Wet van den 22sten April 1864 betrekkelijk de Nationale Militie.

Met de wet van 22 april 1864, geplaatst in Staatsblad 22 van 1864, werd weer een kleine wijziging in de wet op de Nationale Militie doorgevoerd. Ditmaal m.b.t. lotelingen die niet op tijd opvolging hebben gegeven aan hun oproeping voor dienst bij de zeemilitie, zij niet automatisch uitgesloten zijn van dienst bij die zeemilitie.



(N° 22.) WET van den 22sten April 1864, tot uitbreiding van de wet van 19den Augustus 1861 (Staatsblad no. 72), betrekkelijk de nationale militie.

WIJ WILLEM III, BIJ DE GRATIE GODS, KONING DER NEDERLANDEN, PRINS VAN ORANJE-NASSAU, GROOT-HERTOG VAN LUXEMBURG, ENZ., ENZ., ENZ.

Allen, die deze zullen zien of hooren, salut! doen te weten:

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat volgens art. 173 der wet van den 19 Augustus 1861 (Staatsblad n°. 72), lotelingen der nationale militie, die niet op den bestemden tijd aan de oproeping ter inlijving hebben voldaan, bij latere opkomst niet bij de zeemilitie toegelaten, maar bij de militie te land ingelijfd worden;

dat het zoowel in het belang der zeemilitie als in dat der zeevarenden van beroep wenschelijk is, zoodanige lotelingen niet onvoorwaardelijk van de zeemilitie uit te sluiten;

Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Eenig artikel

De loteling, die zich, overeenkomstig art. 150 der wet van den 19den Augustus 1861 (Staatsblad n°. 72), heeft aangemeld of doen aanmelden om bij de zeemilitie te dienen, doch aan de oproeping, in art. 111, of aan die in art. 174 bevolen, niet heeft voldaan, en volgens art. 173 in dienst moet gesteld worden, kan voor vier jaren bij de zeemilitie worden ingelijfd, tenzij het cijfer, in art. 5 als maximum bepaald, voltallig ware.
Hiervan is uitgezonderd de loteling, omtrent wien Gedeputeerde Staten hebben beslits, dat geene omstandheiden van zijn wil onafhankelijk hem hebben belet aan de oproeping te voldoen.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministriële Departementen, Autoriteiten, Collegien en Ambtenaren, wiens zulks aangaat, aan de naauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's Gravenhage, den 22sten April 1864.

WILLEM

De Minister van Binnenlandsche Zaken,
THORBECKE.
De Minister van Marine,
W. J. C. H. V. KATTENDIJKE.
De Minister van Oorlog,
J. W. BLANKEN.

Uitgegeven den negen en twintigsten April 1864.
De Minister van Justitie,
OLIVIER.



Bron:

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1864, 01-01-1864. Geraadpleegd op Delpher op 19-12-2017.
Direct naar Staatsblad 22 met betreffende wet.



Deze pagina is voor het laatst gewijzigd op: 24 December 2017.