag waarop de loting heeft plaats gehad, kunnen, tegen de wijze waarop zij is geschied, bij Gedeputeerde Staten bezwaren worden ingebragt door belanghebbende lotelingen, of door hun vader of voogd. De twee eerste zinsneden van art. 99 zijn hierbij van toepassing.

Art. 36.

Gedeputeerde Staten onderzoeken de bij hen ingebragte bezwaren zonder uitstel en doen ten spoedigste eene uitspraak, met redenen omkleed, hetzij tot handhaving hetzij tot vernietiging van de plaats gehad hebbende loting, naar gelang eene gepleegde onregelmatigheid op den uitslag der loting al dan niet van invloed heeft kunnen zijn. Hunne uitspraak wordt terstond medegedeeld aan burgemeester en wethouders der betrokken gemeente, aan den militie-commissaris en aan hen die de bezwaren inbragten.

Strekt de uitspraak tot vernietiging van de loting, dan beveelt Onze commissaris in de provincie het houden eener nieuwe loting. Hierbij gelden de artt. 28-34.

Art. 37.

Van de uitspraak van Gedeputeerde Staten kan gedurende vijf dagen, te rekenen van den dag waarop de uitspraak ter kennis van de belanghebbenden is gebragt, bij Ons in beroep worden gekomen door belanghebbende lotelingen, of door hun vader of voogd. Hierbij geldt art. 104.

De uitvoering van de uitspraak van Gedeputeerde Staten, waarvan bij Ons in beroep is gekomen, blijft tot aan Onze beslissing geschorst.

Art. 38.

De kosten van de gedrukte registers, van de lengtematen en van hetgeen verder bij de loting noodig is, komen ten laste van 's Rijks kas.

§ 2. Van de naloting.

Art. 39.

Ter naloting wordt toegelaten:

1°. hij die door verzuim van de betrokken overheid of van de in art. 24 bedoelde personen aan de gewone loting geen deel heeft genomen;

2°. hij die, nadat de in art. 28 bedoelde tijd der loting is verstreken, ingeschreven is volgens art. 20.

Is de ligting, waarvoor de sub 1°. bedoelde persoon volgens zijnen leeftijd had moeten loten, niet meer in dienst, dan loot hij niet na. maar wordt door den militieraad, of, zoo de zittingen van dien raad zijn afgeloopen, door Gedeputeerde Staten van de dienst vrijgesteld.

Art. 40.

Het houden van eene naloting wordt bevolen door Onzen commissaris in de provincie.

Art. 41.

De naloting geschiedt op de wijze, in de artt. 28-34 bepaald.

Art. 42.

Nadat door of voor hem, die naloot, uit al de nummers, welke in de loting der betrokken gemeente en van het jaar, waarvoor de naloting geschiedt, zijn begrepen geweest, er een is uitgetrokken, worden op nieuw twee biljetten in de bus gedaan, ieder vermeldende hetzelfde nummer, dat getrokken is, doch van elkander onderscheiden door A en B.

Daarvan wordt door of voor hem, die naloot,er wederom een uitgetrokken tot aanwijzing van de volgorde van oproeping. Het nummer, gemerkt A, wordt gerekend het laagste der beide gelijke nummers te zijn.

Art. 43.

Tegen de wijze, waarop de naloting is geschied, kan bezwaar worden ingebragt bij Gedeputeerde Staten en van de uitspraak van Gedeputeerde Staten bij Ons in beroep worden gekomen. De artt. 35, 36 en 37 zijn hierbij van toepassing.

Art. 44.

Hij, die nageloot heeft en redenen van vrijstelling meent te hebben. brengt die, zoo de zittingen van den militieraad zijn afgeloopen, in bij Gedeputeerde Staten van de provincie, binnen welke hij is ingeschreven.

Gedeputeerde Staten doen daaromtrent en in het algemeen omtrent het al of niet aanwijzen voor de dienst van hem, die nageloot heeft, ten spoedigste eene uitspraak.

Hunne uitspraak wordt terstond medegedeeld aan burgemeester en wethouders der gemeente, waartoe hij, wien de uitspraak geldt, behoort.

Strekt de uitspraak tot vrijstelling of uitsluiting van de dienst, dan geven burgemeester en wethouders daarvan dadelijk kennis aan den loteling, die dien ten gevolge zal worden opgeroepen, of, reeds ingelijfd zijnde, niet uit de dienst wordt ontslagen, of aan zijn vader of voogd.

Indien een geneeskundig onderzoek noodig is, worden Gedeputeerde Staten bijgestaan door een burgerlijk geneeskundige en een officier van gezondheid.

De burgerlijke geneeskundige wordt door Onzen commissaris in de provincie en de officier van gezondheid door den chef van de geneeskundige dienst van de zee- of van de landmagt aangewezen.

Zij leggen in handen van Onzen commissaris den in art. 81 bedoelden eed of belofte af.

Is geen officier van gezondheid beschikbaar, dan wijst Onze commissaris een tweeden burgerlijken geneeskundige aan.

Op de burgerlijke geneeskundigen is art. 82 van toepassing.

Gedeputeerde Staten zijn niet verpligt, in het doen van hunne uitspraak het gevoelen der burgerlijke en militaire geneeskundigen te volgen.

Art. 45.

Tegen de uitspraak van den militieraad kan bezwaar worden ingebragt bij Gedeputeerde Staten, op de wijze en door de personen, in de artt. 97-99 bedoeld.

Van de uitspraak van Gedeputeerde Staten kan bij Ons in beroep worden gekomen. Hierbij gelden de art. 103-105.

Art. 46.

Hij, die nageloot heeft en voor de dienst is aangewezen, wordt, indien het door hem getrokken nummer in de termen van oproeping valt, ingelijfd ten behoeve van de ligting van het jaar, waarin hij had moeten loten.

Is die ligting reeds afgeleverd, dan wordt, bij zijne inlijving, de houder van het hoogste van de voor die ligting in dienst gestelde nummers uit de gemeente, voor welke de naloting plaats had, ontslagen.

HOOFDSTUK V
Van Vrijstelling van de Dienst.

Art. 47.

Vrijstelling van de dienst bij de militie wordt verleend aan den loteling:

1°. die kleiner is dan 1,55 el;

2°. die door ziekelijke gesteldheid of gebreken voor de krijgsdienst ongeschikt is;

3°. die eenige wettige zoon is, onverschillig of de ouders in leven of overleden zijn;

4°. die vóór den 1sten Januarij van het jaar, waarin hij voor de militie werd ingeschreven, bij de zeemagt, bij het leger hier te lande of bij het krijgsvolk in 's Rijks overzeesche bezittingen in dienst is getreden en zich nog in dienst bevindt;

5°. die adelborst of kadet is op eene van 's Rijks militaire scholen;

6°. die van rijkswege of in eene van 's Rijks inrigtingen, hetzij voor de militaire geneeskundige dienst, hetzij tot militairen paardenarts wordt opgeleid;

7°. die vijf jaren in een lageren rang dan dien van officier bij de zeemagt, bij het leger hier te lande of bij het krijgsvolk in 's Rijks overzeesche bezittingen als vrijwilliger gediend heeft.

Art. 48.

Vrijstelling van de dienst bij de militie wordt insgelijks aan een loteling verleend, wanneer zijn wettige broeder of halve broeder in een lageren rang dan dien van officier dient of gediend heeft, hetzij bij de militie, hetzij als vrijwilliger bij de zeemagt, bij het leger hier te lande of bij het krijgsvolk in 's Rijks overzeesche bezittingen.

Art. 49.

De vrijstelling wordt zoo verleend, dat van een even getal broeders de helft en van een oneven de kleinere helft diene.

Eene bij deze wet gevoegde tabel wijst aan, hoe de vrijstelling wegens broederdienst wordt verleend, wanneer vier of meer zonen in een gezin aanwezig zijn.

Moet van twee of meer broeders, die in hetzelfde jaar geboren zijn, aan één of meer vrijstelling worden verleend. dan wordt, tenzij zij onderling anders overeenkomen, hij, die het laagste nummer heeft getrokken, voor de dienst aangewezen.

Art. 50.

De vrijstelling wegens broederdienst wordt slechts verleend, wanneer de broeder:

1°. alsnog in dienst is;

2°. gedurende vijf jaren, hetzij bij de militie te land, hetzij als vrijwilliger bij de zeemagt, bij het leger hier te lande of bij het krijgsvolk in 's Rijks overzeesche bezittingen gediend heeft;

3°. gedurende vier jaren bij de zeemilitie gediend heeft;

4°. wegens ziekelijke gesteldheid of gebreken, door de dienst bekomen, ontslagen of gedurende zijn diensttijd overleden is;

5°. na drie jaren te hebben gediend, wegens ziekelijke gesteldheid of gebreken, niet door de dienst bekomen, is ontslagen;

6°. na drie jaren bij de militie te hebben gediend, ten gevolge van eene uitspraak van den militieraad of van Gedeputeerde Staten uit de dienst is ontslagen;

7°. zijnen vijfjarigen diensttijd heeft doen volbrengen of aanvullen door plaatsvervanging of een plaatsvervanger heeft gesteld, die in een van de gevallen verkeert, omschreven sub 1°., 4°., 5°. en 6°. van dit artikel.

Art. 51.

Als broederdienst komt niet in aanmerking:

1°. die vóór het voleindigen van het zestiende levensjaar;

2°. die van adelborst of kadet bij de zee- of landmagt;

5°. die van adjunct-administrateur of scheepsklerk bij de zeemagt;

4°. die van kweekeling voor de militaire geneeskundige dienst;

5°. die ter opleiding tot militairen paardenarts;

6°. die van plaatsvervanger of nummerverwisselaar;

7°. die van den loteling, welke krachtens art. 127, gedurende meer dan twee jaren van de werkelijke dienst ontheven is geweest;

8°. die van den loteling, welke op het oogenblik, dat de militieraad omtrent zijnen broeder uitspraak doet, krachtens datzelfde artikel van de werkelijke dienst is ontheven.

Art. 52.

Worden twee of meer broeders in hetzelfde jaar dienstpligtig, dan wordt alleen de helft van hun getal, of, is dit oneven, de kleinere helft voor de dienst aangewezen volgens den regel, gesteld in de laatste zinsnede van art. 49.

Art. 53.

Om vrijstelling wegens eigen militaire dienst of die van broeders te verkrijgen, moet men overleggen een paspoort of ander bewijs van ontslag, of een uittreksel uit het stamboek of een bewijs van werkelijke dienst.

Ter bekoming van vrijstelling wegens broederdienst moet men bovendien overleggen een getuigschrift van den burgemeester, waaruit het getal zonen, tot het gezin behoorende, blijkt.

Vrijstelling als eenigen wettigen zoon wordt verleend op overlegging van een getuigschrift van den burgemeester, waaruit blijkt, dat men eenige wettige zoon is.

Deze getuigschriften zijn ingerigt in den door Ons te bepalen vorm.

Art. 54.

Elke reden van vrijstelling moet bestaan op het tijdstip, waarop zij wordt aangevraagd.

Vrijstelling,aangevraagd wegens ziekelijke gesteldheid of gebreken of wegens gemis aan lengte, wordt niet verleend, wanneer de loteling, die haar vraagt, niet voor den militieraad is verschenen, behoudens het geval, bedoeld in art. 89.

HOOFDSTUK VI
. Van Uitsluiting van de Dienst

Art. 55.

Tot de dienst bij de militie wordt niet toegelaten de loteling:

1°. die tot eene onteerende straf veroordeeld, als eerlooze schelm weggejaagd of van den militairen stand vervallen verklaard is, al heeft hij gratie verkregen;

2°. die krachtens de wet van den 28sten Junij 1854 (Staatsblad n°. 96), of op grond van het Reglement van krijgstucht voor het krijgsvolk te lande, met een briefje van ontslag uit de dienst bij de zee- of landmagt is weggezonden.

Art. 56.

Tot de dienst bij de militie wordt voorloopig niet toegelaten de loteling:

1°. die zich in hechtenis bevindt en omtrent wiens zaak, bij het sluiten van de laatste zitting van den militieraad, bij in kracht van gewijsde gegane uitspraak niet is beslist;

2°. die wegens wanbedrijf is veroordeeld en zich bij het sluiten van de laatste zitting van den militieraad nog in hechtenis bevindt.

Art. 57.

Hij, die in een van de gevallen, in het voorgaand artikel bedoeld, heeft verkeerd, verschijnt, binnen acht dagen nadat hij in vrijheid is gesteld, voor den burgemeester der gemeente, voor welke hij heeft geloot, en geeft de redenen van vrijstelling op, die hij vermeent te hebben. Van dit verschijnen wordt hem een bewijs afgegeven.

De burgemeester geeft daarvan dadelijk kennis aan Onzen commissaris in de provincie, die den loteling ten spoedigste voor Gedeputeerde Staten doet verschijnen.

Gedeputeerde Staten doen omtrent het al of niet aanwijzen van den loteling voor de dienst ten spoedigste eene uitspraak.

De acht laatste zinsneden van art. 44 en art. 45 zijn hierbij van toepassing.

Art. 58.

Is de loteling krachtens het voorgaand artikel hij de einduitspraak voor de dienst aangewezen, en zou het bij de loting voor hem getrokken nummer zijn opgeroepen geweest, dan wordt hij, welke ook zijn leeftijd zij, voor vijf jaren ingelijfd.

Hij komt in mindering van de ligting van het jaar, waarin voor hem is geloot, of, is die ligting reeds ontslagen, in mindering van de ligting van het jaar, waarin hij voor de dienst is aangewezen.

Is de ligting, in mindering waarvan hij komt, reeds afgeleverd, dan wordt bij zijne inlijving de houder van het hoogste van de voor die ligting in dienst gestelde nummers uit de gemeente, waartoe hij behoort, ontslagen.

De loteling echter, bedoeld bij de eerste alinea van art. 56 zal, zoo hij werd vrijgesproken of van vervolging ontslagen, in elk geval worden gerekend te behooren tot de ligting van het jaar, waarin hij geloot heeft en met deze worden ontslagen. De dienst, alzoo door hem volbragt, wordt voor de toepassing van art. 50, sub 2°., voor vijfjarige dienst gerekend.

Art. 59.

Indien het blijkt, dat een loteling, die in het geval van art. 55 verkeert, niet van de dienst uitgesloten is geworden, dan wordt dit terstond ter kennis van Gedeputeerde Staten der provincie, binnen welke hij is ingeschreven, gebragt.

Gedeputeerde Staten onderzoeken het geval en doen daaromtrent ten spoedigste eene uitspraak, en brengen die terstond ter kennis van burgemeester en wethouders der gemeente, waartoe hij, wien de uitspraak geldt, behoort.

Burgemeester en wethouders geven van de uitspraak dadelijk kennis aan den loteling, die ten gevolge daarvan zal worden opgeroepen, of aan zijn vader of voogd.

Van die uitspraak kan bij Ons in beroep worden gekomen. Hierbij gelden de artt. 103- 105.

Is de loteling, in de eerste zinsnede van dit artikel bedoeld, ingelijfd en wordt hij bij de einduitspraak van de dienst uitgesloten, dan wordt hij terstond daaruit weggezonden.

Geschiedt die wegzending vóór den 15den December van het jaar, waarin hij is ingelijfd, dan wordt de houder van het aan de beurt liggende hooger nummer der ligting van dat jaar en van de gemeente, voor welker aandeel hij is opgetreden, onverwijld ter inlijving opgeroepen.

HOOFDSTUK VII.
Van de Vervanging.

Art. 60.

Een loteling kan zijne dienst doen waarnemen door een plaatsvervanger.

Om plaatsvervanger bij de militie te zijn, moet men de vereischten bezitten, in de eerste zinsnede van art. 11 vermeld, en niet jonger dan 21 jaar wezen.

Ten aanzien van den plaatsvervanger geldt hetgeen in de tweede en derde zinsnede van art. 11 en in art. 13 omtrent den vrijwilliger is bepaald.

Art. 61.

De loteling is gedurende één jaar voor zijn plaatsvervanger aansprakelijk, te rekenen van den dag waarop deze is ingelijfd.

Zoo de plaatsvervanger binnen dien tijd ontbreekt, dan stelt de loteling een nieuwen plaatsvervanger, of treedt zelf in de dienst op.

Het stellen van een nieuwen plaatsvervanger of het optreden wordt niet gevorderd, wanneer de plaatsvervanger wegens ziekelijke gesteldheid of gebreken, door de dienst bekomen, ontslagen, of gedurende zijn diensttijd overleden is, of wel zich als vrijwilliger bij het krijgsvolk in 's Rijks overzeesche bezittingen heeft verbonden.

Art. 62.

Onze commissaris in de provincie, tot wier aandeel in de ligting de vervangene behoort, zorgt, dat deze, wanneer hij er toe verpligt is, een nieuwen plaatsvervanger steile of zelf in de dienst optrede.

Dit een of ander geschiedt binnen zestig dagen ná den dag, waarop de vervangene van het ontbreken van den plaatsvervanger is verwittigd.

Art. 63.

Is een plaatsvervanger, die deserteert, binnen zestig dagen na zijne desertie vrijwillig teruggekeerd of aangehouden, dan behoeft in zijne plaats geen nieuwe plaatsvervanger te worden gesteld.

Kan echter de gedeserteerde plaatsvervanger, ten gevolge van een regterlijk vonnis, niet tot verdere dienst worden toegelaten, dan geldt de tweede zinsnede van art. 61.

Art. 64.

Wordt een gedeserteerde plaatsvervanger weder in dienst gesteld, dan wordt de vervangene, die zelf in dienst optrad, of de reeds door hem gestelde nieuwe plaatsvervanger uit de dienst ontslagen.

Art. 65.

Een loteling kan zijne dienst insgelijks doen waarnemen door een ander loteling, mits deze tot dezelfde ligting en dezelfde provincie behoore, op het tijdstip der nummerverwisseling niet verpligt zij te dienen en voor de krijgsdienst geschiktheid bezitte.

Ten aanzien van den nummerverwisselaar geldt hetgeen in de eerste zinsnede van art. 13 is bepaald.

Art. 66.

De loteling, die met een ander van nummer heeft verwisseld, geniet den vrijdom van dienst, die aan don houder van dit nummer toekwam.

Art. 67.

De nummerverwisseling wordt nietig en de loteling is dien ten gevolge verpligt zelf in dienst te treden, wanneer de opgetreden nummerverwisselaar:

1°. krachtens art. 68 uit de dienst wordt ontslagen;

2°. krachtens art. 117, binnen den daar gestelden termijn, uit de dienst wordt ontslagen.

Art. 68.

Een ingelijfde plaatsvervanger of nummerverwisselaar wordt, zoodra blijkt dat hij in strijd met de wet is aangenomen, uit de dienst ontslagen.

Art. 69.

De loteling, die, volgens art. 46, 58, 115, 117 of 174 moet worden ingelijfd, is bevoegd, binnen dertig dagen na zijne oproeping of aanwijzing, een plaatsvervanger of nummerverwisselaar te stellen.

Art. 70.

Den loteling, die reeds bij de militie is ingelijfd, en hem, die volgens art. 165 zonder loting moet worden ingelijfd, kan door Ons, in bijzondere gevallen, het stellen van een plaatsvervanger worden vergund.

De kosten, vallende op het onderzoeken van den als plaatsvervanger aangeboden persoon, worden in dat geval door hem, wien de vervanging is vergund, gedragen.

Art. 71.

Het onderzoeken van hen, die krachtens de beide voor' gaande artikelen als plaatsvervangers of nummerverwisselaars worden aangeboden, geschiedt, zoo de zittingen van den militieraad zijn afgeloopen, door Gedeputeerde Staten.

Gedeputeerde Staten worden in dat onderzoek bijgestaan door een burgerlijk geneeskundige en een officier van gezondheid.

De vijf laatste zinsneden van art. 44 zijn hierbij van toepassing.

Art. 72.

Het stellen van een plaatsvervanger of nummerverwisselaar geschiedt bij overeenkomst, die bij notariele acte wordt verleden.

Voor het opmaken, het verlijden en de uit te geven afschriften van de acte, wordt in het geheel, behalve de zegel- en registratiekosten, niet meer dan vier gulden in rekening gebragt.

De acte is aan een vast registratieregt van vijf gulden onderworpen.

Art. 73.

De loteling, die de met zijn plaatsvervanger of nummerverwisselaar gesloten overeenkomst niet naleeft, wordt, zoo die overeenkomst door een regterlijk vonnis, in kracht van gewijsde gegaan, is vernietigd, tegen ontslag van zijn plaatsvervanger of nummerverwisselaar zelf in dienst gesteld.

Hij wordt daartoe onmiddellijk opgeroepen en, voldoet hij niet aan die oproeping, dan zijn art. 172 en de twee eerste zinsneden van art. 175 van toepassing, doch geschiedt de inlijving slechts voor den nog onvervulden diensttijd.

Wordt de loteling voor de dienst ongeschikt bevonden, dan belet dit het ontslag van den plaatsvervanger of den nummerverwisselaar niet.

Art. 74.

Plaatsvervangers worden gedurende den tijd der aansprakelijkheid van de vervangenen niet als vrijwilligers bij de zeemagt of het corps mariniers toegelaten.

Worden zij bij het leger hier te lande als vrijwilligers aangenomen, dan ontheft dit de vervangenen van de in art. 61 bedoelde aansprakelijkheid.

Art. 75.

Het is aan alle rijks-, provinciale en gemeente-ambtenaren, die op eenigerlei wijze bij de uitvoering van de wet op de nationale militie betrokken zijn, en aan alle krijgslieden verboden, deel te nemen aan eene onderneming, het bezorgen van plaatsvervangers of nummerverwisselaars ten doel hebbende, of daaruit eenige voordeelen te behalen.

HOOFDSTUK VIII
VAN DEN MILITIERAAD.
§ 1. Van de zamenstelling van den militieraad.

Art. 76.

De militieraad is zamengesteld uit:

een lid van de Provinciale Staten, niet tot de Gedeputeerde Staten behoorende, als voorzitter;

een lid van den raad van eene van de onder het regtsgebied van den militieraad behoorende gemeenten;

een hoofdofficier van de landmagt, of, ingeval geen hoofdofficier beschikbaar is, een officier van minderen rang.

Aan den militieraad wordt een secretaris toegevoegd.

Art. 77.

De voorzitter en de leden van den raad worden jaarlijks door Ons benoemd.

Tevens wordt door Ons benoemd een lid van de Provinciale Staten, niet tot de Gedeputeerde Staten behoorende, om den voorzitter, een raadslid om het raadslid, en een officier om den hoofdofficier, in geval van ongesteldheid, afwezigheid of ontstentenis, te vervangen.

Art. 78.

De secretaris wordt jaarlijks door Onzen commissaris in de provincie benoemd.

Art. 79.

De militie-commissaris heeft zitting in den raad en eene raadgevende stem.

Art. 80.

De militieraad wordt bijgestaan door een burgerlijk geneeskundige en een officier van gezondheid.

De burgerlijke geneeskundige wordt door den raad en de officier van gezondheid door den chef van de geneeskundige dienst van de zee- of van de landmagt aangewezen.

Is geen officier van gezondheid beschikbaar, dan wijst de militieraad een tweeden burgerlijken geneeskundige aan.

De burgerlijke geneeskundigen worden zooveel mogelijk dagelijks afgewisseld.

Art. 81.

De burgerlijke geneeskundigen en de officieren van gezondheid leggen, eenmaal voor elke ligting, alvorens hunne werkzaamheden bij den militieraad aan te vangen, in handen van den voorzitter van den raad een eed of belofte af, volgens een daarvan door Ons te geven voorschrift.

Art. 82.

De voorzitter en het burgerlijke lid van den militieraad en de in art. 80 bedoelde burgerlijke geneeskundigen genieten voor elke vergadering, die zij bijwonen, een door Ons te bepalen presentiegeld en de secretaris eene jaarlijksche bezoldiging.

Zij ontvangen voorts, zoo zij zich ter behandeling der zaken van den militieraad buiten hunne woonplaats moeten begeven, reis- en verblijfkosten uit 's Rijks kas, volgens het door Ons te bepalen bedrag.

§ 2. Van de werkzaamheden en de bevoegdheid van den militieraad.

Art. 83.

Zoo Wij noodig achten, dat in eene provincie meer dan één militieraad zij, wordt het regtsgebied van elken van die raden door Ons bepaald.

Art. 84.

De militieraad vergadert in de hoofdplaats der provincie, of, bestaat er in de provincie meer dan één militieraad, in de daartoe door Ons aan te wijzen gemeente.

Hij kan in meer dan ééne gemeente vergaderen, indien Wij dit noodig achten.

Zijne vergaderingen worden in het openbaar gehouden.

De voorzitter van den militieraad is bevoegd tot handhaving van de orde bij de vergaderingen de sterke hand in te roepen, en, ingeval die orde op eenigerlei wijze wordt gestoord, hen, die dit doen, het vertrek te doen verlaten.

Art. 85.

Van wege de gemeente, waar de militieraad vergadert, wordt zorg gedragen voor een daartoe geschikt vertrek, voor de noodige schrijfbehoeften en voor eene bewaarplaats van het archief, zoomede dat er in een afzonderlijk vertrek gelegenheid zij tot het geneeskundig onderzoek van de manschappen.

Art. 86.

De militieraad houdt twee zittingen.

De eerste wordt geopend den tweeden Maandag in Maart, de andere den tweeden Maandag in April.

Bij het invallen van eenen Christelijken feestdag op den tweeden Maandag in April wordt de tweede zitting den volgenden Dingsdag geopend.

De werkzaamheden worden dagelijks gedurende ten minste zes uren, zoolang personen te onderzoeken of zaken te behandelen zijn, voortgezet, uitgezonderd op Zon- en algemeene Christelijke feestdagen.

Art. 87.

Ten minste acht dagen vóór het openen van eene zitting van den militieraad, geschiedt door burgemeester en wethouders van elke betrokken gemeente eene openbare kennisgeving , waarbij de tijd en de plaats der zitting worden vermeld.

Die tijd en plaats worden, ten minste drie dagen voor het openen van de zitting, bovendien aan elken loteling bekend gemaakt.

Dit geschiedt door burgemeester en wethouders door middel van een aan zijne woning of aan die van zijn vader of voogd te bezorgen biljet.

Het niet ontvangen van dit biljet ontheft niet van de verpligting tot het verschijnen voor den militieraad of tot het indienen van de tot staving der redenen van vrijstelling gevorderde bewijsstukken.

Art. 88.

Voor den militieraad moet verschijnen:

1°. de vrijwilliger voor de militie;

2°. de loteling, die vrijstelling verlangt wegens ziekelijke gesteldheid of gebreken of gemis van de gevorderde lengte;

3°. hij, die voor een loteling als plaatsvervanger of als nummerverwisselaar verlangt op te treden.

Art. 89.

De loteling, die wegens ziekte of gebreken buiten staat is voor den raad te verschijnen, wordt onderzocht op de plaats, waar hij zich bevindt.

Uit geschiedt door een daartoe door den militieraad aan te wijzen burgerlijk geneeskundige en door den aan den raad toegevoegden officier van gezondheid, te zamen of afzonderlijk. De burgerlijke geneeskundige en de officier van gezondheid zenden elk eene door hem onderteekende, omstandige verklaring omtrent den toestand van den loteling aan den voorzitter van den raad.

De burgerlijke geneeskundige legt, indien hij den in art. 8l bedoelden eed of belofte nog niet heeft afgelegd, dien als nog mondeling of schriftelijk in handen van den voorzitter af.

Art. 90.

De loteling, die buiten de provincie, waarin hij voor de militie heeft geloot, verblijf houdt, kan, met goedvinden van Onzen commissaris in die provincie, verschijnen voor den militieraad, onder wiens regtsgebied hij verblijf houdt.

Art. 91.

In de eerste zitting van den militieraad wordt uitspraak gedaan omtrent:

de verschenen vrijwilligers voor de militie;

de lotelingen, die redenen van vrijstelling hebben ingediend;

de lotelingen, in de artt. 55 en 56 bedoeld;

alle overige lotelingen.

Art. 92.

In de tweede zitting van den militieraad wordt uitspraak gedaan omtrent alle in de eerste zitting niet afgedane zaken en omtrent hen, die als plaatsvervanger of nummerverwisselaar verlangen op te treden.

Art. 93.

Alle besluiten van den militieraad worden bij meerderheid van stemmen genomen.

De voorzitter en de leden onthouden zich van medestemmen over zaken, waarin personen, hun in bloed- of aanverwantschap, tot den derden graad ingesloten, bestaande, betrokken zijn.

Tot het doen van uitspraak in zoodanige zaken worden hunne plaatsvervangers opgeroepen.

Art. 94.

Omtrent elken loteling wordt afzonderlijk eene uitspraak gedaan; zij luidt:

òf: vrijgesteld wegens (de redenen daarachter bij te voegen);

òf: tot de dienst aangewezen;

òf: voor altijd uitgesloten, volgens art. 55 der wet;

óf: voorloopig uitgesloten, volgens art. 56 der wet.

De uitspraak wordt in het lotingsregister achter den naam van den loteling, wien zij geldt, opgeteekend en elke uitspraak staande de zitting door de handteekening van den voorzitter gewaarmerkt.

Verklaart de loteling een plaatsvervanger of nummerverwisselaar te zullen stellen, dan wordt daarvan insgelijks achter zijn naam melding gemaakt.

Art. 95.

De militieraad is niet verpligt, in het doen van zijne uitspraken, het gevoelen van de geneeskundigen, die hem bijstaan , te volgen.

Art. 96.

De voor den geregelden loop der werkzaamheden van den militieraad noodige voorschriften worden door Ons gegeven.

§ 3. Van het beroep van de uitspraken van den militieraad.

Art. 97.

Gedurende tien dagen, te rekenen van den dag, waarop de militieraad eene uitspraak heeft gedaan, kunnen tegen die uitspraak bij Gedeputeerde Staten bezwaren worden ingebragt:

1°. door den loteling, omtrent wien de uitspraak is gedaan, of door zijn vader of voogd;

2°. door den loteling, wiens nummer ten gevolge van de uitspraak zou worden opgeroepen, of door zijn vader of voogd;

3°. door den reeds ingelijfden loteling, die ten gevolge van de uitspraak niet uit de dienst zou worden ontslagen, of door zijn vader of voogd;

4°. door den betrokken militie-commissaris.

Art. 98.

Geene bezwaren kunnen worden ingediend tegen eene uitspraak, waarbij:

1°. een loteling voor de dienst is aangewezen, zonder dat door hem eenige reden van vrijstelling was ingebragt;

2°. vrijstelling van dienst is verleend of geweigerd op grond van het niet of al bezitten van de gevorderde lengte;

3°. een plaatsvervanger of nummerverwisselaar, wegens gemis van de gevorderde vereischten, niet is toegelaten.

Art. 99.

De bezwaren worden bij Gedeputeerde Staten ingediend door middel van een door de noodige bewijsstukken gestaafd verzoekschrift op ongezegeld papier, onderteekend door hem, die ze inbrengt.

Deze brengt het verzoekschrift in, tegen bewijs van ontvang bij den burgemeester zijner woonplaats,die het terstond aan Gedeputeerde Staten opzendt.

De militie-commissaris dient zijne bezwaren in door een brief aan Gedeputeerde Staten.

Art. 100.

Gedeputeerde Staten onderzoeken de bij hen ingebragte bezwaren zonder uitstel en doen omtrent elke zaak afzonderlijk ten spoedigste eene uitspraak, met de redenen omkleed.

Hunne uitspraak wordt terstond medegedeeld aan burgemeester en wethouders der gemeente, waartoe de loteling, wien de uitspraak geldt, behoort, en aan hem, die de bezwaren inbragt.

Strekt de uitspraak tot vrijstelling of uitsluiting van de dienst, dan geven burgemeester en wethouders daarvan dadelijk kennis aan den loteling, die dien ten gevolge zal worden opgeroepen, of aan zijn vader of voogd.

Art. 101.

Ingeval de bezwaren zijn ingebragt op grond van het al of niet verleenen van vrijstelling wegens ziekelijke gesteldheid of gebreken, doen Gedeputeerde Staten geene uitspraak dan na den betrokken loteling voor zich te hebben doen verschijnen en geneeskundig onderzoeken.

Gedeputeerde Staten worden in dat onderzoek bijgestaan door een ander burgerlijk geneeskundige en een ander officier van gezondheid dan die den militieraad hij het doen van de uitspraak, waartegen bezwaar is ingebragt, hebben bijgestaan.

Daarbij geldt hetgeen in de vijf laatste zinsneden van art. 44 is bepaald.

Gedeputeerde Staten kunnen den loteling, die wegens ziekte of gebreken buiten staat is, voor hen te verschijnen, doen onderzoeken op de plaats waar hij zich bevindt.

Dit geschiedt op de in art 89 voorgeschreven wijze.

Art. 102.

Wanneer een loteling weigert aan de, krachtens art. 101, door Gedeputeerde Staten gedane oproeping te voldoen, wordt hij, op last van Onzen commissaris in de provincie, door den burgemeester zijner woonplaats onder verzekerd geleide naar Gedeputeerde Staten opgezonden.

Art. 103.

Van de uitspraken van Gedeputeerde Staten, met uitzondering van die betreffende het al of niet verleenen van vrijstelling wegens ziekelijke gesteldheid of gebreken, kan gedurende tien dagen, te rekenen van den dag, waarop de uitspraken ter kennis van de belanghebbenden zijn gebragt, bij Ons in beroep worden gekomen:

1°. door den loteling, wiens bezwaren door de uitspraak niet zijn weggenomen, of door zijn vader of voogd;

2°. door den loteling, wiens nummer ten gevolge van de uitspraak van Gedeputeerde Staten zou worden opgeroepen, of door zijn vader of voogd;

3°. door den reeds ingelijfden loteling, die ten gevolge van de uitspraak van Gedeputeerde Staten niet uit de dienst zou worden ontslagen, of door zijn vader of voogd;

4°. door Onzen commissaris in de provincie.

Art. 104.

Onze beslissing, zoo spoedig mogelijk nadat het beroep is gedaan, bij een met redenen omkleed besluit, den Raad van State gehoord, te nemen, wordt gezonden aan Onzen commissaris in de provincie, die voor de uitvoering zorgt.

Art. 105.

De uitvoering van de uitspraak, waartegen bezwaren zijn ingebragt, blijft tot aan de einduitspraak geschorst.

HOOFDSTUK IX.
Van den Militie-Commissaris.

Art. 106.

De militie-commissaris wordt door Ons benoemd en ontslagen.

Niemand is tot militie-commissaris benoembaar dan die Nederlander, in het volle genot der burgerlijke en burgerschapsregten is en den leeftijd van dertig jaren heeft vervuld.

Art. 107.

De militie-commissaris heeft den rang van luitenant-kolonel, tenzij hij een hoogeren rang als gepensionneerd officier mogt hebben.

Hij heeft zijne vaste woonplaats in de door Ons aan te wijzen gemeente.

Art. 108.

Hij begeeft zich tot het onderzoeken van de met onbepaald verlof gezonden manschappen van de militie te land naar de daartoe aan te wijzen plaatsen.

Hij is bevoegd, tot handhaving van de orde, bij dat onderzoek de sterke hand in te roepen.

Art. 109.

Bij ongesteldheid, afwezigheid of ontstentenis van den militie-commissaris wordt hij, zoodra noodig, vervangen door een door Onzen commissaris in de provincie aan te wijzen persoon.

Art. 110.

De bevoegdheid en de werkzaamheden van den militie-commissaris worden door Ons, in overeenstemming met deze wet, geregeld.

HOOFDSTUK X.
Van het Oproepen en het Afleveren van de bij de Militie
in te Lijven Manschappen.

Art. 111.

De voor de dienst aangewezen lotelingen worden tot het voltallig maken van het aandeel van elke gemeente in de ligting opgeroepen naar de volgorde der door of voor hen getrokken nummers, te beginnen met het laagste.

Elk loteling, in dat aandeel begrepen, en elk vrijwilliger voor de militie ontvangt, ten minste vijf dagen vóór den dag, waarop hij zal worden afgeleverd, door tusschenkomst van den burgemeester zijner woonplaats, van Onzen commissaris in de provincie een brief van oproeping, vermeldende den dag, het uur en de plaats voor de aflevering bepaald.

Art. 112.

Jaarlijks tusschen den 1sten en den 15den Mei geschiedt de aflevering van de in dat jaar door den militieraad voor de dienst aangewezen en in de ligting begrepen lotelingen, van hunne plaatsvervangers of numrnerverwisselaars en van de vrijwilligers voor de ligting van dat jaar.

Art. 113.

De aflevering geschiedt aan de daartoe door Ons aan te wijzen militaire autoriteit door of van wege Onzen commissaris in de provincie, die daarvoor dag, uur en plaats bepaalt.

Art. 114.

De burgemeester van elke gemeente zorgt voor het verzamelen van de tot het aandeel zijner gemeente behoorende manschappen en voor hunne overbrenging naar de voor de aflevering bestemde plaats.

Algemeene voorschriften omtrent het verzamelen en de overbrenging worden door Onzen commissaris in de provincie gegeven.

Art. 115.

Onze commissaris in de provincie zorgt, dat, ter vervulling van de plaatsen der manschappen, die op den 1sten Augustus van het jaar der aflevering aan het aandeel van elke gemeente in de ligting ontbreken, de houders van de aan de beurt liggende hoogere nummers onverwijld ter inlijving worden opgeroepen.

Art. 116.

Wanneer een loteling binnen vier maanden na zijne aflevering blijkt voor de dienst ongeschikt te zijn, wordt zijne herkeuring bij Gedeputeerde Staten der provincie, voor welke hij heeft geloot, aangevraagd.

Binnen veertien dagen na die aanvraag doen Gedeputeerde Staten den loteling voor zich verschijnen en, is de herkeuring aangevraagd wegens ziekelijke gesteldheid of gebreken, door geneeskundigen onderzoeken.

Daarbij geldt hetgeen in de twee laatste zinsneden van art. 71 is bepaald.

Van de uitspraak van Gedeputeerde Staten, krachtens dit artikel te doen, is geen beroep toegelaten.

Art. 117.

Indien de loteling, in het voorgaand artikel bedoeld,door Gedeputeerde Staten wordt afgekeurd, wordt hij uit de dienst ontslagen.

Geschiedt die afkeuring vóór den 15den December van het jaar, waarin hij is ingelijfd, dan wordt de houder van het aan de beurt liggend hooger nummer der ligting van dat jaar en van de gemeente, voor welker aandeel hij is opgetreden, of, was hij nummerverwisselaar, de loteling, voor wien hij in de dienst was opgetreden, onverwijld ter inlijving opgeroepen.

Art. 118.

Het overbrengen en afleveren van hen, die bij de uitspraak van Gedeputeerde Staten of in hooger beroep voor de dienst zijn aangewezen, en in het algemeen van alle na het tijdstip, bedoeld in art. 112, in te lijven manschappen, geschiedt overeenkomstig de artt. 111, 113 en 114.

Art. 119.

Zoodra de manschappen, die ter aflevering worden opgezonden, hunne woonplaats verlaten, komen de kosten van hunne reis, voeding en huisvesting en de reis- en verblijfkosten hunner geleiders ten laste van 's Rijks kas.

HOOFDSTUK XI.
Van de Dienst, het Verlof en het Ontslag der bij
de Militie Ingelijfden.
§ 1. Van de dienst.

ART. 120.

De afgeleverde voor de militie te land bestemde manschappen worden, volgens de door Ons te geven voorschriften, bij de corpsen van het leger ingelijfd.

Vrijwilligers bij de militie worden, voor zoover zij daartoe geschikt bevonden zijn en er gelegenheid toe bestaat, ingelijfd bij het corps hunner keuze.

Art. 121.

De bij de militie te land ingelijfden dienen te gelijk met en op dezelfde wijze als de vrijwilligers bij het leger.

Voor zooveel er bij het Limburgsch Bondscontingent militie wordt ingedeeld, worden daartoe alleen manschappen genomen , afkomstig uit dat gedeelte van het hertogdom Limburg, waarop verpligtingen jegens het Duitsche Verbond rusten.

De lotelingen en de vrijwilligers bij de militie te land mogen echter niet, dan met hunne toestemming, naar de kolonien en bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen gezonden worden.

Art. 122.

De bij de militie te land ingelijfden worden tot eerste oefening gedurende het geheele eerste jaar van hun diensttijd onder de wapenen gehouden, tenzij Wij zulks niet noodig achten.

Art. 123.

Behalve de ligting, die voor het eerst dient, kan steeds een zevende van het geheele bedrag der vijf ligtingen van de militie te land onder de wapenen worden gehouden of geroepen.

Dat zevende wordt zamengesteld uit de manschappen:

1°. die krachtens art. 165 zonder loting zijn ingelijfd en hun eerste dienstjaar hebben volbragt;

2°. die krachtens de artt. 171 en 173 zijn in dienst gesteld en hun eerste dienstjaar hebben volbragt, voor zooverre omtrent hen is beslist, dat zij gedurende twee of vijf jaren onder de wapenen zullen worden gehouden;

3°. die krachtens art. 177 in dienst zijn gesteld en hun eerste dienstjaar hebben volbragt;

4°. die, na hun eerste dienstjaar te hebben volbragt, verlangen onder de wapenen te blijven of te worden geroepen.

Art. 124.

Is het in het vorig artikel bedoelde zevende deel niet op de daar bepaalde wijze voltallig te maken, dan wordt het in de hieronder volgende orde aangevuld:

1°. door de niet voor hunne broeders opgetreden plaatsvervangers, die hun eerste dienstjaar hebben volbragt;

2°. door de overige manschappen, die hun eerste dienstjaar hebben volbragt;

3°. door de niet voor hunne broeders opgetreden plaatsvervangers, die hun tweede dienstjaar hebben volbragt;

4°. door de overige manschappen, die hun tweede dienstjaar hebben volbragt.

Is slechts een deel ven eene van deze soorten van manschappen ter aanvulling noodig, dan wordt dat deel aangewezen door loting, op de door Ons te bepalen wijze te houden.

Art. 125.

Demilitie te land komt in gewone tijden jaarlijks eenmaal te zamen om gedurende niet langer dan zes weken in den wapenhandel te worden geoefend, tenzij Wij het raadzaam mogten oordeelen, dat zamenkomen geheel of gedeeltelijk achterwege te laten.

Art. 126.

Aan de bij de militie te land ingelijfden, die verlangen na volbragten oefeningstijd minstens voor zes maanden onder de wapenen te blijven of te komen, zonder zich als vrijwilliger te verbinden, wordt zulks vergund.

Art. 127.

Aan de geestelijken en bedienaren van de godsdienst bij de erkende kerkgenootschappen en aan de studenten in de godgeleerdheid, die daartoe aan erkende inrigtingen van onderwijs worden opgeleid, wordt door Ons, op hunne aanvrage, telkens voor één jaar, ontheffing van de werkelijke dienst verleend.

Ook in andere bijzondere gevallen kan door Ons aan de overige bij de militie ingelijfden ontheffing van de werkelijke dienst worden toegekend. Van deze ontheffing wordt telkens mededeeling gedaan in de Staats-courant, met opgave van de redenen, die daartoe geleid hebben.

Wordt de ontheffing niet op nieuw verleend en heeft de ingelijfde nog niet, krachtens art.122, zijn eersten oefeningstijd volbragt, dan is hij daartoe alsnog verpligt.

Indien, krachtens art. 51, ten gevolge der ontheffing, een broeder van dengene, aan wien zij verleend was, bij de militie was ingelijfd, dan wordt die broeder uit de militie ontslagen, zoodra de ontheffing niet wordt vernieuwd.

Art. 128.

De bij de militie te land ingelijfden worden niet tot het aangaan van een huwelijk toegelaten zonder schriftelijke toestemming van wege Onzen Minister van Oorlog.

Die toestemming wordt in gewone tijden niet geweigerd aan hen, die hun vierde dienstjaar hebben volbragt.

Art. 129.

De bij de militie te land ingelijfden worden niet tot het aangaan van eene verbindtenis voor de buitenlandsche zeevaart toegelaten, zonder schriftelijke toestemming van wege Onzen Minister van Oorlog.

Die toestemming wordt slechts verleend aan de lotelingen, die reeds vóór hunne inlijving bij de militie hun beroep van de buitenlandsche zeevaart maakten en die zich overeenkomstig art. l50 voor de zeemilitie hebben aangeboden, doch daarbij niet hebben kunnen worden aangenomen.

Art. 130.

Het Crimineel Wetboek en het Reglement van krijgstucht voor het krijgsvolk te lande zijn op de manschappen der militie te land, die zich onder de wapenen bevinden, van toepassing, en, met opzigt tot de verschillende gevallen van desertie, op al de bij de militie te land ingelijfden.

Die manschappen worden geacht onder de wapenen te zijn:

1°. zoolang zij zich bij hun corps bevinden;

2°. gedurende den tijd, dien het in art. 138 bedoeld onderzoek duurt;

3°. in het algemeen, wanneer zij in uniform zijn gekleed.

§ 2 Van het verlof.

Art. 131.

De bij de militie ingelijfden worden,wanneer zij niet meer krachtens de artt. 122, 123, 124 en 153 in werkelijke dienst behooren te blijven, met verlof huiswaarts gezonden.

Art. 132.

De verlofganger geniet gedurende zijn verloftijd geene soldij, noch toelage uit 's Rijks kas.

Art. 133.

Hij meldt zich binnen dertig dagen na den dag, waarop hem de verlofpas is uitgereikt, bij den burgemeester zijner woonplaats aan, ten einde deze zijn verlofpas voor gezien teekene.

Art. 134.

De verlofganger, die zich in eene andere gemeente gaat vestigen, geeft daarvan kennis aan den burgemeester zijner woonplaats. Binnen dertig dagen na den dag, waarop hij komt in de gemeente, waarin hij zich vestigt, meldt hij zich aan bij den burgemeester dier gemeente, ten einde deze zijn verlofpas voor gezien teekene.

Art. 135.

De burgemeester van elke gemeente houdt een afzonderlijk register van de in zijne gemeente gevestigde verlofgangers en teekent daarin aan wie van hen de gemeente hebben verlaten of overleden zijn.

Art. 136.

De verlofganger van de militie te land mag zich zonder toestemming van Onzen Minister van Oorlog niet langer dan gedurende vier weken buiten 's lands begeven.

Art. 137.

De verlofganger, die art. 133, 134, 136 of 156 niet naleeft, wordt in werkelijke dienst geroepen en gedurende drie maanden gehouden.

Art 138.

De verlofgangers van de militie te land worden jaarlijks ten minste eenmaal op den door Ons te bepalen tijd door den militiecommissaris onderzocht.

Art. 139.

Onze commissaris in de provincie bepaalt de plaatsen, dagen en uren, waarop het onderzoek zal plaats hebben.

Hiervan geschiedt in elke gemeente door burgemeester en wethouders, ten minste tien dagen te voren, openbare kennisgeving.

Art. 140.

De verlofganger verschijnt bij het onderzoek in uniform gekleed, en voorzien van de kleeding- en uitrustingstukken, hem bij zijn vertrek met verlof medegegeven, van zijn zakboekje en van zijn verlofpas.

Art. 141.

Behoudens het bepaalde in art. 150 kan een arrest van twee tot zes dagen, te ondergaan in de naastbij gelegen provoost of het naastbij zijnde huis van bewaring of arrest, door den militie-commissaris worden opgelegd aan den verlofganger:

1°. die zonder geldige reden niet bij het onderzoek verschijnt;

2°. die, daarbij verschenen zijnde, zonder geldige reden, niet voorzien is van de in het voorgaand artikel vermelde voorwerpen;

3°. wiens kleeding- of uitrustingstukken bij het onderzoek niet in voldoenden staat worden bevonden;

4°. die kleeding- of uitrustingstukken, aan een ander behoorende. als de zijne vertoont.

Art. 142.

Is de verlofganger, wien krachtens het voorgaand artikel arrest is opgelegd, hij het onderzoek tegenwoordig,dan kan hij dadelijk onder verzekerd geleide in arrest worden gebragt.

Is hij niet tegenwoordig en onderwerpt hij zich niet aan de hem opgelegde straf, dan wordt hij, op schriftelijke aanvrage van den militie-commissaris, te rigten aan den burgemeester der woonplaats van dien verlofganger, aangehouden en onder verzekerd geleide naar de naastbij gelegen provoost of het naastbij zijnde huis van bewaring of arrest overgebragt.

Art. 143.

Onverminderd de straf, in art. 141 vermeld, is de verlofganger verpligt, op den daartoe door den militie-commissaris te bepalen tijd en plaats, en op de in art. 140 voorgeschreven wijze, voor hem te verschijnen om te worden onderzocht.

Art. 144.

De verlofganger, die zich bij herhaling schuldig maakt aan het feit, sub 4°. van art. 141 bedoeld, of niet overeenkomstig art. 143 voor den militie-commissaris verschijnt, of, aldaar verschenen zijnde, in het geval verkeert sub 2°. en 3°. van art. 141 vermeld, wordt onder de wapenen geroepen en van drie tot zes maanden gehouden.

Art. 145.

De verlofganger der militie, die niet voldoet aan eene oproeping voor de werkelijke dienst, wordt als deserteur behandeld.

§S 3. Van het ontslag.

Art. 146.

Elk hij de militie te land ingelijfde ontvangt, vijf jaren na den dag zijner inlijving, een bewijs van ontslag uit de dienst.

Heeft hij echter in zijn diensttijd achtereen of opvolgend gevangenisstraf gedurende zes maanden of langer ondergaan, dan ontvangt hij dat bewijs zooveel later als zijne gevangenhouding heeft geduurd.

Art. 147.

Is de Staat in oorlog of in andere buitengewone omstandigheden op den tijd, waarop den ingelijfde bij de militie het bewijs van ontslag moet worden uitgereikt, en wordt het door Ons noodig geacht, hem langer in dienst te houden, dan wordt de aangifte van dat bewijs geschorst, tot dat omtrent de bij de Staten-Generaal ingediende voordragt van wet, die hem tot langer dienst verpligten zou, beslist is.

Art. 148.

Het bewijs van ontslag wordt gezonden aan den burgemeester der woonplaats van den ingelijfde en aan dezen door hem uitgereikt.

Bevindt de ingelijfde zich op het tijdstip van zijn ontslag in werkelijke dienst, dan wordt hem het bewijs door zijn bevelhebber uitgereikt.

HOOFDSTUK XII.
Van de Zeemilitie in het Bijzonder.

Art. 149.

De zeemilitie wordt zamengesteld uit lotelingen en vrijwilligers voor de militie, die zich vrijwillig hebben aangemeld om bij de zeemilitie te dienen.

Art. 150.

Jaarlijks, in den loop der maand Maart, geschiedt door burgemeester en wethouders in elke gemeente eene openbare kennisgeving, waarbij de lotelingen, die verlangen bij de zeemilitie te dienen, worden uitgenoodigd, zich daartoe vóór den 1mu April bij hen aan te melden.

Burgemeester en wethouders zenden vóór den l0den April eene opgave van het getal der lotelingen, die zich vrijwillig voor de zeemilitie hebben aangemeld, aan Onzen commissaris in de provincie.

Art. 151.

De voor de zeemilitie bestemde manschappen worden bij de aflevering, in art. 113 vermeld. aan eenen daarvoor aangewezen zeeofficier overgegeven.

Art. 152.

De zeemilitie wordt bestemd tot bemanning van de verdedigingsvaartuigen voor de binnenlandsche dienst en langs de kusten.

Zij wordt niet naar de kolonien en bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen gezonden, tenzij, in geval van zeer buitengewone omstandigheden, eene nadere wet daartoe magtiging verleene.

Art. 153.

De manschappen der zeemilitie worden tot eerste oefening gedurende het geheele eerste jaar van hun diensttijd in werkelijke dienst gehouden, tenzij Wij zulks niet noodig achten.

In geval van oorlog of andere buitengewone omstandigheden, kan de zeemilitie, hetzij geheel, hetzij ten deele, door Ons buitengewoon worden bijeengeroepen.

Ten zelfden tijd roepen Wij de Staten-Generaal bijeen, opdat eene wet het zamenblijven der zeemilitie, zooveel noodig, bepale.

Art. 154.

Aan de manschappen der zeemilitie, die verlangen, na volbragten oefeningstijd in werkelijke dienst te blijven of te komen, zonder zich als vrijwilliger te verbinden, wordt zulks vergund.

Art. 155.

Het Crimineel Wetboek en het Reglement van krijgstucht voor het krijgsvolk te water, zoomede de wet van den 28sten Junij 1854 (Staatsblad n°. 96), zijn op de manschappen der zeemilitie, die zich in werkelijke dienst bevinden, van toepassing en, met opzigt tot de verschillende gevallen van desertie, op al de bij de zeemilitie ingelijfden.

Te hunnen aanzien gelden bij toepassing van straffen de regels voor het vaste corps matrozen bij de zeemagt.

De manschappen worden geacht in werkelijke dienst te zijn van het oogenblik af, dat zij zijn overgenomen door den daartoe aangewezen zeeofficier, tot dat zij met groot verlof van boord vertrekken.

Art. 156.

De manschappen der zeemilitie. die zich met verlof bevinden, mogen zich zonder toestemming van Onzen Minister van Marine niet langer dan gedurende vier weken buiten 's lands begeven.

Hun wordt in gewone tijden vergunning tot uitoefening van de buitenlandsche zeevaart en visscherij verleend.

Zonder die vergunning worden zij niet tot eene verbindtenis tot uitoefening van de buitenlandsche zeevaart toegelaten.

Art. 157.

De manschappen der zeemilitie worden niet tot het aangaan van een huwelijk toegelaten, zonder schriftelijke toestemming van Onzen Minister van Marine.

Die toestemming wordt in gewone tijden niet geweigerd aan hen, die hun derde dienstjaar hebben volbragt.

Art. 158

Elk bij de zeemilitie ingelijfde ontvangt vier jaren na den dag zijner inlijving een bewijs van ontslag uit de dienst.

Heeft hij echter in zijn diensttijd achtereen of opvolgend gevangenisstraf gedurende zes maanden of langer ondergaan, dan ontvangt hij dat bewijs zooveel later, als zijne gevangenhouding heeft geduurd.

Art. 159

Aan hem, die na volbragten diensttijd uit de zeemilitie is ontslagen en daarbij een bewijs van goed gedrag heeft bekomen, wordt, wanneer hij binnen één jaar na zijn ontslag eene vrijwillige verbindtenis bij de vaste zeemagt aangaat, voor den graad, waarin hij is aangenomen, eene premie toegekend, de helft hooger dan die, voor de gewone vrijwilligers bepaald.

Art. 160.

Deloteling, die zijn diensttijd bij de zeemilitie heeft volbragt en eenbehoorlijk paspoort heeft bekomen, is in tijd van vrede van de dienst bij deschutterijen vrijgesteld. De van hem in tijd van gevaaren oorlog te vorderen dienst wordt door de wet op de schutterijen geregeld.

HOOFDSTUK XIII.
Van het Verzuim van Inschrijving, van het niet Verschij-
nen voor Gedeputeerde Staten, van het niet vol-
doen aan de Oproeping ter Inlijving en van Vrij-
stelling, op Valsche Bewijsstukken verkregen.

Art. 161.

Hij, wiens aangifte ter inschrijving voor de militie in het jaar en in de gemeente, waarin zij had moeten geschieden, verzuimd is, wordt, zoodra het wordt ontdekt, voor Gedeputeerde Staten der provincie, binnen welke de inschrijving had moeten plaats vinden, gebragt.

Gedeputeerde Staten onderzoeken het geval en doen daar omtrent ten spoedigste uitspraak.

Art. 162.

Indien hij, wiens aangifte ter inschrijving verzuimd is, zoo deze had plaats gehad, vrijstelling van dienst had kunnen erlangen, kan die hem alsnog worden verleend, mits de reden van vrijstelling bij zijn verschijnen voor Gedeputeerde Staten nog besta.

Art. 163.

Hij, die niet verkeert in het geval, in het voorgaand artikel bedoeld, wordt, is hij voor de dienst geschikt bevonden, daartoe zonder loting aangewezen.

Art. 164

Gedeputeerde Staten brengen hunne uitspraak terstond ter kennis van burgemeester en wethouders der gemeente, waartoe hij, wiens aangifte ter inschrijving is verzuimd, behoort.

Strekt die uitspraak tot vrijstelling of uitsluiting van de dienst, dan geven burgemeester en wethouders daarvan dadelijk kennis aan den loteling, die dien ten gevolge zal worden opgeroepen of, reeds ingelijfd zijnde, niet uit de dienst wordt ontslagen, of aan zijn vader of voogd.

Van de uitspraak kan bij Ons in beroep worden gekomen. Hierbij gelden de artt. 103-105.

Art. 165.

De in art. 161 bedoelde persoon, die bij de einduitspraak voor de dienst is aangewezen, wordt, behoudens de bepaling van art. 70, welke ook zijn leeftijd zij, voor vijf jaren ingelijfd en gedurende de twee eerste jaren onder de wapenen gehouden.

Hij komt in mindering van de ligting van het jaar, waarin hij had moeten loten, of, is die ligting reeds ontslagen, in mindering van de ligting van het jaar, waarin hij voor de dienst is aangewezen.

Is de ligting, in mindering waarvan hij komt, reeds afgeleverd, dan wordt, bij zijne inlijving, de houder van het hoogste van de voor die ligting in dienst gestelde nummers uit de gemeente, waartoe hij behoort, ontslagen.

Art. 166.

Op hem, die vroeger is ingeschreven dan in het jaar, waarin zijne inschrijving had moeten geschieden, zijn de artt. 161-165 niet van toepassing.

Hij blijft behooren tot de ligting van het jaar, waarvoor hij heeft geloot.

Art. 167.

De in vrijheid gestelde gevangene, bedoeld in art. 57, die verzuimt, binnen den in dat artikel vermelden tijd, voor den burgemeester te verschijnen of aan de oproeping om voor Gedeputeerde Staten te verschijnen te voldoen. wordt, zoodra het wordt ontdekt, voor die Staten, gebragt.

Gedeputeerde Staten onderzoeken het geval en doen daaromtrent ten spoedigste uitspraak.

Art. 168.

Indien de in vrijheid gestelde, ware hij binnen den gestelden tijd voor den burgemeester of Gedeputeerde Staten verschenen, vrijstelling van dienst had kunnen erlangen, dan kan hem die alsnog worden verleend, mits de reden van vrijstelling bij zijn verschijnen voor Gedeputeerde Staten nog besta.

Art. 169.

Hij, die niet verkeert in het geval, in het voorgaand artikel bedoeld, wordt, is hij voor de dienst geschikt bevonden, daartoe aangewezen.

Art. 170.

Op de uitspraken, krachtens art. 167 te doen, is art. 164 van toepassing.

Art. 171.

De in art. 167 bedoelde persoon, die bij einduitspraak voor de dienst is aangewezen, wordt, indien het voor hem getrokken nummer opgeroepen zou zijn geweest, welke ook zijn leeftijd zij, overeenkomstig art. 58 voor vijf jaren ingelijfd.

De aldus ingelijfde wordt gedurende de twee eerste jaren onder de wapenen gehouden, tenzij blijke, dat omstandigheden, van zijn wil onafhankelijk, hem hebben belet voor den burgemeester of Gedeputeerde Staten te verschijnen.

Art. 172.

De vrijwilliger voor de militie en de loteling, die niet aan de in art. 111 bedoelde oproeping of aan die, in art. 174 vermeld, heeft voldaan, wordt, zoodra het wordt ontdekt, voor Gedeputeerde Staten der provincie, tot welker aandeel in de ligting hij behoort, gebragt.

Gedeputeerde Staten onderzoeken het geval en doen daaromtrent ten spoedigste eene uitspraak en brengen die terstond ter kennis van burgemeester en wethouders der gemeente, waartoe de achtergeblevene behoort.

Art. 173.

Is hij voor de dienst geschikt bevonden, dan wordt hij, welke ook zijn leeftijd zij, voor vijf jaren ingelijfd.

De aldus ingelijfde wordt gedurende dien ganschen tijd onder de wapenen gehouden, tenzij Gedeputeerde Staten hebben beslist, dat omstandigheden, van zijnen wil onafhankelijk, hem hebben belet, aan de oproeping te voldoen.

Bij zijne inlijving wordt de houder van het nummer, dat ten gevolge van zijn achterblijven mogt zijn in dienst gesteld, daaruit ontslagen.

Is de ligting, waarvoor hij is opgeroepen geweest, reeds ontslagen, dan komt hij in mindering van de ligting van het jaar, waarin zijne inlijving geschiedt.

Is die ligting reeds afgeleverd, dan wordt bij zijne inlijving de houder van het hoogste van de voor die ligting in dienst gestelde nummers uit de gemeente, waartoe hij behoort, ontslagen.

Art. 174.

De loteling, die een plaatsvervanger of nummerverwisselaar heeft gesteld, wordt, indien zijn plaatsvervanger of nummerverwisselaar niet is opgekomen, terstond ter inlijving opgeroepen.

Art. 175.

De plaatsvervanger of nummerverwisselaar, die niet ter inlijving is opgekomen op den in art. 111 bedoelden tijd wordt overeenkomstig art. 172 behandeld.

Art. 176.

Hebben omstandigheden, van zijn wil onafhankelijk, hem belet op te komen, is hij voor de dienst alsnog geschikt en is de ligting van het jaar, waarin hij had moeten optreden, nog niet ontslagen, dan wordt hij, indien de loteling, jegens wien hij zich had verbonden, dit verlangt, tegen ontslag van dezen of van den nader door dien loteling gestelden plaatsvervanger, in dienst gesteld en te gelijk met de manschappen van die ligting ontslagen.

Art. 177.

Hij wordt, zoo hij niet is opgekomen, zonder dat omstandigheden, van zijn wil onafhankelijk, het hem hebben belet, is hij voor de dienst alsnog geschikt, voor vijf jaren ingelijfd en gedurende dien ganschen tijd onder de wapenen gehouden.

Is de loteling, jegens wien hij zich had verbonden, of de nader door dezen gestelde plaatsvervanger nog in dienst, dan wordt deze bij zijne inlijving ontslagen

Art. 178.

Hij, die door het overleggen van een valsch of vervalscht attest of bewijsstuk, eene vrijstelling van de dienst heeft verkregen, wordt, na voorafgaande toepassing van de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering en, is hem strafopgelegd na die te hebben ondergaan, voor Gedeputeerde Staten der provincie, binnen welke hij is ingeschreven, gebragt.

Gedeputeerde Staten doen te zijnen opzigte ten spoedigste eene uitspraak tot aanwijzing voor of wel tot vrijstelling of uitsluiting van de dienst, en brengen die terstond ter kennis van burgemeester en wethouders der gemeente, waartoe hij behoort.

Is hij voor de dienst geschikt bevonden, dan wordt hij, welke ook zijn leeftijd zij, voor vijf jaren ingelijfd en gedurende de twee eerste jaren onder de wapenen gehouden.

De inlijving geschiedt overigens overeenkomstig de tweede en derde zinsneden van art. 58.

Art. 179.

Voor het geneeskundig onderzoek gelden de twee laatste zinsneden van art. 71.

Art. 180.

Op de uitspraken van Gedeputeerde Staten, krachtens de artt. 172, 175 en 178 te doen, zijn de artt. 103 en 104 toepasselijk.

De uitvoering dier uitspraken wordt door het beroep niet geschorst.

Art. 181.

De ambtenaren, belast met het opsporen van misdrijven, en alle verdere beambten van politie zijn belast met de opsporing van hen:

1°. die niet overeenkomstig art. 15 ter inschrijving zijn aangegeven;

2°. die niet overeenkomstig art. 57 voor den burgemeester of Gedeputeerde Staten zijn verschenen;

3°. die niet aan de in de art. 111 en 174 bedoelde oproeping hebben voldaan.

Deze nalatigen kunnen gearresteerd en voorloopig in hechtenis gehouden worden.

Art. l82.

Hebben de personen, in de artt. 161, 167, 172, 175 en 178 bedoeld, den leeftijd van veertig jaren volbragt, dan worden zij van de dienst vrijgesteld.

HOOFDSTUK XIV.
Strafbepalingen.

Art. 183.

Met boete van ƒ 25 tot ƒ 100 wordt gestraft de overtreding van de artt. 18 en 24.

Art. 184.

Met boete van ƒ 25 tot ƒ 100 en gevangenisstraf van drie dagen tot ééne maand, te zamen of afzonderlijk, wordt gestraft:

1°. hij, die niet overeenkomstig art. 57 voor den burgemeester of Gedeputeerde Staten is verschenen;

2°. hij, die niet aan de oproeping, bedoeld in de artt. 73, 111 en 174, heeft voldaan.

Art. 185.

Met boete van ƒ 500 tot ƒ 1000 en gevangenisstraf van drie tot vijf jaren, te zamen of afzonderlijk, wordt gestraft hij, die zich door moedwillige verminking voor de dienst bij de militie ongeschikt maakt of doet maken.

Art. 186.

Met boete van ƒ 10 tot ƒ 50 wordt gestraft de geneeskundige, die, zonder geldige redenen, nalaat, aan de krachtens deze wet gedane oproeping tot een geneeskundig onderzoek op den bepaalden tijd, te voldoen.

Art. 187.

Met boete van ƒ 50 tot ƒ 200 wordt gestraft:

1°. de ambtenaar van den burgerlijken stand, die in strijd handelt met art. 8, 128 of 157;

2°. de ambtenaar, belast met de monstering van scheepsofficieren en scheepsgezellen, of de schipper, die in strijd handelt met art. 8, 129 of de laatste zinsnede van art.156.

3°. de ambtenaar, die in strijd handelt met art. 75.

Art. 188.

Bij elke veroordeeling tot boete wordt tevens door den regter bepaald, dat, indien daaraan niet is voldaan binnen twee maanden nadat de veroordeelde tot betaling is aangemaand, de boete door gevangenisstraf van ten hoogste tien maanden zal worden vervangen.

De aanmaningen geschieden kosteloos en zijn vrij van zegel- en registratieregten.

Art 189.

Art. 463 van het Wetboek van Strafregt en art 20 der wet van 29 Junij 1854 (Staatsblad n°. 102) zijn van toepassing op de overtredingen van deze wet.

Overgangsbepalingen.

Art. 190.

Hij, die bij het in werking treden van deze wet van de militie tijdelijk is vrijgesteld, wordt:

zoo hij zijn twintigste jaar heeft volbragt, voor altijd vrijgesteld;

zoo hij zijn twintigste jaar nog niet heeft volbragt en krachtens deze wet regt op vrijstelling heeft, voor altijd vrijgesteld, zoo hij het niet heeft, voor de dienst aangewezen, en, ingeval het hem in het vorig jaar ten deel gevallen nummer in de termen van oproeping is gevallen, ingelijfd.

Art. 191.

Deze wet treedt in werking met den 1sten Januarij 1862.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle Ministeriele Departementen, Autoriteiten, Collegien en Ambtenaren, wien zulks aangaat, aan de naauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven op het Loo, den 19den Augustus 1861.

(Get.) W I L L E M.
De Minister van Binnenlandsche Zaken
(Get.) S. VAN HEEMSTRA.
De Minister van Oorlog
(Get.) DE CASEMBROOT.
De Minister van Marine
(Get.) W. J. C. H. van KATTENDIJKE.
Uitgegeven den dertigsten Augustus 1861
De Directeur van het Kabinet des Konings.
(Get.) de KOCK.



Noot behorend bij artikel 15

1) Het 3de artikel dezer wet ter uitvoering van art. 7 der Grondwet, luidt als volgt:

,,Gevestigd of ingezetenen zijn, die binnen het rijk in Europa hebben gewoond:

1°. gedurende de drie laatste jaren;

2°. gedurende achttien maanden na aan het bestuur hunner woonplaats het voornemen tot vestiging te hebben verklaard.

Nederlanders zijn gevestigd of ingezetenen, die gedurende de laatste achttien maanden hunnen woonplaats binnen het Rijk in Europa hebben gehad.

Nederlanders, die ter zaken van 's lands dienst in een vreemd land wonen, worden voortdurend als ingezetenen beschouwd.

De bepalingen van ingezetenschap, in bijzondere wetten voorkomenden, gelden alleen voor zooveel betreft de onderwerpen, in die wetten behandeld.

Tabel behorend bij artikel 49

TABEL wegens het toekennen van vrijstellingen op grond van de dienst van broeders, bedoeld bij art. 49 der wet op de 'nationale militie (Staatsblad n°. 72).

   


Bronnen:

  1. "Verzameling van Wetten en Besluiten betreffende de Nationale Militie". Onder redactie van C.J. van Maanen. Jaargang 1862. Uitgegeven bij J. van Boekhoven in Utrecht. Digitaal exemplaar op books.google.com.


Deze pagina is voor het laatst gewijzigd op: 24 December 2017.